Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2010:BP8815

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
30-11-2010
Datum publicatie
23-03-2011
Zaaknummer
15-800643-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Gevoelige gegevens; Geen machtiging ex art. 126nf Sv; Onherstelbaar vormverzuim; Wel schending zwaarwegend belang, maar geen bewust en ernstig verzuim, en geen wezenlijk nadeel voor verdachte; Strafvermindering. Verbalisanten hebben naar het oordeel van de rechtbank impliciet gevoelige gegevens gevorderd, te weten gegevens met betrekking tot de huidskleur van medewerkers van beveiligingsbedrijf. Bovendien was het verbalisanten al snel duidelijk dat bij het zoeken in het computersysteem naast namen ook foto's, en dus gevoelige gegevens, zichtbaar werden op het scherm.

Geen bewijs voor medeplegen van invoer cocaïne, nu verdachte pas na de inbeslagname van de cocaïne handelingen heeft verricht die per definitie niet meer konden strekken tot het verdere vervoer en de overdracht van de binnen het grondgebied van Nederland gebrachte cocaïne; Gedragingen van verdachte leveren naar het oordeel van de rechtbank wel strafbare voorbereidingshandelingen op.

De rechtbank neemt bij het bepalen van de straf ten nadele van verdachte in aanmerking, dat verdachte feitelijk is opgetreden als afhaler van een koerier en aldus kennelijk een zodanige plaats in de organisatie heeft, dat hij zelf niet het grootste risico heeft gelopen. Daarbij heeft verdachte bij het verrichten van de voorbereidende handelingen misbruik gemaakt van zijn functie als beveiliger op Schiphol. Daarnaast heeft verdachte zich gedurende lange tijd schuldig gemaakt aan gewoontewitwassen. De rechtbank acht een gevangenisstraf voor de duur van 4,5 jaar passend en geboden. De rechtbank zal de hoogte van de straf echter met zes maanden verlagen teneinde het begane onherstelbare vormverzuim te compenseren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2011/115
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector Strafrecht

Locatie Schiphol

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/800643-10

Uitspraakdatum: 30 november 2010

Tegenspraak

Strafvonnis

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 16 november 2010 in de zaak tegen:

[VERDACHTE],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats], Ghana,

wonende te [adres],

thans gedetineerd in Penitentiaire Inrichting Midden Holland, Huis van Bewaring Haarlem.

1. Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

feit 1 primair:

hij op of omstreeks 01 mei 2010 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht, al dan niet als bedoeld in artikel 1 lid 4 van de Opiumwet, ongeveer 5.620,8 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij die wet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, althans bevattende een (ander) middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet;

feit 1 subsidiair:

hij op een of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 27 april 2010 tot en met 1 mei 2010, te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, in elk geval in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, om een feit, bedoeld in het vierde of vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen van 5.620,8 gram, in elk geval een hoeveelheid, van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, althans bevattende een (ander) middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet behorende lijst I,

- voor te bereiden en/of te bevorderen, een of meer anderen heeft getracht te bewegen om dat feit te plegen, te doen plegen, mede te plegen, uit te lokken en/of om daarbij behulpzaam te zijn en/of om daartoe gelegenheid, middelen en/of inlichtingen te verschaffen,

- zich (daartoe) gelegenheid en/of middelen en/of inlichtingen tot het plegen van dat feit heeft verschaft en/of

- (daartoe) voorwerpen, stoffen, gelden of andere betaalmiddelen voorhanden heeft gehad, waarvan zij wist of ernstige reden had om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit, immers, heeft/is hij, verdachte, en/of zijn mededader(s):

- het beltegoed van een SIM-kaart (met het telefoonnummer [telefoonnummer X]) opgewaardeerd (teneinde telefonisch contact te kunnen onderhouden met de koerier en/of derden) en/of

- zich na zijn diensttijd begeven nabij het internetcafé in Lounge 2 op het airside gedeelte van de Luchthaven Schiphol, waarbij hij, verdachte, gebruik maakte van zijn Schipholpas (die hij, verdachte, in het kader van zijn werkzaamheden bij beveiligingsbedrijf [naam beveiligingsbedrijf]. onder zich had) en/of

- telefonisch contact gehad met de koerier en/of

- de koerier de opdracht gegeven achter hem, verdachte, aan te lopen en/of

- ongeveer 1 meter voor de koerier uit richting de gang naar het stiltecentrum gelopen (teneinde in het stiltecentrum de verdovende middelen over te nemen) en/of

- de koerier de opdracht heeft gegeven terug te gaan naar zijn plaats;

feit 2 primair:

hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 22 december 2006 tot en met 18 mei 2010, te Amsterdam Zuidoost, gemeente Amsterdam, althans in Nederland, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers heeft hij, verdachte,

