Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2010:BO9363

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
04-11-2010
Datum publicatie
30-12-2010
Zaaknummer
zaak/rolnr.: 469777 / CV EXPL 10-7479
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Kennelijk onredelijk ontslag. Toekenning van een schadevergoeding van € 35.000,--. Tengevolge van een structurele omzetdaling is de werkgever genoodzaakt geworden te reorganiseren. De werkgever heeft er voor gekozen alle functies te laten vervallen en nieuwe functies te creëren die niet vergelijkbaar of gelijkwaardig zijn aan de oude functies. De werknemers konden naar nieuwe functies solliciteren. De kantonrechter oordeelt dat de selectieprocedure onvoldoende zorgvuldig is geweest. Tevens is de kantonrechter van oordeel dat sprake is van zodanige bijzondere omstandigheden dat de nadelige gevolgen van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst tenminste gedeeltelijk voor rekening van de werkgever dienen te komen. De werknemer heeft recht op een vergoeding.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2010-1035
RAR 2011/35
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector kanton

Locatie Haarlem

zaak/rolnr.: 469777 / CV EXPL 10-7479

datum uitspraak: 4 november 2010

VONNIS VAN DE KANTONRECHTER

inzake

[A.]

te [woonplaats]

eiseres

hierna te noemen [A.]

gemachtigde mr. J.C. Noordenbos

tegen

STICHTING CENTRAAL ADMINISTRATIE BUREAU

te Zaandam

gedaagde

hierna te noemen SAB

gemachtigde mr. H.H. Kelderhuis / mr. A. de Koning

De procedure

[A.] heeft SAB gedagvaard op 26 mei 2010. SAB heeft schriftelijk geantwoord.

De kantonrechter heeft bij tussenvonnis van 12 augustus 2010 een comparitie van partijen gelast, die heeft plaatsgevonden op 6 september 2010 en waarbij de griffier aantekeningen heeft gemaakt van wat partijen verder naar voren hebben gebracht.

De feiten

a. [A.], [leeftijd], heeft sinds 21 maart 1984 als vaste medewerker bij SAB gewerkt, laatstelijk in de functie van financieel administratief medewerkster.

b. Bij brief van 2 juli 2009 heeft SAB aan het UWV werkbedrijf verzocht om een vergunning voor het ontslag van onder meer [A.] in verband met een structurele omzetdaling en een in verband daarmee doorgevoerde reorganisatie waarbij de functie van [A.] is komen te vervallen.

c. [A.] heeft verweer gevoerd, onder meer stellende dat haar functie niet was vervallen.

d. UWV werkbedrijf heeft de verzochte vergunning op 4 september 2009 verleend, waarna de arbeidsovereenkomst met [A.] bij brief van 24 september 2009 is opgezegd tegen 31 december 2009.

De vordering

[A.] vordert (samengevat) veroordeling van SAB tot betaling van € 64.000,- te vermeerderen met de wettelijke rente daarover. [A.] legt aan de vordering ten grondslag dat het haar gegeven ontslag kennelijk onredelijk is, primair wegens een valse of voorgewende reden en subsidiair omdat de gevolgen van het ontslag voor haar te ernstig zijn in vergelijking met het belang van SAB bij de opzegging (gevolgencriterium).

De valse of voorgewende reden bestaat er uit dat er, anders dan SAB stelt, bij de reorganisatie die heeft geleid tot het ontslag van onder meer [A.], geen nieuwe functies zijn gecreëerd en juist de functie van [A.] is blijven bestaan. Voorts geldt dat indien al sprake was van uitwisselbaarheid van functies, niet is voldaan aan het afspiegelingsbeginsel. Voor zover wel sprake was van een nieuwe functie, is de selectieprocedure onzorgvuldig geweest.

Ten aanzien van het gevolgencriterium wijst [A.] op haar slechte positie op de arbeidsmarkt (gelet op haar leeftijd, langdurige dienstverband en de economische crisis), de slechte begeleiding die zij in verband met het ontslag van SAB heeft gekregen en het feit dat zij geen ontslagvergoeding heeft gekregen.

Het verweer

SAB betwist de vordering. Zij voert aan dat er geen sprake is geweest van een valse of voorgewende reden: SAB was door een structurele omzetdaling gedwongen om te reorganiseren en heeft er voor gekozen alle functies te laten vervallen en nieuwe functies te creëren die niet vergelijkbaar of gelijkwaardig zijn aan de oude functies. [A.] bleek, na een zorgvuldige selectieprocedure, niet geschikt voor één van de nieuwe functies en is om die reden, met toestemming van UWV werkbedrijf, ontslagen. Het afspiegelingsbeginsel was niet aan de orde.

