Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2010:BO8349

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
23-11-2010
Datum publicatie
22-12-2010
Zaaknummer
170547
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

alimentatie, verdiencapaciteit

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector civiel

familie- en jeugdrecht

alimentatie/tegenspraak

zaak-/rekestnr.: 170547/10-1992

beschikking van de enkelvoudige kamer voor familiezaken van 23 november 2010

in de zaak van:

[naam man],

wonende te [plaats],

hierna mede te noemen: de man,

advocaat mr. N. Türkkol, kantoorhoudende te Amsterdam,

tegen

[naam vrouw],

wonende te [plaats],

hierna mede te noemen: de vrouw,

advocaat mr. G.F.H. Velthuizen, kantoorhoudende te Zaandam.

1 Procedure

1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift, met bijlagen, van de man van 8 juni 2010, ingekomen op diezelfde datum;

- het verweerschrift, met bijlagen, van de vrouw van 12 juli 2010;

- de brief, met bijlagen, van de advocaat van de vrouw van 14 september 2010;

- de brief, met bijlagen, van de advocaat van de man van 16 september 2010.

1.2 De behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op de zitting van 4 oktober 2010 in aanwezigheid van partijen, bijgestaan door hun advocaten.

1.3 De jongmeerderjarige [naam kind 1] heeft, voorafgaand aan de zitting, zijn mening schriftelijk kenbaar gemaakt.

2 Feiten en omstandigheden

2.1 Partijen zijn op [datum] 1999 met elkaar gehuwd, welk huwelijk op [datum] 2002 is ontbonden door inschrijving in de registers van de burgerlijke stand van de echtscheidingsbeschikking van deze rechtbank van [datum] 2002.

2.2 Uit dit huwelijk zijn geboren:

- [naam kind 1], op [datum] 1991 in de gemeente [plaats], inmiddels jongmeerderjarig;

- [naam kind 2], op [datum] 1997 in de gemeente [plaats].

2.3 Bij de hiervoor genoemde beschikking is bepaald dat de man aan de vrouw

de volgende bijdragen moet voldoen:

- € 275 per maand per kind in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen (hierna ook: kinderbijdrage);

- € 240 per maand in de kosten van levensonderhoud van de vrouw (hierna ook: partnerbijdrage).

2.4 Het verzoek tot nihilstelling wegens wijziging van omstandigheden van de man van 12 juli 2004 is op 25 januari 2005 door de rechtbank, bij gebrek aan onderbouwing van zijn stellingen, niet ontvankelijk verklaard.

2.5 Ingevolge de wettelijke indexering bedragen de bijdragen met ingang van 1 januari 2005 € 296 resp. € 258 per maand, met ingang van 1 januari 2008 € 311 resp. € 271 per maand en met ingang van 1 januari 2010 € 330 resp. € 288 per maand

3 Verzoek

Met als grondslag dat de hierboven genoemde beschikking door wijziging van omstandigheden heeft opgehouden te voldoen aan wettelijke maatstaven heeft de man verzocht deze beschikking te wijzigen in die zin, dat de zowel de kinderbijdrage als de partnerbijdrage worden bepaald op nihil met ingang van 8 januari 2005, dan wel met ingang van 26 maart 2008 of 25 juli 2008, althans worden verlaagd met ingang van een door de rechtbank te bepalen datum.

4 Verweer

De vrouw heeft betwist dat sprake is van een wijzing van omstandigheden die tot aanpassing van de vastgestelde bijdragen dient te leiden.

5 Beoordeling

wijziging van omstandigheden

5.1 Op grond van artikel 1: 401 lid 1 BW kan een rechterlijke uitspraak betreffende levensonderhoud bij latere rechterlijke uitspraak worden gewijzigd of ingetrokken, wanneer deze nadien door wijziging van omstandigheden ophoudt te voldoen aan de wettelijke maatstaven.

5.2 De man stelt dat de wijziging erin is gelegen dat zijn inkomen, de man genoot een WAO-uitkering, tijdelijk is gestopt en fors lager is geworden en dat hij schulden heeft. Onder verwijzing naar de door hem in het geding gebrachte stukken voert hij aan dat zijn WAO-uitkering in verband met zijn vertrek naar [land] met ingang van 8 januari 2005 is beëindigd. Hij stelt in [land] door zijn familie te zijn onderhouden. Nadat hij op 26 maart 2008 weer in Nederland was teruggekeerd, herleefde per 25 juli 2008 zijn recht op een WAO-uitkering, naar een arbeidongeschiktheidspercentage van 35 - 45 %. Hij ontvangt op dit moment een netto bedrag van € 584,57 per maand. Hij stelt geen andere inkomsten te hebben. De vrouw betwist de wijzigingen op zich niet, maar stelt dat de gevolgen daarvan voor rekening van de man dienen te blijven.

