Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2010:BP0277

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
20-10-2010
Datum publicatie
10-01-2011
Zaaknummer
167426 - HA ZA 10-363
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verdelingsperikelen, waaronder gebruiksvergoeding voormalige echtelijke woning.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK HAARLEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 167426 / HA ZA 10-363

Vonnis van 20 oktober 2010

in de zaak van

[NAAM EISER],

wonende te [woonplaats],

eiser in conventie,

verweerder in reconventie,

advocaat mr. F.D. van Damme te Beverwijk,

tegen

[ NAAM GEDAAGDE],

wonende te [woonplaats],

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

advocaat mr. E.A. Boitelle te IJmuiden.

Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 21 juli 2010

- de akte houdende vermeerdering van eis van [eiser] van 4 augustus 2010

- de akte uitlating vermeerdering eis tevens houdende akte vermeerdering eis in reconventie van [gedaagde] van 4 augustus 2010

- de antwoordakte van [eiser] van 18 augustus 2010.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De verdere beoordeling

in conventie en in reconventie

2.1. [gedaagde] stelt zich in haar akte uitlating vermeerdering van eis primair op het standpunt dat [eiser] ten onrechte door de rechtbank in de gelegenheid is gesteld zijn eis in conventie te vermeerderen zonder dat hij daar zelf om heeft verzocht. De rechtbank dient te beslissen op de vordering zoals deze is ingesteld, aldus [gedaagde]. Subsidiair stelt [gedaagde] door de vermeerdering van de eis in conventie in haar belangen te zijn geschaad, omdat deze vermeerdering in strijd is met de vereisten van een goede procesorde waaronder het recht op hoor en wederhoor, in verband waarmee zij daartegen bezwaar maakt.

2.2. De rechtbank verwerpt het primaire standpunt van [gedaagde], omdat het berust op een onjuiste lezing van het tussenvonnis van 21 juli 2010. Beide partijen zijn bij voornoemd vonnis in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over een kwestie die op de comparitie ten onrechte niet door de rechtbank aan de orde is gesteld. Van een uitnodiging aan [eiser] tot het vermeerderen van zijn eis in conventie is derhalve geen sprake.

2.3. Het bezwaar van [gedaagde] tegen de vermeerdering van de eis in conventie is ongegrond. Vooropgesteld moet worden dat [eiser] zich bij de vermeerdering van eis heeft beperkt tot het in het petitum opnemen van de vorderingen zoals weergegeven in de punten 22. en 23. van het licham van de dagvaarding, en dat [gedaagde] reeds in haar conclusie van antwoord op deze vorderingen inhoudelijk heeft gereageerd. Nu [gedaagde] in de gelegenheid is gesteld om bij akte te reageren, zij van die mogelijkheid ook gebruik heeft gemaakt, en zij kennelijk geen aanleiding heeft gezien te reageren op de antwoordakte van [eiser] van 18 augustus 2010, is er van schending van het beginsel van hoor en wederhoor geen sprake. Op welke wijze het toelaten van de vermeerdering van eis overigens leidt tot schending van de eisen van een goede procesorde heeft [gedaagde] niet onderbouwd, zodat de rechtbank ook op die grond aan het subsidiaire standpunt van [gedaagde] voorbijgaat.

2.4. [eiser] vordert, na vermeerdering van eis in conventie

“het uw Rechtbank moge behagen bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

a. De datum van 1 juni 2008 als peildatum voor vaststelling van de omvang van de

gemeenschappelijke goederen te bepalen.

b. Primair de datum van 1 juni 2008 en subsidiair de datum van de feitelijke verdeling te bepalen als peildatum voor de vaststelling van de waarde van de in sub a van dit petitum genoemde goederen.

c. De vrouw te veroordelen om na de verkoop van de woning gelegen aan het adres [adres] haar volledige medewerking aan de goederenrechtelijke levering daarvan aan de nieuwe eigenaar/eigenaren te verlenen en daartoe op de door de nieuwe eigenaar/eigenaren van de woning aan te wijzen notaris te bepalen dag en tijdstip voor ondertekening van de notariele akte van overdracht te verschijnen.

d. Te bepalen dat de uit de verkoop van de in sub b van dit petitum genoemde woning te realiseren overwaarde gelijkelijk (50% - 50%) tussen partijen wordt verdeeld.

e. De vrouw te veroordelen om haar medewerking te verlenen aan de betaling door de notaris, ten overstaan van wie de goederenrechtelijke levering van de woning aan de nieuwe

eigenaar/eigenaren plaats zal vinden, van het aan de man toekomende aandeel in de overwaarde van de woning en daartoe binnen 7 dagen na de datum van die goederenrechtelijke levering de notaris daartoe opdracht te hebben verstrekt.

