Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2010:BO9651

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
05-11-2010
Datum publicatie
03-01-2011
Zaaknummer
173754 - KG ZA 10-481
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

BURENGESCHIL

Partijen, buren, zijn "allergisch" voor elkaar geworden. Voor die kwaal kan de civiele rechter geen oplossing bieden. Mediation mogelijk wel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK [PLAATS]

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 173754 / KG ZA 10-481

Vonnis in kort geding van 5 november 2010

in de zaak van

[A],

wonende te [plaats],

eiser,

advocaat mr. M.J. van der Veen te [plaats],

tegen

[B],

wonende te [plaats],

verweerder,

vrijwillig verschenen,

advocaat mr. P.J. van der Vlerk te Amsterdam.

Partijen zullen hierna [A] en [B] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding

- de brief van [B] met producties A tot en met F

- de mondelinge behandeling

- de pleitnota van [A]

- de pleitnota van [B].

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. [A] en [B] zijn al ruim tien jaar elkaars directe buren. [A] is eigenaar van de woning gelegen aan de [adres A] te [plaats]. [B] is eigenaar van de woning gelegen aan de [adres B]. De woningen zijn tegen elkaar aangebouwd, het betreffen zogenaamde tussenwoningen.

2.2. In mei 2007 heeft zich tussen partijen een incident voorgedaan waarbij [B] bij het schilderen van het boeiboord van de woningen verf heeft gemorst op eigendommen van [A]. Vanaf dat moment is de verhouding tussen partijen ernstig verstoord geraakt.

2.3. Op 27 oktober 2010 is er door Leonardus Bruggraeve en Franciscus Severinius Langedijk, beiden brigadier bij het Basisteam [plaats] Noord, Regiopolitie [regio], een proces-verbaal opgemaakt met onder meer de volgende inhoud:

Bevindingen

Wij verbalisanten, zijn werkzaam als wijkagenten in [plaats] Noord

regio [regio]. Ik verbalisant Burggraeve, ben wijkagent in het

[wijk 1], [wijk 2], [wijk 3] en de [wijk 4]. Ik

verbalisant Langedijk was de wijkagent van de [wijk 4] tot 01 juni

2010.

Als Wijkagenten zijn wij bezig geweest met de burenruzie die gaande is

in de [straat] te [plaats]. Hier woont op perceel [Y] de familie

[B] en op perceel [X] woont de familie [A].

In de afgelopen drie jaar zijn er meerdere aangiften gedaan door de

heer [A]. Wij, verbalisanten, zullen deze hieronder zeer kort

beschrijven. Alleen de feiten zullen benoemd worden.

De heer [A] heeft op 28 mei 2007 een aangifte gedaan terzake

vernieling personenauto. Op het voertuig was een kras aangebracht.

Deze aangifte werd onderzocht op aanknopingspunten voor een vervolg

onderzoek. De uitkomsten waren onvoldoende en derhalve heeft de

politie geen nader onderzoek ingesteld naar het door de heer [A]

aangegeven strafbare feit.

(Proces—verbaal nummer: 07—066881)

De heer [A] heeft op 04 augustus 2007 een aangifte gedaan terzake

vernieling personenauto. Een (1) van de banden van het voertuig was lek

gestoken. Deze aangifte werd onderzocht op aanknopingspunten voor een

vervolgonderzoek. De uitkomsten waren onvoldoende en derhalve heeft de

politie geen nader onderzoek ingesteld naar het door de heer [A]

aangegeven strafbare feit.

(Proces—verbaal nummer: 07-098532)

De beer [A] heeft op 27 december 2007 een aangifte gedaan terzake

diefstal van vijf stuks kerstverlichting. Deze aangifte werd

onderzocht op aanknopingspunten voor een vervolgonderzoek. De

uitkomsten waren onvoldoende en derhalve heeft de politie geen nader

onderzoek ingesteld naar het door de heer [A] aangegeven strafbare

feit.

(Proces—verbaal nummer: 07—160595)

De heer [A] heeft op 24 september 2010 een aangifte gedaan terzake

vernieling personenauto. Op het voertuig was een kras aangebracht.