- op 18 mei 2010, een voorwerp, te weten een geldbedrag (van in totaal 41.950 euro), en/of

- in de periode van 22 december 2006 tot en met 8 maart 2010, meermalen (een) voorwerp(en), te weten (een) geldbedrag(en) (van in totaal 62.391,97 euro),

verworven, voorhanden gehad en/of, overgedragen en/of omgezet, althans van een voorwerp, te weten bovengenoemd(e) geldbedrag(en), gebruik (heeft) gemaakt, door voornoemd(e) geldbedrag(en) over te maken en/of te ontvangen via Money Transfers, terwijl hij (telkens) wist dat bovengenoemd voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf;

feit 2 subsidiair:

hij op één of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 22 december 2006 tot en met 18 mei 2010, te Amsterdam Zuidoost, gemeente Amsterdam, althans in Nederland, (een) voorwerp(en) te weten:

- op 18 mei 2010 een geldbedrag (van in totaal 41.950 euro), en/of

- in de periode van 22 december 2006 tot en met 8 maart 2010 (een) geldbedrag(en) (van in totaal 62.391,97 euro),

heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen en/of omgezet, althans van een voorwerp, te weten voornoemd(e) geldbedrag(en) gebruik heeft gemaakt, terwijl hij wist of redelijkerwijs moest vermoeden dat bovenomschreven voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf.

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van de onder primair ten laste gelegde feiten en gevorderd dat:

- verdachte terzake zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van eenenvijftig (51) maanden met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht;

- het onder verdachte in beslag genomen en niet teruggegeven geld wordt verbeurd verklaard;

- de onder verdachte in beslag genomen en niet teruggegeven Schipholpas wordt teruggegeven aan de rechthebbende AAS.

4. Bewijs

4.1 Het gevoerde formele verweer: artikel 359a Wetboek van Strafvordering

Door de raadsman is namens verdachte - zakelijk weergegeven - het volgende verweer gevoerd.

Verbalisanten hebben gevoelige gegevens gevorderd zonder dat hen daartoe voorafgaand door de rechter-commissaris een machtiging ex artikel 126nf van het Wetboek van Strafvordering was afgegeven.

Verbalisanten hebben op 1 mei 2010 op grond van artikel 126nc van het Wetboek van Strafvordering bij beveiligingsbedrijf [naam beveiligingsbedrijf] identificerende gegevens gevorderd van een mogelijke afhaler van drugs op basis van een signalement. Het signalement dat op basis van de verrichtte observatie bekend was geworden, luidde als volgt:

'een negroïde man van vermoedelijk Ghanese afkomst......en gekleed in een uniform van het beveiligingsbedrijf". Op het moment dat een medewerker van [naam beveiligingsbedrijf] gegevens van verschillende personen, die de bewuste dag werkzaam waren geweest, invoerde in het computersysteem van [naam beveiligingsbedrijf] bleek dat er na het invoeren van de namen foto's zichtbaar werden op het scherm. Aldus waren die foto's onlosmakelijk verbonden met de persoonsgegevens die werden ingevoerd. Nu foto's en afbeeldingen als gevoelige gegevens zijn aan te merken (vgl. HR 23 maart 2010, LJN BK6331) hebben verbalisanten volgens de verdediging impliciet gevoelige gegevens gevorderd. Hiervoor is een machtiging ex artikel 126nf van het Wetboek van Strafvordering vereist. Dat maakt de gedane vordering, die immers gegrond was op artikel 126nc van het Wetboek van Strafvordering, onrechtmatig en de uit de vordering verkregen resultaten dienen daarom van het bewijs te worden uitgesloten.

Bovendien hebben verbalisanten door in het signalement naar de huidskleur en vermoedelijke afkomst te verwijzen gevoelige gegevens verstrekt en op basis daarvan persoonsgegevens gevorderd. Ook daarvoor is artikel 126nc van het Wetboek van Strafvordering niet bedoeld. Nu de gevraagde informatie in een dergelijk geval is terug te voeren op een gevoelig gegeven dient in zo'n geval gebruik te worden gemaakt van een machtiging ex artikel 126nf van het Wetboek van Strafvordering aldus de raadsman.

De verkregen gegevens die uiteindelijk naar verdachte hebben geleid, zijn gelet op het voorgaande onrechtmatig verkregen. De raadsman verzoekt hieraan de conclusie te verbinden dat al het daaruit voortvloeiende bewijs onrechtmatig is verkregen, hetgeen tot vrijspraak van de ten laste gelegde feiten zou dienen te leiden.

4.2 Standpunt openbaar ministerie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat er geen sprake is van schending van artikel 126 nf van het Wetboek van Strafvordering. De verbalisanten hebben slechts een signalement met gevoelige gegevens verstrekt en niet ontvangen, aldus - zakelijk weergegeven - de officier van justitie.