f. Te bepalen dat ieder der partijen voor de helft draagplichtig zal zijn ter zake van een (eventuele) hypothecaire restschuld ingeval de uit de verkoop van de in sub b van dit petitum genoemde woning te realiseren opbrengst ontoereikend zal zijn om de volledige hypothecaire schuld geheel af te lossen.

g. De vrouw te veroordelen om haar aandeel in de in sub f van dit petitum bedoelde restschuld binnen 7 dagen na de datum van de goederenrechteljke levering van de woning aan de nieuwe eigenaar/eigenaren te hebben voldaan aan de hypotheekverstrekker, onder gelijktijdige toezending aan de man van een deugdelijk en inzichtelijk betaalbewijs.

h. Te bepalen dat de Fortis ASR Levensverzekering met polisnummer [polisnummer 1] zal worden afgekocht en dat de afkoopwaarde zoals die luidt op de datum waarop die polis door partijen is beëindigd, gelijkelijk (50% - 50%) tussen partijen wordt verdeeld.

i. De vrouw te veroordelen om haar volledige medewerking te verlenen aan de afkoop van de in sub h van dit petitum genoemde verzekering door ondertekening en retourzending aan de man van de daartoe vereiste formulieren en/of andere schriftelijke bescheiden en wel binnen 24 uur na een daartoe strekkend verzoek van de man gericht aan de vrouw.

j. De vrouw te veroordelen tot betaling aan de man van € 1.750,- te vermeerderen met de wettelijke rente, gerekend vanaf de respectieve vervaldata van de premietermijnen tot aan de dag der algehele voldoening, ter zake van haar aandeel in de premies van Fortis ASR Levensverzekering met polisnummer [polisnummer 1] over de periode van 1 juni 2008 tot en met 31 januari 2010.

k. De vrouw te veroordelen tot betaling aan de man van € 87,50 per maand ter zake van haar aandeel in de premies van Fortis ASR Levensverzekering met polisnummer polisnummer 1], met ingang van 1 februari 2010 tot aan de dag dat de verzekering zal zijn beëindigd.

1. De vrouw te veroordelen tot betaling aan de man van € 295,21 ter zake van haar aandeel in de aanslag gemeentelijke belastingen 2009 te vermeerderen met de wettelijke rente gerekend vanaf de datum der betekening van de dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening.

m. De vrouw te veroordelen tot betaling aan de man van haar aandeel (50%) pro memorie in de aanslag gemeentelijke belastingen 2010 te vermeerderen met de wettelijke rente, gerekend vanaf de datum der dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening;

n. De vrouw te veroordelen tot betaling aan de man van € 52,22 te vermeerderen met de wettelijke rente, gerekend vanaf de respectieve vervaldata tot aan de dag der algehele voldoening ter zake van haar aandeel in de premies woonhuisverzekering bij N.V. Noordhollandsche van 1816 met polisnummer [polisnummer 2] over de periode 1 juni 2008 tot en met 31 december 2008.

o. De vrouw te veroordelen tot betaling aan de man van € 89,52 te vermeerderen met de wettelijke rente, gerekend vanaf de respectieve vervaldata tot aan de dag der algehele voldoening ter zake van haar aandeel in de premies woonhuisverzekering bij N.V. Noordhollandsche van 1816 met polisnummer [polisnummer 2] over de periode 1 januari 2009 tot en met 31 januari 2009.

p. De vrouw te veroordelen tot betaling aan de man van haar aandeel (50 %) pro memorie te vermeerderen met de wettelijke rente, gerekend vanaf de respectieve vervaldata tot aan de dag der algehele voldoening ter zake van haar aandeel in de premies woonhuisverzekering bij N.V. Noordhollandsche van 1816 met polisnummer [polisnummer 2] over de periode 1 januari 2010 tot en met 31 januari 2010.

q. Aan de vorderingen in sub c, sub e, sub g en sub i, van dit petitum ieder afzonderlijk een dwangsom te verbinden van € 500,- voor iedere dag of dagdeel dat de vrouw, na betekening van het te dezen te wijzen vonnis in gebreke is aan een daartoe veroordelend vonnis te voldoen

r. De vrouw te veroordelen in de kosten van deze procedure, het griffierecht en het salaris van de raadsman van de man daaronder begrepen.

s. De vrouw te veroordelen tot betaling aan de man van € 10.045,58 ter zake van haar aandeel in de hypotheeklasten over de periode van 1 juni 2008 tot en met 31 januari 2010, te vermeerderen met de wettelijke rente gerekend vanaf de respectieve vervaldata van de hypotheektermijnen over de maanden juni 2008 t/m januari 2010, tot aan de dag der algehele voldoening.

t. De vrouw te veroordelen tot betaling aan de man van € 502,29 per maand ter zake van haar aandeel in de hypotheeklasten en met ingang van 1 februari 2010 tot aan de dag dat de hypotheekschuld volledig zal zijn afgelost.”