Deze aangifte werd onderzocht op aanknopingspunten voor een vervolg

onderzoek. De uitkomsten waren onvoldoende en derhalve heeft de

politie geen nader onderzoek ingesteld naar het door de beer [A]

aangegeven strafbare feit.

(Proces—verbaal nummer: 2010105015)

In de afgelopen jaren zijn er door meerdere politieambtenaren,

verschillende keren bemiddelingen voorgesteld. Hier werd iedere keer

door de heer [A] negatief op gereageerd. De heer [A] gaf iedere

keer aan dat hij niet wenste te praten met zijn buurman en dat alles

1n handen zou liggen van DAS rechtsbijstand.

De familie [B] reageerde positief op de voorgestelde bemiddeling.

2.4. [B] heeft steeds ontkend iets te maken te hebben met de door [A] in genoemde aangiften gestelde strafbare feiten. Enige strafvervolging van [B] ter zake van die feiten heeft niet plaatsgevonden.

3. Het geschil

3.1. [A] vordert:

Het U Edelachtbare Voorzieningenrechter behage bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad,

I.:

Gedaagde te verbieden, binnen twee dagen na betekening van het in deze te wijzen vonnis,

a. het perceel aan de [adres A] te [plaats] van eiser te betreden,

b. in de tuin e/o de woning van eiser te kijken door zijn hoofd boven de schutting te brengen,

c. anders dan door tussenkomst van zijn raadsman ongevraagd het woord tot eiser te richten,

d. bij eiser aan de deur aan te bellen,

e. eiser op te bellen;

f. eiser te mishandelen;

g. de auto van eiser te beschadigen;

h. eiser te bedreigen;

II.

Te bepalen dat gedaagde bij iedere overtreding van dit verbod een dwangsom verbeurt van € 1.000,- een en ander met een maximum van € 50.000,=

III.

Gedaagde te veroordelen in de kosten van het geding.

3.2. [B] voert verweer.

3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. Vooropgesteld dient te worden dat voor de toewijsbaarheid van in rechte gevorderde verboden van toekomstig handelen - en de vorderingen van [A] zien daarop - is vereist dat een concreet belang bij het gevraagde verbod bestaat, in de zin dat voor de eiser een reële dreiging van onrechtmatig handelen bestaat. Of een zodanige reële dreiging bestaat, hangt af van de feiten van het geval. Feiten die en dergelijke dreiging reëel doen zijn, laten zich doorgaans vinden in eerder door de gedaagde gepleegd onrechtmatig handelen.

4.2. De voorzieningenrechter is van oordeel dat in het onderhavige geval op geen enkele wijze aannemelijk is geworden dat sprake is van een reële dreiging van toekomstig onrechtmatig handelen van [B]. Hiervoor acht de rechtbank redengevend dat door [A] in het geheel geen objectief bewijs is aangedragen waaruit blijkt dat er tot op heden sprake is geweest van onrechtmatige handelingen aan de zijde van [B]. Daarbij komt dat [B] gemotiveerd heeft betwist dat hij dergelijke handelingen heeft verricht. De slotsom dient dan ook te zijn dat de vorderingen van [A] dienen te worden afgewezen.

4.3. De voorzieningenrechter overweegt ten overvloede nog het navolgende.

Ter zitting hebben de advocaten van partijen beiden woorden in de mond genomen die erop neer komen dat partijen “allergisch” voor elkaar zijn geworden. Voor die kwaal kan de civiele rechter geen oplossing bieden. Daarvoor zijn - zoals ook al op de zitting aan de orde is gekomen - mediation dan wel bemiddeling zoals voorgesteld door de politie bij uitstek de aangewezen middelen. Mediation en bemiddeling bieden in situaties als de onderhavige de mogelijkheid onderliggende belangen die moeilijk of niet juridisch vertaalbaar zijn, met partijen te onderzoeken en (dus) ook om tot een voor beide partijen bevredigende oplossing te komen.

4.4. [A] zal als de in het ongelijk te stellen partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [B] worden begroot op:

- griffierecht € 255,00

- salaris advocaat 816,00

Totaal € 1.071,00

5. De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1. wijst de vorderingen af,

5.2. veroordeelt [A] in de proceskosten, aan de zijde van [B] tot op heden begroot op € 1.071,00.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.J. van der Meer en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier op 5 november 2010.?