4.3 Oordeel rechtbank[1]

De rechtbank overweegt met betrekking tot dit verweer als volgt.

Uitgangspunt is dat wanneer gegevens worden gevorderd waaruit gevoelige gegevens (zouden) kunnen worden afgeleid, dit dient plaats te vinden op basis van een verkregen machtiging op grond van artikel 126nf van het Wetboek van Strafvordering, dus na tussenkomst van de rechter-commissaris. Zelfs indien de betrokken verbalisanten in de onderhavige zaak niet de bedoeling hadden die gevoelige gegevens, in casu de (ras)gegevens uit foto's te verkrijgen, dient naar het oordeel van de rechtbank de vordering met toepassing van artikel 126nf van het Wetboek van Strafvordering te geschieden. Van belang is immers of voorzienbaar was dat zich tussen de gevorderde gegevens, gevoelige gegevens zouden bevinden.

In het onderhavige geval hebben verbalisanten op basis van het door hen gegeven signalement identificerende gegevens gevorderd. Verbalisanten hebben bij dit signalement expliciet verwezen naar gevoelige gegevens van een verdachte, te weten de (negroïde) huidskleur en vermoedelijke (Ghanese) afkomst. De betrokken medewerker (dutymanager) van het beveiligingsbedrijf heeft vervolgens in het computersysteem naar negroïde medewerkers gezocht die de bewuste dag dienst hadden en ook overigens aan het signalement voldeden. De door verbalisanten genoemde huidskleur en vermoedelijke afkomst, gevoelige gegevens waarover het beveiligingsbedrijf beschikte, zijn dan ook een noodzakelijke schakel geweest tussen het signalement en de naam en andere identificerende gegevens van verdachte.

Verbalisanten hebben naar het oordeel van de rechtbank, door aldus te handelen, impliciet gevoelige gegevens gevorderd. Aan hun verzoek kon immers niet worden voldaan zonder dat gevoelige gegevens, te weten de huidskleur van de medewerkers, door het beveiligingsbedrijf werden verstrekt.

Bovendien was het verbalisanten al snel - na het invoeren van de namen van de op die dag werkzame personeelsleden - duidelijk dat naast de namen ook foto's, en dus gevoelige gegevens, zichtbaar werden op het scherm. Naar het oordeel van de rechtbank was in die zin ook voorzienbaar dat de gevorderde gegevens onlosmakelijk gepaard gingen met gevoelige gegevens in de vorm van foto's. Uiteindelijk leidde dit ertoe dat verbalisanten verdachte ook op een foto hebben herkend en op grond daarvan zijn adresgegevens hebben gevorderd.[2] Naar het oordeel van de rechtbank had bij deze gang van zaken artikel 126nf van het Wetboek van Strafvordering dienen te worden toegepast.

Nu verbalisanten zonder voorafgaande machtiging van de rechter-commissaris op 1 mei 2010 op grond van artikel 126nc van het Wetboek van Strafvordering gevoelige gegevens hebben gevorderd, is naar het oordeel van de rechtbank sprake van een onherstelbaar vormverzuim. Aan de bevoegdheid gevoelige gegevens te vorderen heeft de wetgever immers zwaardere voorwaarden verbonden dan aan de bevoegdheid andere gegevens te vorderen, daar het gegevens betreft die vanwege hun aard een indringende inbreuk kunnen maken op de persoonlijke levenssfeer van de betrokkene(n). Teneinde deze zwaardere voorwaarden te waarborgen is voorafgaande machtiging van de rechter-commissaris vereist.

Weliswaar is op 12 mei 2010 is in deze strafzaak door de rechter-commissaris alsnog een machtiging ex artikel 126nf van het Wetboek van Strafvordering afgegeven teneinde de foto van verdachte te verkrijgen, echter dit kan het gebrek aan de door de wetgever beoogde voorafgaande toetsing door de rechter-commissaris niet ongedaan maken. Naar het oordeel van de rechtbank is dan ook sprake van een onherstelbaar vormverzuim zoals bedoeld in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering.

In onderhavig geval blijken de rechtsgevolgen van het vormverzuim niet uit de wet. De rechtbank dient derhalve zelfstandig te beoordelen of aan het vormverzuim enig rechtsgevolg dient te worden verbonden en, zo ja, welk rechtsgevolg dan in aanmerking komt. Daarbij dient de rechtbank rekening te houden met de in het tweede lid van artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering genoemde factoren, te weten het met het geschonden voorschrift gediende belang, de ernst van het verzuim en het nadeel dat daardoor wordt veroorzaakt.

