Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2010:BP8064

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
14-04-2010
Datum publicatie
17-03-2011
Zaaknummer
zaak/rolnr.: 439220/ CV EXPL 09-10627 (1)
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Gedaagde voert als primair verweer dat hij met betrekking tot de schade met eiser een overeenkomst heeft gesloten ter finale kwijting. De kantonrechter laat gedaagde toe toe het bewijs van die stelling.

Overige verweren worden verworpen. De rechtsvordering tot vergoeding van de schade verjaart door verloop van vijf jaar nadat de benadeelde zowel met de schade als met de daarvoor aansprakelijke persoon is bekend geworden. (artikel 3:331 BW). Deze termijn is nog niet verstreken.

Nu niet is gesteld of gebleken dat de schade is veroorzaakt tijdens de uitoefening van werkzaamheden, faalt reeds hierom het verweer van gedaagde, dat hij op grond van artikel 7:661 BW niet aansprakelijk is voor de schade.

Vast staat dat gedaagde de auto heeft laten besturen door iemand die niet in het bezit was van een geldig rijbewijs. De kantonrechter is van oordeel dat dit roekeloos en nalatig is. Voor zover het gedaagde was toegestaan om iemand anders dan zichzelf de auto te laten besturen, had hij zich ervan moeten vergewissen dat deze persoon hiertoe bevoegd en in staat was.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector kanton

Locatie Haarlem

zaak/rolnr.: 439220/ CV EXPL 09-10627

datum uitspraak: 14 april 2010

VONNIS VAN DE KANTONRECHTER

inzake

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid PEAK IT B.V.

te Schiphol, gemeente [woonplaats]mermeer

eiseres

hierna te noemen Peak

gemachtigde mr. J.W. Hilhorst

tegen

[A.]

te [woonplaats]

gedaagde

hierna te noemen [A.]

gemachtigde mr. B.F. Eblé

De procedure

Peak heeft [A.] gedagvaard op 21 september 2009. [A.] heeft schriftelijk geantwoord.

Nadat de kantonrechter had beslist dat de zaak zich niet leent voor een comparitie van partijen na antwoord, heeft Peak schriftelijk op het antwoord gereageerd, waarna [A.] nog een schriftelijke reactie heeft gegeven. Na daartoe verkregen toestemming heeft Peak zich bij akte uitgelaten over de productie bij de laatste reactie van [A.] en de door [A.] voor het eerst bij dupliek gevoerde verweren.

De feiten

1. In het kader van een tussen partijen gesloten arbeidsovereenkomst heeft Peak aan [A.] een lease-auto, model [XXX.] met kenteken [YYY.] (hierna: de auto) ter beschikking gesteld. Partijen hebben daartoe op 11 oktober 2007 een Gebruiksovereenkomst Bedrijfswagen (hierna: gebruikersovereenkomst) ondertekend, waarin is opgenomen:

“(…) 6.3 Indien Schades het gevolg van roekeloosheid en/of nalatigheid zijn, komen de werkelijke kosten voor rekening van werknemer (…)”

2. Op 4 november 2007 rond 04:00 uur is schade ontstaan aan de auto als gevolg van een aanrijding. De politie heeft proces verbaal opgemaakt van het ongeval. Tijdens de aanrijding was [A.] inzittende van de auto. De bestuurder van de auto, [B.], was ten tijde van de aanrijding niet in het bezit van een geldig rijbewijs en onder invloed van alcohol.

3. Op het schadeformulier is achter de tekst ‘Gebruik tijdens het voorval:’ omcirkeld ‘overig particulier gebruik’.

4. Bij brief van 7 februari 2008 heeft VVS Verzekeringen aan Euromobil Nederland Auto Muntstad (als leasemaatschappij, hierna Muntstad) geschreven:

“(…) Zoals uit het politierapport blijkt, beschikte de bestuurder [B.] niet over een geldig rijbewijs ten tijde van de aanrijding. Tevens was de heer [B.] onder invloed van alcohol. Op grond van artikel 5 sub g van onze polisvoorwaarden is van de verzekering uitgesloten de schade die is veroorzaakt door een bestuurder die niet in het bezit was van een geldig rijbewijs ten tijde van de aanrijding. De schade aan uw [XXX.] is daarom niet gedekt. (…)”

5. Muntstad heeft op 19 december 2008 € 5.993,28, nog te vermeerderen met btw, in rekening gebracht aan Peak onder vermelding van ‘ongedekte schade 04-11-2007

[YYY.]’.

6. Op 11 maart 2009 heeft Peak een factuur gezonden aan [A.] voor een bedrag van

€ 7.132,00 onder vermelding van ‘Doorbelasting total-loss [XXX.] [YYY.] Wegens geen dekking door de verzekering.’ Op de factuur is een betalingstermijn van 14 dagen vermeld.

7. [A.] heeft deze factuur niet voldaan.

