Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2010:BO9653

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
17-11-2010
Datum publicatie
03-01-2011
Zaaknummer
117187 / HA ZA 05-1318
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Pauliana artikel 3:45 BW. Bewijswaardering. Het rechterlijk vermoeden dat de bestuurder behoorde te weten van de benadeling die het aangaan van de overeenkomst met zich meebracht kan niet ontzenuwd worden met de ingebrachte schriftelijke verklaring van de bestuurder. Daaromtrent merkt de bestuurder namelijk niets op in zijn schriftelijke verklaring. Zo kan uit de verklaring van de bestuurder niet worden opgemaakt dat voor hem als bestuurder geen aanleiding bestond om navraag te doen dan wel onderzoek te verrichten naar de achtergrond van de transactie en kan daaruit evenmin worden opgemaakt of de bestuurder daartoe is overgegaan. Met de verklaring van de bestuurder zou derhalve hoogstens het rechterlijk vermoeden dat hij van de benadeling wist kunnen worden ontzenuwd, niet het vermoeden dat hij behoorde te weten van de benadeling die het aangaan van de overeenkomst met zich meebracht. Reeds hierom staat vast dat in het onderhavige geval is voldaan aan de zogenaamde 'wetenschapseis' die geldt voor een geslaagd beroep op de Pauliana.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK HAARLEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 117187 / HA ZA 05-1318

Vonnis van 17 november 2010

in de zaak van

de rechtspersoon

ONTVANGER VAN DE BELASTINGDIENST/HOLLAND-NOORD,

gevestigd te Zaandam, gemeente Zaanstad,

eiseres,

advocaat mr. J.A. Voerman te Amsterdam,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

WAAGPLEIN BEHEER B.V.,

gevestigd te Purmerend,

2. de rechtspersoon

CHATEAU CASTELBON SARL,

gevestigd te Betchat, Frankrijk,

gedaagden,

advocaat mr. D.H.S. Hulsewé te Amsterdam.

Partijen zullen hierna de Ontvanger, Waagplein en Castelbon genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 15 april 2009

- de bij brief van 28 december 2009 zijdens Waagplein en Castelbon als productie 16 toegezonden verklaring van [A] van 5 maart 2009, met vertaling in het Nederlands

- het proces-verbaal van getuigenverhoor van 13 januari 2010

- het proces-verbaal van niet gehouden voortzetting van getuigenverhoor pro forma van 4 februari 2010

- de conclusie na enquête van Waagplein en Castelbon

- de antwoordconclusie na enquête van de Ontvanger met producties 16 t/m 20

- de pleitnotities van de raadslieden van partijen van 6 oktober 2010

- de akte overlegging productie zijdens Waagplein en Castelbon met aangehecht als (andermaal) productie 16, een verklaring van [B] van 17 september 2010, met vertaling in het Nederlands

- het proces-verbaal van de pleidooizitting van 6 oktober 2010 met aangehecht de brieven van de raadslieden van partijen van 21 en 22 oktober 2010.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De verdere beoordeling

2.1. Bij voormeld tussenvonnis van 15 april 2009 (hierna: het tussenvonnis) is overwogen dat de betrokkenheid van [B] (hierna aangeduid als: [B]) als bestuurder/aandeelhouder en [C] (hierna aangeduid als: [C]) als meerderheidsaandeelhoudster van Castelbon in de gegeven omstandigheden het rechterlijk vermoeden rechtvaardigt dat [B] en/of [C] in 2002 hebben geweten of behoorden te weten van de benadeling, die het aangaan van de Overeenkomst (als bedoeld in 2.5 van het tussenvonnis) voor de Ontvanger zou betekenen. Daarbij is overwogen dat het voor de hand ligt dat zij, gelet op hun betrokkenheid bij Castelbon en het aanzienlijke financiële belang dat met de Overeenkomst is gemoeid, bij het aangaan van de Overeenkomst daarover vragen aan [D] (hierna aangeduid als: [D]) hebben gesteld indien en voor zover [D] de achtergrond van de Overeenkomst niet reeds uit eigen beweging bij oprichting van Castelbon, op 18 november 2002, of kort nadien aan hen uit de doeken heeft gedaan.

2.2. Vooreerst tekent de rechtbank aan dat in het tussenvonnis reeds bij eindbeslissing (in 4.6) is geoordeeld dat het ervoor moet worden gehouden dat Waagplein vóór het aangaan van de Overeenkomst bekend was met de aanzienlijke vorderingen die de Ontvanger in 2002 op haar had. Hetgeen Waagplein en Castelbon daaromtrent bij pleidooi nader hebben aangevoerd vormt voor de rechtbank geen aanleiding op die beslissing terug te komen.