Met betrekking tot het belang van het geschonden voorschrift, is hiervoor al aangegeven dat met artikel 126nf van het Wetboek van Strafvordering een zwaarwegend belang wordt beschermd nu het gegevens betreffen die vanwege hun aard een indringende inbreuk kunnen maken op de persoonlijke levenssfeer van de betrokkene(n). Verdachte moet er van uit kunnen gaan dat de hem betreffende gevoelige gegevens bij zijn werkgever 'veilig' zijn en slechts gevorderd kunnen worden op de wijze zoals bij wet voorzien. Dit zwaarwegende belang is in onderhavig geval geschonden.

Met betrekking tot de ernst van het verzuim is de rechtbank van oordeel dat geen sprake is van een bewust en ernstig verzuim aan de zijde van de verbalisanten. Hierbij weegt de rechtbank mee dat artikel 126nf van het Wetboek van Strafvordering een relatief nieuwe wetsbepaling betreft, ten aanzien waarvan de rechtspraak ook nog niet helemaal uitgekristalliseerd is en in de opsporingsfase ook vragen kan oproepen Ook verbalisanten waren zich klaarblijkelijk van een dilemma bewust toen zij zich bij het beveiligingsbedrijf vervoegden, gezien ook de omstandigheid dat zij voorafgaand aan de vordering op grond van artikel 126nc van het Wetboek van Strafvordering ruggespraak hebben gehouden met de dienstdoende officier van justitie. Verder hebben zij vervolgens getracht zich te onthouden van het bekijken van foto's door op een andere plaats te gaan zitten.[3] Ook weegt in dit verband mee dat de betrokken medewerker van het beveiligingsbedrijf eveneens ruggespraak heeft gehouden met haar meerdere, die vervolgens groen licht heeft gegeven de verbalisanten de gegevens te verstrekken.[4] Onder deze omstandigheden acht de rechtbank de mate van verwijtbaarheid aan de zijde van de verbalisanten gering. Ook neemt de rechtbank de omstandigheid in aanmerking dat de rechter-commissaris op 12 mei 2010 alsnog een machtiging ex artikel 126nf van het Wetboek van Strafvordering heeft afgegeven[5] en er naar diens oordeel kennelijk geen sprake was van een situatie waarin een machtiging ex artikel 126nf van het Wetboek van Strafvordering niet afgegeven kon worden. Al met al is er naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van een ernstig vormverzuim.

Met betrekking tot het nadeel dat door het vormverzuim voor verdachte is veroorzaakt overweegt de rechtbank dat het gevoelige gegeven, te weten dat de verdachte een negroïde man betrof, de verbalisanten reeds vóór de gedane vordering bekend was. In de periode gelegen tussen de vordering van 1 mei 2010 en het afgeven van de machtiging door de rechter-commissaris op 12 mei 2010 zijn verder alleen op basis van een vordering van de officier van justitie ex artikel 126nd en 126ne van het Wetboek van Strafvordering het werkrooster en de Schipholpas van verdachte verkregen. Verdere opsporingshandelingen, waaronder observatie, de aanhouding van verdachte en de doorzoeking van de woning van verdachte, hebben pas na 12 mei 2010 plaats gevonden.

Het voorgaande leidt ertoe dat naar het oordeel van de rechtbank als gevolg van het vormverzuim er geen wezenlijk nadeel voor verdachte is veroorzaakt.

Op grond van de vorengaande weging en waardering van de wettelijke beoordelingsfactoren en de omstandigheden van het geval kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden volstaan met de vaststelling dat een onherstelbaar vormverzuim is begaan. In onderhavig geval kan het verzuim niet zonder gevolg blijven en dient naar het oordeel van de rechtbank de hoogte van de straf in verhouding tot de ernst van het verzuim te worden verlaagd. In tegenstelling tot de raadsman acht de rechtbank, na weging en waardering van de wettelijke beoordelingsfactoren en de omstandigheden van het geval, geen termen aanwezig om tot bewijsuitsluiting over te gaan.

4.4 Redengevende feiten en omstandigheden met betrekking tot feit 1

Op 1 mei 2010 werd op de luchthaven Schiphol, gelegen in de gemeente Haarlemmermeer, een douanecontrole uitgevoerd op passagiers aankomend met vlucht [vluchtnummer] vanuit Lima, Peru. Bij deze douanecontrole is in de bagage van een passagier genaamd [naam medeverdachte] een plastic tas gevonden met daarin verschillende pakketten.[6] Deze pakketten zijn in beslag genomen en bij nader onderzoek is vast komen te staan dat zich in deze pakketten 5,620,8 gram cocaïne bevond.[7] [mededachte] heeft hierover verklaard dat hij op verzoek van een man, die hij in Amsterdam ontmoet had, naar Lima is afgereisd en dat hij deze plastic tas voor hem mee terug moest nemen. Op Schiphol aangekomen zou hij een shirt van Engeland moeten dragen zodat hij herkend kon worden.[8]