Voor wat betreft het gevolgencriterium voert SAB aan dat de positie van [A.] op de arbeidsmarkt niet speciaal slechter is dan die van anderen, dat niet gebleken is dat zij zelf al pogingen heeft gedaan om ander werk te vinden, terwijl SAB haar enige tijd heeft vrijgesteld van het werk, haar een andere baan heeft aangeboden die [A.] heeft afgewezen en haar ook bemiddeling via het transfercentrum heeft aangeboden. Ten slotte voert zij aan dat haar financiële middelen beperkt waren en zijn.

De beoordeling van het geschil

1. Bij de beoordeling van de vraag of het aan [A.] verleende ontslag kennelijk onredelijk in de zin van artikel 7:681 BW is, dient de kantonrechter alle aangevoerde en juist bevonden argumenten tezamen en in onderling verband beschouwd in aanmerking te nemen. Daarbij mag de kantonrechter gewicht toekennen aan de vraag of partijen zich jegens elkaar als goed werkgever en werknemer hebben gedragen.

2. [A.] heeft haar vordering primair gegrond op de valse of voorgewende reden. Die grond kan echter niet leiden tot toewijzing van de vordering. Daarvoor is het volgende redengevend. Uit hetgeen partijen over en weer hebben aangevoerd en overgelegd, kan worden opgemaakt dat [A.] zich in elk geval sinds 1 april 2008 in hoofdzaak bezig hield met het voeren van de financiële administratie, en daardoor deel uitmaakte van de back office. Voor zover zij al commerciële activiteiten (als intercedent) verrichtte, vormden deze activiteiten sinds april 2008 niet de kern van haar taken maar deed zij deze taken er (op incidentele basis) bij. Bij de nieuwe functie van commercieel consulent / intercedent ligt de nadruk bij commercieel intercedentenwerk terwijl de financiële administratie is uitbesteed aan derden.

Dit past ook bij de gewijzigde koers die SAB wil gaan varen. Bij de nieuwe functie van commercieel consulent / intercedent passen ook andere competenties dan de bij de functie van financieel medewerkster behorende competenties. Gelet daarop moet ervan uit worden gegaan dat de functie van [A.] is komen te vervallen evenals de functies van de andere medewerkers van SAB, welke functies ook niet meer aansloten op de door SAB ingezette koerswijziging. Het afspiegelingsbeginsel is dan ook niet aan de orde. Voor wat betreft de selectieprocedure geldt dat de gevoerde procedure inzichtelijk is gemaakt en met betrokkenen is gecommuniceerd. Voorts zijn de sollicitatiegesprekken gevoerd door twee afgevaardigden van het bestuur van SAB. Weliswaar was de inzet van verdergaande selectiemiddelen mogelijk geweest, maar het enkele ontbreken daarvan maakt nog niet dat sprake is van een valse of voorgewende reden.

3. Voor wat betreft de subsidiaire grondslag, het gevolgencriterium, oordeelt de kantonrechter als volgt. Bij de beoordeling van de vraag of de gevolgen van de opzegging voor [A.] te ernstig zijn in vergelijking met het belang van SAB bij de opzegging, dient de kantonrechter alle omstandigheden van het geval ten tijde van het ontslag in onderlinge samenhang in aanmerking te nemen (o.a. HR 15 februari 2008, NJ 2008, 111). Daarbij kunnen een rol spelen: omstandigheden die verband houden met het dienstverband en de opzegging, de (on)mogelijkheden voor ander passend werk, de financiële gevolgen van de opzegging en de getroffen voorzieningen. De enkele omstandigheid dat de werknemer zonder toekenning van een vergoeding is ontslagen, levert in het algemeen geen grond op voor een vordering ter zake van kennelijk onredelijk ontslag. In een dergelijk geval moet voor het aannemen van kennelijke onredelijkheid sprake zijn van bijzondere omstandigheden die meebrengen dat de nadelige gevolgen van de beëindiging geheel of ten deel voor rekening van de werkgever dienen te komen.

