Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2010:BP7926

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
30-11-2010
Datum publicatie
16-03-2011
Zaaknummer
15/169315-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Rijden onder invloed; Salduz; Onjuiste verwijzingen in proces-verbaal en in bijlage bloedonderzoek naar reeds in 1997 respectievelijk 2005 ingetrokken regelingen. De politierechter komt tot de conclusie dat alsnog is gehandeld overeenkomstig de vigerende Regeling bloed- en urineonderzoek; Door NFI geen consequenties verbonden aan ontbreken van sticker op formulieren; Gelet op het voorgaande is de politierechter van oordeel dat wel een onderzoek als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder b van de Wegenverkeerswet 1994 heeft plaatsgevonden. Voorts verbindt de politierechter geen consequenties aan evidente onjuistheden in proces-verbaal, nu deze niet strekken ten nadele van verdachte; Veroordeling tot werkstraf van 48 uren alsmede ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 21 maanden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector Strafrecht

Locatie Haarlem

Politierechter

Parketnummer: 15/169315-10

Uitspraakdatum: 30 november 2010

Tegenspraak

Schriftelijk vonnis (art. 379 Sv)

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 16 november 2010 in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

wonende te [adres].

1. Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

zij op of omstreeks 1 maart 2010 in de gemeente Zaanstad als bestuurder van een voertuig, (personenauto), dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van verdachtes bloed bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder b van de Wegenverkeerswet 1994, 2,70 milligram, in elk geval hoger dan 0,5 milligram, alcohol per milliliter bloed bleek te zijn.

2. Voorvragen

De politierechter heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat hijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit en gevorderd dat verdachte ter zake daarvan zal worden veroordeeld tot een werkstraf voor de duur van 48 uren subsidiair 24 dagen hechtenis en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 21 maanden.

4. Bewijs

4.1 Bewijsverweer

De verdediging heeft primair het standpunt ingenomen dat verdachte dient te worden vrijgesproken, nu geen onderzoek als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder b van de Wegenverkeerswet 1994 heeft plaatsgevonden. Ter adstructie van dit standpunt heeft de verdediging op het volgende gewezen:

- uit het memo gevoegd bij het deskundigenrapport van het Nederlands Forensisch Instituut (NFI) gedateerd 4 maart 2010 volgt, dat door het NFI als probleem is vastgesteld dat op het witte en rode formulier alleen de analyse of tegenonderzoek sticker is aangebracht terwijl beide stickers op beide formulieren geplakt moeten worden;

- het proces-verbaal misdrijf, gedateerd 27 april 2010, vermeldt dat met het bloedmonster overeenkomstig de Regeling bloed- en urineonderzoek van 4 juli 1997 (Stcrt. 1997/129) is gehandeld terwijl deze regeling inmiddels is ingetrokken;

- de bijlage bloedonderzoek vermeldt dat met het bloedmonster overeenkomstig de Regeling bloed- en urineonderzoek van 25 september 1987 (Stcrt. 1987/187) is gehandeld terwijl deze regeling inmiddels is ingetrokken;

- de bijlage bloedonderzoek is niet ondertekend en vermeldt ten onrechte dat de bloedafname binnen een uur na het eerste contact heeft plaatsgevonden;

- het proces-verbaal misdrijf, gedateerd 27 april 2010, vermeldt ten onrechte dat verdachte op 1 maart 2010 na haar aanhouding om 05.37 uur is overgebracht naar het politiebureau Guishof te Zaanstad, dat zij is voorgeleid aan een hulpofficier van justitie en dat zij om 07.39 uur is heengezonden, nu verdachte met de auto over de kop is geslagen en in shock is overgebracht naar het ziekenhuis.

Voorts heeft de verdediging aangevoerd dat de verklaring die verdachte tegenover de politie heeft afgelegd niet voor het bewijs gebruikt mag worden, nu verdachte niet is gewezen op haar recht een raadsman te raadplegen voorafgaand aan haar eerste verhoor terwijl verdachte die wens wel kenbaar heeft gemaakt. Gelet hierop kan niet worden bewezen dat verdachte heeft gereden.