Desgevraagd heeft [mededachte] aangegeven dat hij vrijwillig wenste mee te werken aan het onderkennen van zijn mogelijke afhaler(s) dan wel opdrachtgever(s). [mededachte] verklaarde daarbij dat de overdracht van de koffer plaats zou vinden in een kerkelijke ruimte op de luchthaven. [mededachte] is vervolgens van 16.00 uur tot en met 23.45 uur onder constante observatie genomen.[9] Tijdens deze observatie is gezien dat [mededachte] meermalen wordt gebeld . Omstreeks 20.24 uur[10] verschijnt een negroïde man nabij het internetcafé in Lounge 2 op het airside-gedeelte van de luchthaven, waar [mededachte] op dat moment ook in de buurt is. Deze man is gekleed in een uniform van beveiligingsbedrijf [naam beveiligingsbedrijf]. Gezien wordt dat deze man met een mobiele telefoon een gesprek voert en daarbij in de richting van [mededachte] kijkt, die op dat moment eveneens een gesprek voert. Beiden beëindigen hun gesprek in hetzelfde tijdsbestek. [mededachte] loopt hierna met zijn koffer richting deze man en maakt richting de observanten een kleine knikbeweging met zijn hoofd. [mededachte] zegt tegen de observanten dat dit de man is waar hij achteraan moet lopen. [mededachte] volgt de man vervolgens in de richting het stiltecentrum en komt hierna terug.[11] Over de inhoud van de telefoongesprekken heeft [mededachte] bij zijn verhoor verklaard dat hij in eerste instantie gebeld werd door [betrokkene] die vroeg of hij zat waar hij moest zitten en zei dat hij gebeld zou worden. Vervolgens werd hij gebeld door een man die zei dat hij om zich heen moest kijken. [mededachte] zag toen een negroïde man gekleed in een zwart pak met een tekentje van de beveiliging er op. Deze man gaf hem de opdracht hem te volgen, echter toen [mededachte] bijna bij hem was zei hij 'go back'.[12]

Teneinde de naam van de vermoedelijke afhaler dan wel opdrachtgever te achterhalen, gaan verbalisanten vervolgens naar het kantoor van beveiligingsbedrijf [naam beveiligingsbedrijf] Nederland. Hier heeft de dutymanager verbalisanten op grond van een door hen gegeven signalement de personeelsadministratie en het dienstrooster van 1 mei 2010 geraadpleegd. Vervolgens wordt een foto getoond van verdachte, genaamd [naam verdachte]. Verbalisanten herkennen verdachte vervolgens als de persoon die zij tijdens de observatie hebben waargenomen.[13]

De verkeersgegevens van de telefoon die [mededachte] gedurende zijn aanhouding en observatie bij zich had zijn geanalyseerd. Hieruit kon worden vastgesteld dat de telefoon van [mededachte] op 1 mei 2010 om circa 20.23 uur, 56 seconden contact heeft gehad met de gebruiker van telefoonnummer [telefoonnummer X].[14] Naar aanleiding hiervan zijn de historische printgegevens van laatstgenoemd telefoonnummer onderzocht. Hieruit is gebleken dat dit telefoonnummer gebruik maakt van een mobiele telefoon met het IMEI nummer [IMEI-nummer]. Tijdens de doorzoeking van de woning van verdachte is een mobiele telefoon met vorengenoemd IMEI nummer aangetroffen.[15]

Ten slotte is uit onderzoek naar het werkrooster en het gebruik van de Schipholpas van verdachte gebleken dat verdachte op 1 mei 2010 tot 20.16 uur heeft gewerkt Het was verdachte na werktijd niet meer toegestaan om met gebruikmaking van zijn Schipholpas op de Airside (het beveiligde gedeelte) te komen.[16] De Schipholpas van verdachte is op diezelfde datum echter gebruikt tot 20.53 uur.[17]

Verdachte heeft zich immer op zijn zwijgrecht beroepen.

Op grond van vorenstaande redengevende feiten en omstandigheden in onderling verband en samenhang bezien stelt de rechtbank vast dat het verdachte is geweest die op 1 mei 2010 telefonisch contact heeft gehad met [mededachte], [mededachte] de opdracht heeft gegeven hem te volgen en [mededachte] uiteindelijk weer heeft teruggestuurd. Naar het oordeel van de rechtbank is daarmee aannemelijk dat het verdachte is geweest die de cocaïne van [mededachte] zou overnemen en ook in relatie stond met de opdrachtgever van [mededachte], genaamd [betrokkene]..