4. Voor wat betreft de omstandigheden die verband houden met het dienstverband en de opzegging, kan het volgende worden vastgesteld. [A.] is ruim 26 jaar bij SAB in dienst geweest en gesteld noch gebleken is dat zij niet naar behoren zou hebben gefunctioneerd. De redenen voor de beëindiging van het dienstverband liggen veeleer in de risicosfeer van SAB dan in die van [A.]. Voor wat betreft de selectie van de “nieuwe” medewerkers geldt dat de procedure niet erg uitvoerig is geweest: uitsluitend op basis van het curriculum vitae en één sollicitatiegesprek zijn de keuzes gemaakt. In het licht van de door [A.] aangevoerde en door SAB onvoldoende weersproken stelling dat zij tot aan de reorganisatie van 2008 vrijwel alle voorkomende werkzaamheden uitvoerde net als de andere werknemers van SAB, dat de onderverdeling in front en back office pas sinds 1 april 2008 een feit was, en dat een formele vastlegging van die reorganisatie in de vorm van functieomschrijvingen (betreffende de functies in de front en de back office) niet meer heeft kunnen plaatsvinden, is de kantonrechter van oordeel dat de selectieprocedure onvoldoende zorgvuldig is geweest. Belangrijker nog is dat zowel [A.] als haar voormalig collega [X.] ongeschikt werden bevonden voor de nieuwe functie. Daarover is immers opgemerkt: “Hoewel beide de uitdaging aan willen gaan zijn wij van mening dat [X.] en [A.] niet voldoen aan de gestelde commerciële eisen. Echter zijn hun administratieve kwaliteiten en hun kennis van Corus zeer waardevol voor de organisatie. Wij denken dat de nieuwe organisatie voldoende heeft aan 1 fte van deze kwaliteiten.

Gelet op de hoge leeftijd en beperkte kansen op de arbeidsmarkt gaat onze voorkeur uit naar [X.].” Hoewel ook [X.] ongeschikt wordt geacht, is hem de nieuwe functie wel aangeboden. Daarmee is SAB afgeweken van haar eigen uitgangspunten bij de reorganisatie ten nadele van [A.]. [X.] is weliswaar ouder dan [A.], maar de leeftijd van [A.] en haar eenzijdige arbeidsverleden zijn van dien aard dat aangenomen moet worden dat ook zij beperkte kansen op de arbeidsmarkt heeft. De kantonrechter is van oordeel dat gelet hierop aan [A.] tenminste een deugdelijke afvloeiingsregeling aangeboden had moeten worden. Het feit dat zij bijna twee maanden is vrijgesteld van haar werk om met behoud van loon op zoek te gaan naar ander werk kan in dit verband, mede gelet op de lange duur van het dienstverband, niet gelden als een deugdelijke vergoeding, te minder nu die vrijstelling volgde op een periode van arbeidsongeschiktheid die mede verband hield met het ontslag. De door SAB aangeboden andere baan die toen niet meer inhield dan een snuffelstage maakt het voorgaande ook niet anders, nu naar het oordeel van de kantonrechter een intensievere en actievere begeleiding van [A.] naar ander werk in de rede had gelegen. [A.] heeft verder onvoldoende weersproken gesteld dat de bemiddeling door het transfercentrum vooral op haar instigatie tot stand is gekomen en ook die bemiddeling kan niet worden beschouwd als een in de gegeven omstandigheden voldoende intensieve en actieve begeleiding door SAB. SAB heeft weliswaar aangevoerd dat zij de financiële middelen om een vergoeding aan te bieden niet had, maar zij heeft dit verweer, mede in het licht van de stelling van [A.] (onderbouwd met mails en brieven van de vakbond) dat Corus als min of meer aan SAB verwant bedrijf financieel had kunnen en moeten bijspringen, onvoldoende weersproken.

5. Gelet op het voorgaande is er naar het oordeel van de kantonrechter sprake van zodanige bijzondere omstandigheden dat de nadelige gevolgen van de beëindiging van de arbeidsovereenkomst tenminste gedeeltelijk voor rekening van SAB dienen te komen. Daaruit volgt dat [A.] recht heeft op een vergoeding. De hoogte van die vergoeding houdt nauw verband met de omstandigheden die de kantonrechter tot haar oordeel over de kennelijke onredelijkheid van het ontslag hebben geleid en is mede afhankelijk van omstandigheden zoals de duur van het dienstverband, de leeftijd van de werknemer en diens kans op het vinden van ander passend werk. Gelet op de aard van de schadevergoeding bij kennelijk onredelijk ontslag (een zekere genoegdoening verschaffen die in overeenstemming is met de aard en de ernst van de tekortkoming van de werkgever) en het bepaalde in artikel 6:97 BW (schade wordt begroot op de wijze die het meest in overeenstemming daarmee is en mag geschat worden als deze niet nauwkeurig kan worden vastgesteld), heeft de kantonrechter een grote mate van vrijheid bij de begroting van de schade. Evenwel moet de kantonrechter zich steeds nauwkeurig rekenschap geven van de concrete omstandigheden en factoren die de hoogte van de vergoeding bepalen en daarvan verantwoording afleggen. De vergoeding moet worden gerelateerd aan de aard en de ernst van het tekortschieten van de werkgever in zijn verplichting als goed werkgever te handelen en de daaruit voor de werknemer voortvloeiende nadelen. Zie ook HR 12 februari 2010, NJ 2010, 494