2.5. [eiser] heeft geen bezwaar tegen de vermeerdering van eis in reconventie. [gedaagde] vordert, na vermeerdering van eis in reconventie:

“Dat het Uw rechtbank moge behagen, bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, gedaagde in reconventie te veroordelen om binnen zeven dagen na betekening van het in deze te wijzen vonnis aan eiser in reconventie te betalen:

- een bedrag van € 646,52 per maand met ingang van juni 2008 tot en met de datum van verkoop en levering van de woning aan derden, als gebruiksvergoeding;

- de helft van de belastingteruggaaf 2008 ad € 2.229,--;

- de helft van de belastingteruggaaf 2009 ad € 2.237,--;

- de helft van de belastingteruggaaf 2010 tot de dag van het in deze te wijzen vonnis alsmede, voor de periode na dagtekening van het in deze te wijzen vonnis, maandelijks de helft van de teruggaaf aan haar uit betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

- alles vermeerderd met de wettelijke rente gerekend vanaf de dag der

dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening;

- met veroordeling van gedaagde in reconventie in de kosten van deze

procedure.”

2.6. De rechtbank oordeelt als volgt.

De vorderingen in conventie sub a. tot en met i. en q.

2.7 De vordering in conventie sub a is kennelijk gebaseerd op de onjuiste veronderstelling dat in het kader van de verdeling van gemeenschappelijke goederen die niet tot een wettelijke gemeenschap van goederen als bedoeld in Boek 1, Titel 7 Burgerlijk Wetboek behoren, een datum van omvang van de gemeenschap dient te worden bepaald. Nu gesteld noch gebleken is dat partijen anders zijn overeengekomen, dient de waarde van de woning en de levensverzekering bij Fortis ASR te worden bepaald naar de datum van de feitelijke verdeling van de goederen. De vorderingen sub a en sub b primair zullen daarom worden afgewezen.

2.8 Aangezien de levensverzekering bij Fortis ASR is aangegaan ten behoeve van de financiering van de aankoop van de woning en - zoals in het maatschappelijk verkeer gebruikelijk en naar tussen partijen niet in geschil is - de opbrengst van de woning, de opbrengst van de levensverzekering en het saldo van de hypothecaire schuld bij verkoop van de woning verrekend dienen te worden - waarbij een eventuele overwaarde bij helfte door partijen zal worden gedeeld, en waarbij partijen ter zake van de aflossing van de hypothecaire schuld hoofdelijk aansprakelijk zijn - heeft [eiser] geen belang bij zijn vorderingen sub b subsidiair, d, f, g en h. Het ter zake door [gedaagde] gevoerde verweer slaagt derhalve.

2.9 Nu [eiser] tegenover de gemotiveerde betwisting door [gedaagde] onvoldoende heeft onderbouwd dat [gedaagde] geen medewerking aan de verkoop van de woning en de de financiële afwikkeling zal verlenen, zullen de vorderingen sub c, e en i. worden afgewezen.

2.10 Het vorenoverwogene leidt eveneens tot afwijzing van de vordering sub q.

De vorderingen in conventie sub j. en sub k.

2.11 De vorderingen sub j. en sub k. zullen worden toegewezen als gevorderd, nu [gedaagde] deze ter comparitie heeft erkend. Naar partijen ter zitting zijn overeengekomen, zal een en ander verrekend worden bij de verkoop van de woning van partijen.

De vorderingen in conventie sub l. tot en met p., s. en t. en de eis in (voorwaardelijke) reconventie

2.12 [eiser] vordert in conventie betaling van een bijdrage in - samengevat - de woonlasten over de periode vanaf 1 juni 2008. [gedaagde] verweert zich met een beroep op een overeenkomst, op grond waarvan [eiser] de woonlasten na het vertrek van [gedaagde] alleen zou dragen en in verband waarmee zij geen gebruiksvergoeding heeft bedongen. Voorts stelt [gedaagde] dat [eiser] de woning nog altijd bewoont en dat het niet redelijk is dat zij zou moeten bijdragen in de woonlasten over de periode dat [eiser] de woning - zonder gebruiksvergoeding verschuldigd te zijn - alleen heeft bewoond, terwijl zij over die periode haar eigen woonlasten heeft moeten dragen.