Naar het oordeel van de rechtbank kan echter niet worden bewezen dat verdachte reeds vóór de inbeslagname van de cocaïne door de Koninklijke Marechaussee enige deelnemingshandeling met betrekking tot de invoer van de cocaïne heeft verricht en of anderszins daarbij nauw en bewust betrokken is geweest. Verdachte heeft immers eerst na de inbeslagname van de cocaïne handelingen verricht strekkende tot het verdere vervoer en de overdracht van de ingevoerde cocaïne. Nu die handelingen per definitie niet meer konden strekken tot het verdere vervoer en de overdracht van die binnen het grondgebied van Nederland gebrachte cocaïne dient verdachte vrij te worden gesproken van het onder feit 1 primair ten laste gelegde.

Naar het oordeel van de rechtbank leveren de gedragingen van verdachte echter wel strafbare voorbereidingshandelingen op zoals ten laste gelegd onder feit 1 subsidiair.

4.5 Redengevende feiten en omstandigheden met betrekking tot feit 2

In verband met de verdenking van het onder 1 ten laste gelegde feit heeft er op 18 mei 2010 in de woning van verdachte een doorzoeking ter inbeslagname plaatsgevonden. Bij deze doorzoeking is een contant geldbedrag van 41.950 euro, bestaande uit 59 coupures van 500 euro, 9 coupures van 200 euro, 51 coupures van 100 euro en 111 coupures van 50 euro, in beslag genomen. Ook zijn diverse afschriften in beslag genomen.[18] Uit onderzoek naar deze moneytransfers is gebleken dat verdachte in de periode van 22 december 2006 tot en met 22 februari 2010 in een totaalbedrag van 55.777,97 euro heeft overgemaakt naar Ghana.[19] Bovendien zijn er daarnaast nog dertien (andere) verdachte transacties bekend, waarmee verdachte een totaalbedrag van 7.614 euro heeft overgemaakt.[20]

Teneinde te onderzoeken wat de legale inkomsten van verdachte waren in de jaren 2007 tot en met 2010 zijn gegevens opgevraagd bij de Belastingdienst. Hieruit is gebleken dat verdachte in 2007 een bruto jaarinkomen van 27.771 euro heeft opgegeven, in 2008 28.071 euro en in 2009 29.616 euro.[21] Voorts is uit onderzoek gebleken dat verdachte vanaf januari 2010 tot en met mei 2010 ongeveer 2100 euro netto per maand verdiende.[22]

Verdachte heeft zich ook met betrekking tot dit feit immer op zijn zwijgrecht beroepen.

In de woning van verdachte is een grote hoeveelheid contant geld aangetroffen. Het is een feit van algemene bekendheid dat diverse vormen van criminaliteit gepaard gaan met grote hoeveelheden contant geld. Bovendien betrof het een grote hoeveelheid biljetten van 500 euro, welke biljetten voornamelijk in het criminele circuit plegen te worden gebruikt. Voorts kleven er aanzienlijke risico's aan het in huis bewaren van contant geld. Daarbij kunnen de (bekende) legale inkomsten van verdachte het aangetroffen contante geld en het totaalbedrag aan (uitgaande) moneytransfers naar het oordeel van de rechtbank geenszins verklaren.

Hoewel het vorengaande schreeuwt om een verklaring van verdachte, heeft verdachte zich steeds op zijn zwijgrecht beroepen en heeft hij geen verklaring willen geven voor de herkomst van deze gelden.

Nu verdachte blijkens de onder 4.4 genoemde redengevende feiten en omstandigheden tevens betrokken is geweest bij de beoogde invoer van ruim vijf kilogram cocaïne kan het naar het oordeel van de rechtbank niet anders zijn dan dat het aangetroffen geld en het geld dat door verdachte via moneytransfers is overgemaakt, uit misdrijf afkomstig is. Gezien de lange periode en de grote bedragen die het betreft,acht de rechtbank bewezen dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan gewoonte witwassen.

4.6 Bewezenverklaring

Gezien het bovenstaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, in dier voege dat:

feit 1 subsidiair:

hij op 1 mei 2010, te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, tezamen en in vereniging met een ander, om een feit, bedoeld in het vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet, te weten het opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland brengen van 5.620,8 gram van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst I, voor te bereiden en of te bevorderen,

inlichtingen tot het plegen van dat feit heeft verschaft en

daartoe voorwerpen voorhanden gehad waarvan hij wist of ernstige reden had om te vermoeden dat zij bestemd waren tot het plegen van dat feit,

immers heeft verdachte:

- telefonisch contact gehad met de koerier en

- de koerier de opdracht gegeven achter hem, verdachte, aan te lopen en

- is verdachte voor de koerier uit richting de gang naar het stiltecentrum gelopen (teneinde in het stiltecentrum de verdovende middelen over te nemen) en

- heeft verdachte de koerier de opdracht gegeven terug te gaan naar zijn plaats.

feit 2 primair:

hij op tijdstippen in de periode van 22 december 2006 tot en met 18 mei 2010, te Amsterdam Zuidoost, gemeente Amsterdam, althans in Nederland, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers heeft hij, verdachte,