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat genoemde bijlage bloedonderzoek buiten beschouwing gelaten kan worden en dat het proces-verbaal misdrijf gedateerd 27 april 2010 de regeling uit 1997 noemt, door drie verbalisanten is ondertekend en meegenomen kan worden voor het bewijs. Nergens staat dat de regeling uit 1997 niet meer gehanteerd kan worden. Laatstgenoemd proces-verbaal maakt tevens melding van het feit dat verdachte is overgebracht naar het Zaans Medisch Centrum en dat derhalve wel degelijk is gerelateerd wat er is gebeurd. Weliswaar is een en ander onhandig vastgelegd, maar niet zodanig dat genoemd proces-verbaal niet voor het bewijs gebruikt kan worden.

Nu verdachte voorafgaand aan haar eerste verhoor niet gewezen is op haar consultatierecht dient dit verhoor niet te worden gebruikt voor het bewijs hetgeen ook niet nodig is nu verdachte naast de auto is aangetroffen. De verklaring van verdachte over de vijf blikken bier kan naar de mening van de officier van justitie wel meegenomen worden voor het bewijs.

De politierechter is van oordeel dat verdachte na haar aanhouding en vóór aanvang van het eerste verhoor door de politie Zaanstreek-Waterland had moeten worden gewezen op haar recht op raadpleging van een advocaat. Nu dit niet is gebeurd en zij ook niet kan worden geacht daarvan afstand te hebben gedaan, kan haar op 1 maart 2010 tegenover de politie Zaanstreek-Waterland afgelegde verklaring niet worden gebruikt voor het bewijs. Verwezen zij naar het arrest van het EHRM inzake Salduz tegen Turkije, gedateerd 27 november 2008 (1466/07) en voorts naar hetgeen door de Hoge Raad bij arrest van 30 juni 2009 (LJN: BH3079) dienaangaande is geoordeeld.

De politierechter volgt de raadsman echter niet in zijn standpunt dat het proces-verbaal misdrijf gedateerd 27 april 2010 niet voor het bewijs gebruikt kan worden, nu er geen onderzoek als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder b van de Wegenverkeerswet 1994 zou hebben plaatsgevonden en overweegt daartoe het volgende.

Op de onderhavige zaak is van toepassing de Regeling bloed- en urineonderzoek van

5 september 2005 (Stcrt. 2005/188), laatstelijk gewijzigd bij Regeling van 4 augustus 2008 (Stcrt. 2008/152). Laatstgenoemde wijziging betreft, onder handhaving van de regeling uit 2005, slechts een redactionele aanpassing van artikel 1 en artikel 9 van die regeling.

De verwijzingen in het proces-verbaal misdrijf gedateerd 27 april 2010 en de ongedateerde bijlage bloedonderzoek naar respectievelijk de Regeling bloed- en urineonderzoek van 4 juli 1997 (Stcrt. 1997/127) en de Regeling bloed- en urineonderzoek van 25 september 1987 (Stcrt. 1987/187) zijn derhalve onjuist, nu deze regelingen in 1997 respectievelijk 2005 zijn ingetrokken.

De politierechter ziet zich bij deze stand van zaken geplaatst voor de vraag of door de politie Zaanstreek-Waterland niet alsnog voor wat betreft het waarmerken, verpakken en verzenden van de monsters naar het NFI alsmede het voorzien van het bloedafnameformulier van een genummerde en op naam gestelde identiteitszegel is gehandeld overeenkomstig de op

1 maart 2010 vigerende Regeling bloed- en urineonderzoek.

De politierechter stelt vast dat uit de Regeling bloed- en urineonderzoek van 25 september 1987 (artikel 7) volgt, dat de bloedmonsters worden voorzien van een nummer en een op naam gesteld identiteitszegel en dat op het aanvraagformulier voor een onderzoek naar het alcoholgehalte van het bloed van verdachte en op het tegen verdachte opgemaakt proces-verbaal een identiteitszegel wordt aangebracht.

De politierechter stelt voorts vast dat de Regeling bloed- en urineonderzoek van 4 juli 1997 (artikel 5 en 7) genoemde bepalingen uit de regeling van 1987 herhaalt en voorts bepaalt, dat de monsterbuisjes in een verpakking voorzien van een sluitzegel bij het NFI worden bezorgd.