2.3. Thans is louter nog aan de orde de vraag of Waagplein en Castelbon erin zijn geslaagd om het hun opgedragen tegenbewijs te leveren ter weerlegging van het rechterlijk vermoeden dat [B] en/of [C] hebben geweten dan wel behoorden te weten van de benadeling die het aangaan van de Overeenkomst voor de Ontvanger zou betekenen, zoals in het tussenvonnis in 4.7 en 5.1 aangeduid.

2.4. Waagplein en Castelbon hebben in het kader van de hun opgedragen bewijslevering twee getuigen voorgebracht, te weten [D] en [C]. Voorts hebben zij een schriftelijke verklaring van 17 september 2010 van [B] in het geding gebracht. De Ontvanger heeft vervolgens geen gebruik gemaakt van de mogelijkheid van een contra-enquête. Beide partijen hebben nadien wel van de mogelijkheid gebruik gemaakt om een conclusie na enquête respectievelijk een antwoordconclusie na enquête te nemen.

2.5. Bij de bewijswaardering staat voorop dat de beperking van de bewijskracht van een partijgetuigenverklaring uitsluitend geldt ten aanzien van door die partij te bewijzen feiten, zoals feiten waarvan de rechtsgevolgen worden ingeroepen door de partij die ingevolge de hoofdregel van artikel 150 Rv de bewijslast van die feiten draagt.

Bij tegenbewijs is van dergelijke feiten geen sprake, zodat de verklaring van partijgetuige [D] ten volle wordt meegewogen in de bewijswaardering.

2.6. Voorts stelt de rechtbank vast dat de echtheid van de door Waagplein en Castelbon overgelegde schriftelijke verklaring van [B] tussen partijen niet in geschil is, nu de Ontvanger de echtheid van de verklaring bij pleidooi niet uitdrukkelijk heeft betwist.

Ten aanzien van die verklaring merkt de rechtbank voorts op dat deze bewijs door geschrift oplevert en niet kan worden opgevat als bewijs door getuigen, aangezien de wet onder getuigen slechts diegenen verstaat die als zodanig ten overstaan van de rechter in het geding onder ede een mondelinge verklaring afleggen. Behoudens enkele afzonderlijk geregelde gevallen (bijvoorbeeld de bewijskracht van akten), kent de wet geen bijzondere regels met betrekking tot de bewijskracht van geschriften, zodat de bewijswaardering daarvan – volgens de hoofdregel van artikel 152 lid 2 Rv – is overgelaten aan het oordeel van de rechter.

2.7. De rechtbank zal eerst de schriftelijke verklaring van [B] beoordelen, daar [B] vanwege zijn functie als enig bestuurder van Castelbon in de bewuste periode, te weten de periode van 18 november 2002 tot 1 januari 2004, naar het oordeel van de rechtbank bij uitstek degene is die het hiervoor onder 2.1 (nog eens) genoemde rechterlijk vermoeden zou kunnen ontzenuwen. In de Nederlandse vertaling van de schriftelijke verklaring van [B] van 17 september 2010 staat onder meer het volgende vermeld:

Bij deze, bevestig ik dat ik in de periode van 18 november 2002 tot 1 januari 2004, bestuurder was van de betreffende vennootschap.

In zijn uitspraak van 15 april 2009, heeft de rechter het vermoeden uitgesproken op dat ik op de hoogte was, of behoorde te zijn, dat de transactie van 30 december 2002 een benadeling van de Ontvanger in Nederland zou betekenen.

Als gevolg hiervan, kan ik u bevestigen, dat de heer [D] mij nooit op de hoogte heeft gebracht, noch heeft medegedeeld, van hetgeen hij met de transactie beoogde.

Derhalve verklaar ik, vandaag, dat ik niet op de hoogte was van de situatie, noch op de hoogte was van enige benadeling van de Nederlandse Ontvanger.

2.8. Nog daargelaten de vraag welke waarde aan de schriftelijke verklaring van [B] dient te worden toegekend, is de rechtbank van oordeel dat Waagplein en Castelbon met deze verklaring niet hebben kunnen ontzenuwen het rechterlijk vermoeden dat [B] als bestuurder van Castelbon behoorde te weten van de benadeling. Daaromtrent merkt hij immers in zijn verklaring niets op. Met de verklaring van [B] zou hoogstens het rechterlijk vermoeden dat hij van de benadeling wist kunnen worden ontzenuwd, niet het vermoeden dat hij behoorde te weten van de benadeling die het aangaan van de Overeenkomst voor de Ontvanger meebracht.

Zo kan uit de verklaring van [B] niet worden opgemaakt dat voor hem als bestuurder geen aanleiding bestond om navraag te doen dan wel onderzoek te verrichten naar de achtergrond van de transactie en kan daaruit evenmin worden opgemaakt of hij, [B], daartoe is overgegaan.