6. Gelet op voormelde maatstaven oordeelt de kantonrechter als volgt.

Uit de door de kantonrechter onder r.o. 4 genoemde omstandigheden die de kantonrechter hebben gebracht tot het oordeel dat het ontslag kennelijk onredelijk is,

volgt dat het verwijt dat aan SAB te maken is, is dat zij jegens [A.] niet de vereiste zorgvuldigheid in acht heeft genomen, hetgeen haar kan worden aangerekend. Evenwel is de kantonrechter is ook van oordeel dat het onzorgvuldig handelen van SAB niet zodanig is dat op grond daarvan de gehele schade voor haar rekening dient te komen. Daarvoor is redengevend dat de kantonrechter ook heeft geoordeeld dat uit het enkele ontbreken van verdergaande selectiemethoden dan door SAB zijn toegepast niet volgt dat sprake is van een valse of voorgewende reden. Daarbij komt dat niet kan worden uitgesloten dat wanneer SAB wel een zorgvuldiger selectieprocedure had gevolgd, [A.] evenzeer ongeschikt zou zijn voor de nieuwe functie. Voorts wijkt de keus van SAB voor [X.] weliswaar ten nadele van [A.] af van de eigen uitgangspunten, maar moet in het voordeel van SAB worden meegenomen dat met die keus tenminste nog één arbeidsplaats gehouden is gebleven. Ten slotte is de kantonrechter weliswaar van oordeel dat aan [A.] in het licht van de verdere omstandigheden geen deugdelijke vergoeding is aangeboden, maar niet kan worden gezegd dat SAB helemaal niets heeft gedaan om de gevolgen van het ontslag enigszins te verzachten.

7. [A.] heeft een vergoeding van € 64.000,- bruto gevorderd, welk bedrag overeenkomt met een suppletie van haar WW-uitkering gedurende drie jaar. Daarbij gaat zij er van uit dat zij gedurende drie jaar werkloos zal blijven. Dat laatste zou volgens SAB niet realistisch zijn. De kantonrechter is van oordeel dat het gelet op de leeftijd van [A.] en haar langdurige dienstverband bij SAB niet eenvoudig voor haar zal zijn om ander werk te vinden, maar gaat er van uit dat [A.] op grond van haar kennis en verdere vaardigheden die volgen uit het door haar overgelegde curriculum vitae in staat moet worden geacht om op kortere termijn ander werk te vinden. Verder houdt de kantonrechter er rekening mee dat het ontslag heeft plaatsgevonden wegens bedrijfseconomische omstandigheden en er daarom vanuit kan worden gegaan dat de financiële situatie van SAB minder florissant is. Ten slotte wordt bij de begroting van de schade betrokken het langdurige dienstverband (25 jaar), de leeftijd van [A.] ten tijde van het ontslag (47 jaar) en het gegeven dat [A.] altijd naar behoren heeft gefunctioneerd.

8. Op grond van hetgeen de kantonrechter onder rechtsoverwegingen 6 en 7 heeft overwogen, begroot de kantonrechter de schade die voor rekening van SAB dient te komen op een bedrag van € 35.000,- bruto. Dit bedrag zal, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag der dagvaarding, worden toegewezen.

9. De proceskosten komen voor rekening van SAB omdat deze grotendeels in het ongelijk wordt gesteld.

De beslissing

De kantonrechter:

- veroordeelt SAB tot betaling aan [A.] van € 35.000,- te vermeerderen met de wettelijke rente over dat bedrag vanaf 26 mei 2010 tot aan de dag van de algehele voldoening;

- veroordeelt SAB tot betaling van de proceskosten, die aan de kant van [A.] tot en met vandaag worden begroot op de volgende bedragen:

dagvaarding € 87,93

vastrecht € 208,00

salaris gemachtigde € 800,00;

- verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

- wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.J. Dijk en uitgesproken op de openbare terechtzitting van bovengenoemde datum.