De politierechter stelt tot slot vast dat gelijkluidende bepalingen zijn opgenomen in de Regeling bloed- en urineonderzoek van 5 september 2005 (artikel 6 en 7) en dat de Regeling van 4 augustus 2008 daarin geen verandering heeft aangebracht.

Gelet op deze vaststellingen komt de politierechter tot de conclusie dat de politie Zaanstreek-Waterland, voor zover in zake het bloedonderzoek gehandeld overeenkomstig de regeling uit 1987 dan wel de regeling uit 1997, heeft gehandeld overeenkomstig de op 1 maart 2010 vigerende Regeling bloed- en urineonderzoek.

Uit het door het NFI teruggezonden deel van het aanvraagformulier volgt verder dat de bloedmonsters op 3 maart 2010 verzegeld door het NFI zijn ontvangen. Uit het memo bijgevoegd bij het deskundigenrapport van het NFI, gedateerd 4 maart 2010, volgt dat door het NFI slechts één probleem is vastgesteld inhoudende dat op het witte en rode formulier alleen de analyse of tegenonderzoek sticker is aangebracht en dat beide stickers op beide formulieren geplakt moeten worden. Het NFI geeft als oplossing aan, dat het NFI een nieuw formulier ontwikkelt met een herkenbare ruimte waar beide stickers geplakt kunnen worden. Indachtig de bepaling in eerdergenoemde regelingen uit 1987 (artikel 7), 1997 (artikel 12) en 2005 (artikel 10), dat het aanvraagformulier door het Gerechtelijk Laboratorium respectievelijk het NFI is vastgesteld, begrijpt de politierechter de door het NFI genoemde oplossing, als dat het huidige formulier daar blijkbaar onvoldoende duidelijk in is. Het NFI verbindt aan dit probleem ook verder geen consequenties en maakt voor het overige geen melding van problemen.

Gelet op het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat er derhalve wel een onderzoek als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder b van de Wegenverkeerswet 1994 heeft plaatsgevonden en dat het proces-verbaal misdrijf, gedateerd 27 april 2010, dan ook voor het bewijs kan worden gebruikt.

De politierechter is met de raadsman van oordeel dat de bloedafname niet heeft plaatsgevonden binnen het uur na het eerste contact. Nu dit niet ten nadele van verdachte strekt, verbindt de politierechter daar geen consequenties aan.

De politierechter is tot slot met de raadsman van oordeel dat het proces-verbaal misdrijf, gedateerd 27 april 2010 ten onrechte vermeldt dat verdachte op 1 maart 2010 na haar aanhouding om 05.37 uur is overgebracht naar het politiebureau Guishof te Zaanstad, in verzekering is gesteld en om 07.39 uur is heengezonden. Blijkens genoemd proces-verbaal en het handgeschreven concept van verhoor van verdachte is verdachte overgebracht naar het Zaans Medisch Centrum en om 07.05 uur aldaar gehoord. Hoewel hier evident sprake is van onjuistheden, strekken deze evenmin ten nadele van verdachte en verbindt de politierechter ook hier geen consequenties aan.

4.2. Redengevende feiten en omstandigheden

Op 1 maart 2010 om 05.15 is bij de politie Zaanstreek-Waterland de melding binnen gekomen dat op de Provincialenweg N246 binnen de gemeente Zaanstad een verkeersongeval heeft plaatsgevonden. Ter plaatse stellen verbalisanten vast dat verdachte als bestuurster van een personenauto bij dat ongeval betrokken is. Om 05.36 uur is van verdachte gevorderd mee te werken aan een voorlopig onderzoek van de uitgeademde lucht hetgeen een F-indicatie heeft opgeleverd. Verdachte is daarop aangehouden en aan haar is het bevel gegeven haar medewerking te verlenen aan een ademanalyse. Verdachte heeft daar geen gevolg aan kunnen geven, omdat ze voor medisch onderzoek naar het Zaans Medisch Centrum is meegenomen en heeft zich bij deze weigering beroepen op bijzondere geneeskundige redenen, welk beroep door de betrokken arts gegrond is geacht. Om 07.30 uur heeft genoemde arts bij verdachte bloed afgenomen. Het bloedmonster is gewaarmerkt en verpakt en het bloedafnameformulier is voorzien van een nummer en op naam gesteld identiteitszegel met het Sporen Identificatie Nummer (SIN) [nummer] en verzonden naar het NFI.[1]