2.9. Uit de door [D] en [C] afgelegde getuigenverklaringen welke er in de kern op neerkomen dat zij niet op de hoogte waren van de benadeling – wat daar ook van zij – kan het tegenbewijs evenmin worden geput. Hun verklaringen laten namelijk onverlet het bij het tussenvonnis aangenomen vermoeden dat [B] in zijn hoedanigheid van bestuurder behoorde te weten van de benadeling, die het aangaan van de Overeenkomst voor de Ontvanger betekende.

2.10. In dit kader is tevens van belang dat Waagplein en Castelbon niet andermaal bewijs hebben aangeboden. Zo hebben zij bij gelegenheid van de pleidooien op

6 oktober 2010 niet kenbaar gemaakt dat zij [B] – die eerder volgens hen onvindbaar was – alsnog wilden voorbrengen als getuige.

2.11. Het voorgaande betekent dat Waagplein en Castelbon niet zijn geslaagd in de hun opgedragen tegenbewijslevering. Hierdoor staat thans vast dat in het onderhavige geval is voldaan aan de zogenoemde ‘wetenschapseis’ die geldt voor een geslaagd beroep op de Pauliana. Onbesproken kan dus verder blijven of het rechterlijk vermoeden wel is ontzenuwd voor zover dat inhoudt dat [B] wist van de benadeling en/of [C] daarvan wist dan wel behoorde te weten.

2.12. Gelet op hetgeen (voorts) is overwogen in het tussenvonnis kan thans tevens worden vastgesteld dat is voldaan aan alle voorwaarden die gelden voor een geslaagd beroep op de Pauliana (van artikel 3:45 BW), zoals de Ontvanger dat heeft gedaan.

2.13. De slotsom is dat het subsidiair onder i gevorderde (als aangehaald in het tussenvonnis onder 3.1.), te weten de vordering tot vernietiging van de overeenkomst tot overdracht van de Vordering (als bedoeld in 2.3. van het tussenvonnis), voor toewijzing in aanmerking komt. Immers, ingevolge het bepaalde in artikel 3:45 BW is de onverplicht verrichte rechtshandeling, in dit geval de overeenkomst tot overdracht van de Vordering, vernietigbaar en is het debat tussen partijen over de vernietigbaarheid niet tevens over de Overdracht van goederen gegaan (onderdeel I van de cessieovereenkomst van 30 december 2002).

2.14. Ook het gevorderde onder ii komt voor toewijzing in aanmerking, doch in die zin dat Waagplein als gevolg van de vernietiging ten aanzien van de Ontvanger de gerechtigde is tot de Vordering. Artikel 3:45 BW, en dan in het bijzonder lid 4, bepaalt namelijk dat een schuldeiser die wegens benadeling tegen een rechtshandeling opkomt deze slechts te zijnen behoeve en niet verder dan nodig is ter opheffing van de door hem ondervonden benadeling vernietigt.

2.15. Het gevorderde onder iii komt daarentegen niet voor toewijzing in aanmerking. De Ontvanger heeft bij toewijzing van dit onderdeel geen belang daar het gevorderde reeds uit de wet voortvloeit. De rechtbank verwijst hiertoe naar het bepaalde in artikel 737 Rv juncto artikel 704 lid 1 Rv.

2.16. Waagplein en Castelbon zullen als de in het ongelijk gestelde partijen hoofdelijk worden veroordeeld in de kosten van het geding. De kosten aan de zijde van de Ontvanger worden begroot op:

- dagvaarding EUR 85,60

- vast recht 149,00

- salaris advocaat 2.260,00 (5 punten x tarief EUR 452,00)

Totaal EUR 2.494,60

2.17. De vordering tot betaling van de beslagkosten zal als onvoldoende onderbouwd worden afgewezen, omdat de Ontvanger heeft verzuimd alle beslagstukken in het geding te brengen. Zo ontbreekt de beschikking van de voorzieningenrechter, het exploot van betekening van het beslag aan Waagplein en Castelbon en de overbetekening van de dagvaarding aan degene onder wie het derdenbeslag is gelegd.

3. De beslissing

De rechtbank

3.1. vernietigt de overeenkomst tot overdracht van de Vordering,

3.2. verklaart voor recht dat als gevolg van de vernietiging van vorengenoemde overeenkomst Waagplein - afgezien van het door de Ontvanger gelegde beslag - ten aanzien van de Ontvanger de gerechtigde is tot de Vordering,

3.3. veroordeelt Waagplein en Castelbon hoofdelijk in de proceskosten, aan de zijde van de Ontvanger tot op heden begroot op EUR 2.494,60,

3.4. verklaart vorenstaande kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,

3.5. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. D.P. Ruitinga, mr. A.J. Wolfs en mr. W.S.J. Thijs en in het openbaar uitgesproken op 17 november 2010.?