2.13 [eiser] stelt bij conclusie van antwoord in reconventie dat hij de woning met ingang van 1 oktober 2009 heeft verlaten en verwijst ter onderbouwing naar een tweetal verklaringen van respectievelijk [naam partner eiser], zijn huidige partner, en [naam zuster], zijn zuster. Het ter comparitie door [gedaagde] gevoerde verweer dat uit de tot de stukken van het geding behorende correspondentie moet worden afgeleid dat [eiser] nog steeds in de woning woont, is niet tardief. Het verweer wordt echter wel verworpen, omdat [gedaagde] niet heeft betwist dat [eiser] het adres van de woning na 1 oktober 2009 slechts als correspondentieadres is blijven gebruiken.

2.14 Tussen partijen is niet in geschil dat zij bij het uit elkaar gaan hebben afgesproken dat [eiser] de woning alleen zou blijven bewonen. Tussen partijen is voorts niet in geschil dat [eiser] de volledige hypotheeklasten van de woning tot 1 oktober 2009, de gecombineerde aanslag gemeentelijke belastingen 2009 en de premies voor de opstalverzekering heeft betaald. Niet gebleken is dat [eiser] [gedaagde] vóór 1 oktober 2009 heeft aangesproken tot een bijdrage in de met de woning verbonden lasten (behalve in de premies lijfrente waarover gelet op hetgeen in 2.11 is overwogen geen geschil meer is). Uit de als productie 18 door [eiser] overgelegde e-mailwisseling kan dit naar het oordeel van de rechtbank niet worden afgeleid. Voorts is niet gebleken dat [gedaagde] [eiser] op enig moment voordat de onderhavige procedure aanhangig is gemaakt heeft aangesproken tot betaling van een gebruiksvergoeding. In het voorjaar van 2009 heeft [eiser] [gedaagde] per e-mail bericht dat hij geen gebruik meer wilde maken van de woning en deze te koop wilde zetten (zie r.o. 2.4 van het tussenvonnis). Niet gebleken is dat [gedaagde] zich tegen het voornemen van [eiser] om de woning te verlaten en deze te koop te zetten heeft verzet. De rechtbank leidt hieruit af dat de (stilzwijgende) afspraak van partijen inhoudt dat [eiser] de woonlasten gedurende de tijd dat hij als enige de beschikking over de woning had - te weten: tot 1 oktober 2009 - alleen zou dragen en dat partijen hebben afgezien van een gebruiksvergoeding. Nu partijen overigens geen afspraken hebben gemaakt, neemt de rechtbank voor de periode na 1 oktober 2009 het regime van art.3:172 BW tot uitgangspunt.

2.15 Dat betekent dat [gedaagde] naar evenredigheid dient bij te dragen in de woonlasten die in redelijkheid behoren te worden toegerekend aan de periode vanaf 1 oktober 2009. De rechtbank rekent tot deze woonlasten:

1. de helft van de netto hypotheeklasten vanaf voornoemde datum. [eiser] heeft niet betwist recht te hebben op aftrek van betaalde hypotheekrente, zodat deze lasten derhalve slechts tot het nettobedrag op hem drukken. Het ter zake door [gedaagde] gevoerde verweer slaagt dus. Tussen partijen is niet in geschil dat de bruto maandlast in 2009 en in 2010 EUR 1.004,58 bedraagt. Voorts is tussen partijen niet in geschil dat de belastingteruggave van [eiser] in verband met de genoten hypotheekrenteaftrek over het jaar 2009 EUR 4.474,00 bedraagt. Hieruit leidt de rechtbank af dat de netto maandlast in 2009 (1.004,58 - (4.474,00 /12 = 372,83)) = EUR 631,75 bedraagt. [gedaagde] dient in verband met de betaalde hypotheekrente over het jaar 2009 derhalve (1/2 x 3 x 631,75) = EUR 947,63 aan [eiser] te voldoen. Bij gebreke van de noodzakelijke fiscale gegevens zal [gedaagde] worden veroordeeld tot betaling van de helft van de netto hypotheeklasten over de periode die loopt van januari 2010 tot aan de dag dat de hypotheekschuld volledig zal zijn afgelost;

2. de helft van 3/12 deel van de gecombineerde aanslag gemeentelijke belastingen 2009 (3/24 x 590,66 = 73,83);

3. de helft van de gecombineerde aanslag gemeentelijke belastingen 2010;

4. de helft van de premies voor de opstalverzekering vanaf 1 oktober 2009 (te weten EUR 14,92 per maand voor het jaar 2009 ) tot en met januari 2010.