Het NFI heeft vastgesteld dat het alcoholgehalte in het bloedmonster voorzien van SIN [nummer] 2,70 milligram ethanol per milliliter bloed bedroeg.[2]

Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat het klopt dat zij zich op 1 maart 2010 wel had gerealiseerd dat ze in een proeftijd liep maar dat die proeftijd haar niet heeft weerhouden en dat ze zonder na te denken in de auto is gestapt om kwart over 5 in de ochtend.[3]

4.3 Bewezenverklaring

Gezien het bovenstaande acht de politierechter wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, in dier voege dat:

zij op 1 maart 2010 in de gemeente Zaanstad als bestuurder van een voertuig, personenauto, dit voertuig heeft bestuurd, na zodanig gebruik van alcoholhoudende drank, dat het alcoholgehalte van verdachtes bloed bij een onderzoek, als bedoeld in artikel 8, tweede lid, aanhef en onder b van de Wegenverkeerswet 1994, 2,70 milligram alcohol per milliliter bloed bleek te zijn.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, leest de politierechter de tenlastelegging verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in haar verdediging.

Hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. Verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

5. Strafbaarheid van het feit

Het bewezenverklaarde is strafbaar en levert op:

overtreding van artikel 8 van de Wegenverkeerswet 1994

6. Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dus strafbaar.

7. Motivering van de sancties

Bij de beslissing over de sancties die aan verdachte moeten worden opgelegd, heeft de politierechter zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van verdachte zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

In het bijzonder heeft de politierechter het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het besturen van een auto op de openbare weg, terwijl zij onder invloed van alcoholhoudende drank verkeerde. Daarbij heeft zij een ongeluk veroorzaakt. De personenauto is namelijk in de berm terecht gekomen en uiteindelijk op zijn dak tot stilstand gekomen. De omstandigheid dat het daarbij niet tot een botsing met andere weggebruikers is gekomen, is een gelukkige, die geenszins aan verdachte is te danken.

De officier van justitie heeft gevorderd dat aan verdachte wordt opgelegd een taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van 48 uren, bij het niet of niet naar behoren verrichten te vervangen door 24 dagen hechtenis. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd dat aan verdachte een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 21 maanden wordt opgelegd.

De raadsman heeft subsidiair en onder verwijzing naar de LOVS-oriëntatiepunten oplegging van een werkstraf van 36 uren en een ontzegging van de rijbevoegdheid voor de duur van 15 maanden bepleit.

De politierechter houdt ten nadele van verdachte rekening met het feit dat zij recent voor een zelfde feit is veroordeeld en dat zij ten tijde van het onderhavige feit nog in een proeftijd liep van een voorwaardelijk opgelegde ontzegging van de rijbevoegdheid. Tevens houdt de politierechter rekening met het feit dat verdachte een ongeluk heeft veroorzaakt.

De politierechter acht, alles afwegende, oplegging van na te melden straffen passend en geboden.

8. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

Wegenverkeerswet 1994: 8, 176 en 179

Wetboek van Strafrecht: 9, 22c, 22d.

9. Beslissing

De politierechter:

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan zoals genoemd onder 4.3.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezenverklaarde feit het hierboven onder 5. vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot het verrichten van 48 (achtenveertig) uren taakstraf in de vorm van een werkstraf, bij het niet of niet naar behoren verrichten te vervangen door

24 (vierentwintig) dagen hechtenis.

Ontzegt verdachte de bevoegdheid motorrijtuigen te besturen voor de duur van

21 (eenentwintig) maanden.

Samenstelling en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door:

mr. drs. J.W.H.G. Loyson, politierechter,

in tegenwoordigheid van de griffier F. Zierikzee,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 30 november 2010.

De griffier is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

Voetnoten:

[1] Het in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal misdrijf d.d. 27 april 2010, blad 1 (midden), blad 1a (boven en midden), blad 2 (boven en midden).

[2] Een deskundigenverslag, te weten een rapport van het NFI van 4 maart 2010.

[3] Proces-verbaal van de terechtzitting van 16 november 2010.