8. Bij brief van 8 april 2009 heeft Peak aan [A.] geschreven:

“(…) Er is blijkbaar bij jou de indruk ontstaan dat de voorlopige schadeafhandeling met een inhouding van € 250 zou zijn afgesloten. Wij kunnen echter geen (schriftelijke) toezegging van een daartoe bevoegde persoon vinden. (…) Na aftrek van de reeds ingehouden € 250 resteert er dus een bedrag van € 6.882. (…)”

9. Bij e-mailbericht van 27 april 2009 heeft [A.] aan Peak geschreven:

“(…) Hierop heeft mevrouw [P.] tegen mij verteld dat alles geregeld zou kunnen worden door alleen het eigen risico bedrag van 250,- euro te betalen. Hiermee ben ik akkoord gegaan en daarna is dit bedrag afgeschreven van mijn loon. (…)”

De vordering

Peak vordert (samengevat) veroordeling van [A.] tot betaling van € 8.007,85 (bestaande uit € 7.132,00 aan hoofdsom inclusief btw, € 175,85 aan rente en € 700,00 aan buitengerechtelijke incassokosten), vermeerderd met verdere rente en kosten. Peak legt aan de vordering ten grondslag dat de schade aan de auto op grond van artikel 6 van de tussen partijen gesloten gebruikersovereenkomst voor rekening van [A.] komt. Ondanks aanmaningen heeft [A.] niet betaald, zodat Peak tevens aanspraak maakt op buitengerechtelijke incassokosten en rente.

Het verweer

[A.] betwist de vordering. Hij voert primair aan dat Peak hem heeft voorgesteld om ter afwikkeling van de schade € 250,00 te betalen. [A.] heeft het voorstel aanvaard en er is

€ 250,00 ingehouden op zijn salaris. De regeling is overeengekomen zonder enig voorbehoud, zonder nadere voorwaarden en tegen finale kwijting over en weer. Subsidiair betwist [A.] de hoogte van de schade. Peak heeft de hoogte van de schade op geen enkele wijze onderbouwd. Bovendien is [A.] niet aansprakelijk voor de schade gezien het bepaalde in artikel 7:661 BW. [A.] betwist dat sprake is van opzet of bewuste roekeloosheid. Over de hoogte van het alcoholpromillage is niets bekend en in het proces-verbaal is vermeld dat de auto door onbekende oorzaak is gaan slippen. Aangezien de wettelijke rente niet is aangezegd, kan deze pas worden toegewezen vanaf datum dagvaarding. De buitengerechtelijke incassokosten dienen te worden afgewezen. Deze kosten zijn exorbitant hoog en Peak heeft niet onderbouwd dat de kosten zijn gemaakt en noodzakelijk waren.

De beoordeling van het geschil

1. [A.] voert als primair verweer dat hij met betrekking tot de schade met Peak een overeenkomst heeft gesloten ter finale kwijting. Ter onderbouwing voert [A.] aan dat Peak door de inhouding van een bedrag van € 250,00 op zijn salaris, gelijk aan het eigen risico, haar recht op verdere acties heeft prijsgegeven. Peak betwist dit. [A.] zal op grond van artikel 150 Rv worden toegelaten tot het bewijs van zijn stelling. In het geval [A.] slaagt in het aan hem opgedragen bewijs, zullen de vorderingen van Peak worden afgewezen. Voor het geval [A.] niet slaagt in het aan hem opgedragen bewijs bespreekt de kantonrechter reeds thans de overige door [A.] aangevoerde verweren.

2. Bij dupliek voert [A.] het verweer dat de vordering is verjaard. Dit verweer faalt. In artikel 3:310 BW is bepaald dat een rechtsvordering tot vergoeding van schade, zoals in deze zaak aan de orde is, verjaart door verloop van vijf jaar nadat de benadeelde zowel met de schade als met de daarvoor aansprakelijke persoon bekend is geworden. Uit de vaststaande feiten blijkt dat de aanrijding waardoor de schade is ontstaan heeft plaatsgevonden op 4 november 2007. Vast staat dat Peak haar vordering binnen vijf jaar na deze datum heeft ingesteld.

3. [A.] voert verder aan dat hij niet aansprakelijk is voor de schade aan de auto. Ter onderbouwing verwijst hij naar artikel 7:661 BW, de gebruikersovereenkomst en naar de omstandigheid dat [B.] als bestuurder aansprakelijk is voor de schade op grond van onrechtmatige daad.

4. Artikel 7:661 BW bepaalt dat de werknemer, die bij de uitvoering van de arbeidsovereenkomst schade toebrengt aan de werkgever, hiervoor niet tegenover de werkgever aansprakelijk is behoudens in geval van opzet of bewuste roekeloosheid. De vraag is derhalve of [A.] op het moment van de aanrijding bezig was met het uitvoeren van de arbeidsovereenkomst.