2.16 Het vorenoverwogene leidt ertoe dat de vorderingen in conventie sub sub l., m, o., p., s. en t. zullen worden toegewezen als na te melden, en dat het gevorderde sub n. zal worden afgewezen. Met betrekking tot de gevorderde wettelijke rente overweegt de rechtbank als volgt.

2.17 De in verband met de premies Fortis ASR Levensverzekering gevorderde wettelijke rente zal worden toegewezen over het toegewezen bedrag, aangezien [gedaagde] daartegen geen verweer heeft gevoerd. Het verweer van [gedaagde] dat zij met betrekking tot de gevorderde bijdrage in de aanslagen gemeentelijke belastingen niet in verzuim is, slaagt. [gedaagde] is daarom over het bedrag van deze bijdragen geen wettelijke rente verschuldigd. De gevorderde wettelijke rente zal met betrekking tot de gecombineerde aanslag 2009 worden toegewezen vanaf de datum der betekening van de dagvaarding. De wettelijke rente zal overigens worden toegewezen als gevorderd, nu [gedaagde] daartegen geen verweer heeft gevoerd.

2.18 Het vorenoverwogene leidt er tevens toe dat de voorwaarde voor het instellen van de eis in reconventie is vervuld. De gevorderde gebruiksvergoeding zal worden afgewezen. [gedaagde] heeft gelet op de beslissing in conventie met betrekking tot de hypotheeklasten geen belang bij haar overige vorderingen in reconventie, zodat deze eveneens zullen worden afgewezen.

2.19 Gelet op het feit dat partijen een affectieve relatie hebben gehad, zullen de proceskosten in conventie en in reconventie tussen hen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

3. De beslissing

De rechtbank

in conventie

3.1. veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan [eiser] van EUR 1.750,00 ter zake van haar aandeel in de premies van Fortis ASR Levensverzekering met polisnummer [polisnummer 1] over de periode van 1 juni 2008 tot en met 31 januari 2010, te vermeerderen met de wettelijke rente, gerekend vanaf de respectieve vervaldata van de premietermijnen tot aan de dag der algehele voldoening,

3.2. veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan [eiser] van EUR 87,50 per maand ter zake van haar aandeel in de premies van Fortis ASR Levensverzekering met polisnummer [polisnummer 1], met ingang van 1 februari 2010 tot aan de dag dat de verzekering zal zijn beëindigd,

3.3. veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan [eiser] van EUR 73,83 ter zake van haar aandeel in de aanslag gemeentelijke belastingen 2009 te vermeerderen met de wettelijke rente gerekend vanaf de datum der betekening van de dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening,

3.4. veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan [eiser] van de helft van de gecombineerde aanslag gemeentelijke belastingen 2010,

3.5. veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan [eiser] van EUR 22,38 ter zake van haar aandeel in de premies woonhuisverzekering bij N.V. Noordhollandsche van 1816 met polisnummer [polisnummer 2] over de periode oktober - december 2009, te vermeerderen met de wettelijke rente gerekend vanaf de respectieve vervaldata tot aan de dag der algehele voldoening,

3.6. veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan [eiser] van de helft van de premie ter zake van haar aandeel in de premies woonhuisverzekering bij N.V. Noordhollandsche van 1816 met polisnummer [polisnummer 2] over de periode januari 2010 te vermeerderen met de wettelijke rente gerekend vanaf de respectieve vervaldata tot aan de dag der algehele voldoening,

3.7. veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan [eiser] van € 947,63 ter zake van haar aandeel in de netto hypotheeklasten over de periode van 1 oktober 2009 tot en met 31 december 2009, te vermeerderen met de wettelijke rente gerekend vanaf de respectieve vervaldata van de hypotheektermijnen over de maanden oktober 2009 t/m december 2009, tot aan de dag der algehele voldoening,

3.8. veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan [eiser] van de helft van de netto hypotheeklasten, als omschreven in 2.15, ter zake van haar aandeel in de hypotheeklasten over de periode van 1 januari 2010 tot aan de dag dat de hypotheekschuld volledig zal zijn afgelost,

3.9. verklaart dit vonnis in conventie tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

3.10. compenseert de kosten van deze procedure in conventie tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

3.11. wijst het meer of anders gevorderde af,

in reconventie

3.12. wijst de vorderingen af,

3.13. compenseert de kosten van deze procedure in reconventie tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.E. van Praag en in het openbaar uitgesproken op 20 oktober 2010.?