- op 18 mei 2010 een geldbedrag van in totaal 41.950 euro, en

- in de periode van 22 december 2006 tot en met 8 maart 2010, meermalen geldbedragen (van in totaal 62.391,97 euro),

voorhanden gehad en overgedragen door voornoemde geldbedragen over te maken en/of te ontvangen via Money Transfers, terwijl hij telkens wist dat bovengenoemde geldbedrag(en)

- onmiddellijk of middellijk - afkomstig was/waren uit enig misdrijf.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

Hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

5. Strafbaarheid van de feiten

Het bewezenverklaarde is strafbaar en levert op:

feit 1 subsidiair:

'om een feit, bedoeld in het vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet voor te bereiden en of te bevorderen, een ander inlichtingen tot het plegen van dat feit trachten te verschaffen'

en

'om een feit, bedoeld in het vijfde lid van artikel 10 van de Opiumwet voor te bereiden of te bevorderen, voorwerpen voorhanden hebben, waarvan hij weet of ernstige reden heeft om te vermoeden dat zij bestemd zijn tot het plegen van dat feit'

feit 2 primair:

'van het plegen van witwassen een gewoonte maken'

6. Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dus strafbaar.

7. Motivering van de sancties

Bij de beslissing over de sancties die aan verdachte moeten worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede door de persoon van verdachte zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het navolgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft samen met tenminste één ander voorbereidende handelingen verricht met betrekking tot de smokkel van 5.620,8 gram cocaïne. Dit is een voor de gezondheid van personen schadelijke stof. De ingevoerde hoeveelheid was van dien aard, dat deze bestemd moet zijn geweest voor verdere verspreiding en handel. De verspreiding van en handel in cocaïne gaan gepaard met vele andere vormen van criminaliteit, waaronder de door gebruikers gepleegde strafbare feiten ter financiering van hun behoefte aan deze stof. De rechtbank neemt daarbij ten nadele van verdachte in aanmerking, dat verdachte feitelijk is opgetreden als afhaler van een koerier en aldus kennelijk een zodanige plaats in deze organisatie heeft, dat hij zelf niet het grootste risico heeft gelopen. Daarbij heeft verdachte bij het verrichten van de voorbereidende handelingen misbruik gemaakt van zijn functie als beveiliger op Schiphol en zijn Schiphol- pas waarbij hij zich na afloop van zijn dienst op het beveiligde gedeelte van Schiphol bleef ophouden. Verdachte heeft hiermee het vertrouwen dat in hem gesteld werd op zeer verwerpelijke wijze misbruikt.

De rechtbank houdt bij het bepalen van de op te leggen straf rekening met de door de LOVS opgestelde richtlijnen inzake overtreding van de Opiumwet. De rechtbank plaatst verdachte gelet op vorenstaande feiten en omstandigheden in de zogenoemde 'organisatie categorie'. Nu de rechtbank verdachte vrij zal spreken voor het medeplegen van de invoer van de cocaïne en verdachte zal veroordelen voor het treffen van voorbereidingshandelingen daartoe, ziet de rechtbank aanleiding bij het bepalen van de op te leggen straf te kijken naar de eerst lagere categorie dan die op grond van het ingevoerde gewicht aan cocaïne in beginsel van toepassing is.

Daarnaast heeft verdachte zich gedurende lange tijd schuldig gemaakt aan gewoonte witwassen. Door opbrengsten van misdrijven aan het zicht van justitie te onttrekken en daaraan een schijnbaar legale herkomst te verschaffen, wordt de integriteit van het financieel en economisch verkeer ernstig aangetast. Het reguliere handels- en betalingsverkeer wordt daardoor ondermijnd en de maatschappij wordt veel schade toegebracht.

De rechtbank is gelet op het vorengaande van oordeel dat de door de officier van justitie gevorderde gevangenisstraf van 51 maanden onvoldoende recht doet aan de ernst van de feiten, waarbij met name het misbruik van de positie als beveiliger en de lange duur van het witwassen in aanmerking is genomen. De rechtbank acht gelet hierop in beginsel een gevangenisstraf voor de duur van vier en een half(4,5) jaar passend en geboden. De rechtbank zal de hoogte van de straf echter met zes maanden verlagen teneinde het begane onherstelbare vormverzuim te compenseren.

7.1 Verbeurdverklaring

De rechtbank is van oordeel dat het onder verdachte inbeslaggenomen en niet teruggegeven geld, te weten:

(35) 39 biljetten van 500 euro;

(36) 9 biljetten van 200 euro;

(37) 30 biljetten van 100 euro;

(38) 94 biljetten van 50 euro;

(39) 3 biljetten van 50 euro;

(40) 3 biljetten van 100 euro;

(41) 18 biljetten van 100 euro;

(42) 14 biljetten van 50 euro en

(45) 20 biljetten van 500 euro,

dient te worden verbeurd verklaard. Uit het onderzoek op de terechtzitting is gebleken dat het onder feit 2 primair bewezenverklaarde feit met dat geld, dat aan verdachte toebehoort, is begaan.

8. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

33, 33a, 57, 420 bis, 420ter van het Wetboek van Strafrecht.

2, 10a van de Opiumwet.

9. Beslissing

De rechtbank:

Spreekt verdachte partieel vrij van het onder feit 1 primair ten laste gelegde feit.

Verklaart voor het overige bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 4.6 weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat de bewezenverklaarde feiten de hierboven onder 5. vermelde strafbare feiten opleveren.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte wegens dit feit tot een gevangenisstraf voor de duur van

VIER (4) JAAR.

Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de thans opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Verklaart verbeurd:

(35) 39 biljetten van 500 euro;

(36) 9 biljetten van 200 euro;

(37) 30 biljetten van 100 euro;

(38) 94 biljetten van 50 euro;

(39) 3 biljetten van 50 euro;

(40) 3 biljetten van 100 euro;

(41) 18 biljetten van 100 euro;

(42) 14 biljetten van 50 euro en

(45) 20 biljetten van 500 euro.

Gelast de teruggave aan rechthebbende Amsterdam Airport Schiphol (AAS) van:

(25) 1 STK Schipholpas.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. J.M. Sassenburg, voorzitter,

mr. P.M. Wamsteker en mr. J.N.A. Jolink, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. M.S. Kikkert,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 30 november 2010.

Mr. J.N.A. Jolink is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Voetnoten:

[1] De door de rechtbank in de voetnoten als proces-verbaal aangeduide bewijsmiddelen zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door personen die daartoe bevoegd zijn en voldoen ook overigens aan de daaraan bij wet gestelde eisen.

[2] Het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige A] bij de rechter-commissaris, d.d. 21 oktober 2010 en het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige B] bij de rechter-commissaris, d.d. 21 oktober 2010.

[3] Voornoemd proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige B] bij de rechter-commissaris.

[4] Het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige C] bij de rechter-commissaris, d.d. 20 augustus 2010.

[5] De machtiging tot vordering verstrekking gevoelige gegevens, d.d. 12 mei 2010, dossier D2, pagina 111.

[6] Het proces-verbaal, dossier E1, dossierpagina 150-midden/onder.

[7] Het proces-verbaal van onderzoek verdovende middelen, dossier E1, dossierpagina 173-midden en het deskundigenrapport van het Douane Laboratorium te Amsterdam, d.d. 6 mei 2010, laboratoriumnummer [nummer], los opgenomen in het dossier.

[8] Het proces-verbaal van verhoor van medeverdachte [medeverdachte], d.d. 3 mei 2010, dossier C1, dossierpagina 24-midden en 26-midden.

[9] Het proces-verbaal, dossier E2, dossierpagina 212-boven/midden.

[10] Het proces-verbaal van aanvulling tijdstip observatie, dossier E2, dossierpagina 217-midden.

[11] Het proces-verbaal van observatie en bevindingen, dossier E2, dossierpagina 215-boven/midden.

[12] Het proces-verbaal van verhoor van verdachte [medeverdachte], dossier C1, dossierpagina 34-midden.

[13] Het proces-verbaal van vaststelling identiteit vermoedelijke afhaler, dossier E2, dossierpagina 220-onder en 221-helemaal.

[14] Het proces-verbaal van analyse verkeersgegevens, dossier E1, dossierpagina 184-midden/onder.

[15] Het proces-verbaal telefoonnummer [telefoonnummer X], dossier E1, dossierpagina 275-midden/onder en het proces-verbaal van doorzoeking woning, dossier F2, dossierpagina 552-midden.

[16] Het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige C] bij de rechter-commissaris, d.d. 20 augustus 2010.

[17] Het proces-verbaal van analyse rooster en Schipholpasgegevens, dossier E2, dossierpagina 253-onder en 254-boven en het proces-verbaal, dossier E2, dossierpagina 225-onder.

[18] Het proces-verbaal, dossier E2, dossierpagina 552-onder en 553-boven/midden.

[19] Het proces-verbaal onderzoek moneytransfers, witwasdossier, dossierpagina 17-midden en het proces-verbaal verdachte transacties, witwasdossier, dossierpagina 1-14.

[20] Het proces-verbaal vergelijken moneytransfers met verdachte transacties, witwasdossier, dossierpagina 15.

[21] Het proces-verbaal bevindingen gevorderde gegevens Belastingkantoor [belastingkantoor], witwasdossier, dossierpagina 57A.

[22] Het proces-verbaal bevindingen gevorderde gegevens [naam beveiligingsbedrijf]., witwasdossier, dossierpagina 70.