5. Vaststaat dat op het schadeformulier is vermeld dat de auto tijdens het voorval particulier werd gebruikt. Ook de omstandigheid dat de aanrijding plaatsvond om 4:00 uur ’s nachts duidt op particulier gebruik van de auto. [A.] heeft ook niet gesteld dat hij bezig was met de uitvoering van de arbeidsovereenkomst ten tijde van de aanrijding. Nu niet is gesteld of gebleken dat de schade is veroorzaakt tijdens de uitoefening van werkzaamheden, faalt reeds hierom het verweer van [A.] dat hij op grond van artikel 7:661 BW niet aansprakelijk is voor de schade.

6. Evenmin sluit de gebruikersovereenkomst aansprakelijkheid van [A.] als bijrijder uit. In de gebruikersovereenkomst is opgenomen dat schades die het gevolg zijn van roekeloosheid en/of nalatigheid volledig voor rekening van ‘de werknemer’ komen. Uit deze bewoordingen en de strekking ervan volgt dat deze aansprakelijkheid niet beperkt is tot het geval dat [A.] bestuurder van de auto is, maar ook ziet op het geval dat [A.] bijrijder is of de auto ter beschikking heeft gesteld aan een derde. Vast staat dat [A.] de auto heeft laten besturen door iemand die niet in het bezit was van een geldig rijbewijs. De kantonrechter is van oordeel dat dit roekeloos en nalatig is. Voor zover het [A.] was toegestaan om iemand anders dan zichzelf de auto te laten besturen, had [A.] zich ervan moeten vergewissen dat deze persoon hiertoe bevoegd en in staat was. Vast staat dat de verzekering de schade niet heeft vergoed, omdat deze is veroorzaakt door een bestuurder die niet in het bezit was van een geldig rijbewijs ten tijde van de aanrijding. Daarom doet niet ter zake dat volgens [A.] niets bekend is over het alcoholpromillage, de politie geen verband heeft gelegd tussen het ongeval en het alcoholgebruik van de bestuurder, in het proces-verbaal is opgenomen dat de auto door onbekende oorzaak is gaan slippen en [A.] niet wist dat [B.] had gedronken.

7. Uit het voorgaande volgt dat [A.] aansprakelijk is voor de schade. Daaraan doet niet af dat Peak [B.] als bestuurder van de auto kan aanspreken tot vergoeding van deze schade op grond van onrechtmatige daad.

8. [A.] betwist tot slot de hoogte van de schade. Het verweer van [A.] dat Peak de hoogte van de schade op geen enkele wijze heeft onderbouwd, faalt. Muntstad heeft op

19 december 2008 € 5.993,28 aan schade in rekening gebracht bij Peak, te vermeerderen met btw. Peak heeft vervolgens voormeld bedrag vermeerderd met btw aan [A.] in rekening gebracht, te weten € 7.132,00 inclusief btw. Peak heeft € 250,00 ingehouden op het loon van [A.], zodat dit bedrag in mindering strekt op de gevorderde schadevergoeding. Dit betekent dat de gevorderde hoofdsom, indien [A.] niet slaagt in zijn bewijsopdracht, zal worden toegewezen tot een bedrag van (€ 7.132,00 - € 250,00 = ) € 6.882,00.

9. Op de factuur van 11 maart 2009 is een betalingstermijn van 14 dagen vermeld, zodat de rente toewijsbaar is over € 6.882,00 vanaf de vervaltermijn van de factuur.

10. Peak heeft een bedrag aan buitengerechtelijke incassokosten gevorderd. [A.] heeft deze vordering (gemotiveerd) betwist. Niet is gesteld of gebleken dat de door Peak verrichte werkzaamheden meer hebben omvat dan de verzending van een enkele (eventueel herhaalde) aanmaning, het enkel doen van een schikkingsvoorstel, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen of het op gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier. De vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten zal daarom worden afgewezen.

De beslissing

De kantonrechter:

- laat [A.] toe te bewijzen dat hij met Peak is overeengekomen dat de schade tegen finale kwijting was afgewikkeld door inhouding van € 250,00 op zijn loon;

- bepaalt dat de bewijslevering zal plaatsvinden in het gerechtsgebouw aan de Jansstraat 81 te Haarlem op 17 mei 2010 te 13:30uur;

- bepaalt dat [A.] uiterlijk één week voor de datum van het getuigenverhoor aan de kantonrechter en de wederpartij de naam/namen van de getuigen dient op te geven;

- bepaalt dat een verzoek om uitstel van de terechtzitting alleen in behandeling wordt genomen, als verzoeker ook het standpunt van de wederpartij bekend maakt en de verhinderdata van partijen, hun eventuele gemachtigden en de getuigen opgeeft. Dit verzoek dient uiterlijk een week voor de vastgestelde zittingsdatum op de griffie te zijn ingediend;

- houdt iedere verdere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. W. Aardenburg en uitgesproken op de openbare terechtzitting van bovengenoemde datum.