5.3 Het vertrek uit Nederland, het verval van het recht op de WAO-uitkering, het herleven van het recht bij terugkeer en de vaststellingen van het UWV omtrent de verdiencapaciteit van de man, leveren een wijziging van omstandigheden op, die een nieuwe beoordeling rechtvaardigt. De rechtbank zal daartoe overgaan met inachtneming van alle omstandigheden op dit moment.

terugwerkende kracht

5.4 Anders dan de man heeft bepleit, zal de rechtbank in haar beoordeling niet verder teruggaan dan het moment van indienen van het verzoekschrift, nu de man geen bijzondere feiten of omstandigheden heeft gesteld, op grond waarvan aan de beslissing van de rechtbank terugwerkende kracht zou moeten worden toegekend. Dat betekent dat de wijziging van omstandigheden in dit geval uitsluitend van invloed kan zijn op de bijdragen voor de periode vanaf 8 juni 2010, het moment van het indienen van het verzoek tot nihilstelling.

jongmeerderjarige

5.5 Voor zover het verzoek van de man [naam kind 1] betreft, is van belang dat [naam kind 1], geboren op [datum] 1991, sinds [datum] 2009 meerderjarig is. Nu de rechtbank hiervoor onder 5.4 heeft overwogen geen grond te zien voor het toekennen van terugwerkende kracht aan de beslissing, zal het verzoek van de man voor zover het de periode vóór [datum] 2009 betreft, worden afgewezen. Voor zover de man om aanpassing van de bijdrage voor [naam kind 1] na [datum] 2009 verzoekt, had het op zijn weg gelegen om de jongmeerderjarige afzonderlijk in rechte te betrekken. Dit is niet gebeurd. Dat leidt ertoe dat de man, voor zover zijn verzoek betrekking heeft op de periode vanaf meerderjarigheid, niet ontvankelijk zal worden verklaard.

behoefte

5.6 De man betwist de behoefte van de kinderen niet. Naar aanleiding van de betwisting van de behoefte van de vrouw, is ter zitting namens de vrouw aangevoerd dat zij op dit moment geen behoefte meer heeft. De rechtbank zal dan ook op die grond de ten behoeve van de vrouw vastgestelde bijdrage op nihil stellen, met ingang van de datum van indiening van het verzoekschrift.

draagkracht

5.7 Bij de beoordeling van de draagkracht van de man tot voldoening van een bijdrage in de kosten van de kinderen, acht de rechtbank het volgende van belang.

5.8 Uit het keuringsrapport van de arbeidsdeskundige van het UWV van [datum] 2008 blijkt dat de man gedeeltelijk arbeidsongeschikt is. De arbeidsdeskundige heeft aangegeven wat de arbeidsmogelijkheden van de man zijn en dat scholing noodzakelijk en mogelijk is. In verband met het percentage arbeidsongeschiktheid wordt de man een arbeidsongeschiktheidsuitkering toegekend. Op [datum] 2008 heeft de arbeidsdeskundige van het UWV een zogenaamde re-integratievisie opgesteld met beschrijving van het traject dat de man bij een re-integratiebedrijf dient te volgen. Een en ander zal door het UWV worden vergoed. Niet gesteld noch gebleken is dat de man sindsdien het door het UWV beschreven traject heeft doorlopen. Tegenover de betwisting door de vrouw heeft de man zijn stelling dat hij probeert om werk te vinden niet onderbouwd. De omstandigheid dat de inkomsten van de man nog steeds slechts bestaan uit een arbeidsongeschiktheidsuitkering, in plaats van een loon ter hoogte van de volledige verdiencapaciteit zoals becijferd door het UWV in 2008, dient dan ook geheel voor rekening van de man te worden gelaten. De rechtbank zal dan ook bij de berekening van de draagkracht van de man niet uitgaan van de (lage) WAO-uitkering, maar van de volledige verdiencapaciteit van de man.

Daartoe zal de rechtbank aansluiting zoeken bij de rapportage uit 2008 van de arbeidsdeskundige betreffende de (resterende) verdiencapaciteit van de man. Op basis van het daarin vermelde uurloon, inclusief toeslagen e.d. van € 10,19, begroot de rechtbank het inkomen op € 21.192 bruto per jaar in 2008, geïndexeerd € 22.525 bruto per jaar in 2010. Netto bedraagt dan de verdiencapaciteit van de man € 1.384 per maand.

5.9 Bij de beoordeling van de draagkracht zal de rechtbank voorts uitgaan van de volgende, mede aan de dossierstukken en het verhandelde ter zitting ontleende en niet, of niet langer bestreden maandelijkse lasten van de man:

- de bijstandsnorm voor een alleenstaande;

- een kamerhuur van € 250 per maand;

- de premie Zorgverzekeringswet van € 93 per maand, waarvan een bedrag van € 54 geacht wordt te zijn verdisconteerd in de bijstandsnorm, en een verplicht eigen risico van € 13 per maand.

5.10 De man heeft een aantal verklaringen overgelegd van derden van wie hij in 2008 geld heeft geleend. Verder is een overzicht overgelegd van achterstanden in 2008 en 2009 in premiebetalingen aan PWZ, de ziektekostenverzekeraar. Naast de hiervoor genoemde schulden voert de man aan ook nog een schuld te hebben in verband met de afkoop van zijn dienstplicht in [land]. De man heeft aangevoerd dat hij, omdat hij geen inkomsten had, zich genoodzaakt zag om schulden te maken. De vrouw betwist de schulden en de noodzaak daarvan.

Voor de rechtbank is tegenover de betwisting door de vrouw niet komen vast te staan dat de uit 2008 en 2009 daterende schulden nog immer bestaan, dan wel dat de man daarop aflost. De noodzaak van het aangaan van de schulden is evenmin nader onderbouwd. De rechtbank zal dan ook de door de man opgevoerde schulden bij de beoordeling van zijn draagkracht buiten beschouwing laten.

5.11 Onder de gegeven omstandigheden, wordt de man, bij evenredige verdeling van de draagkracht over de twee kinderen, in staat geacht een kinderbijdrage van € 134 per maand per kind te betalen.

5.12 Zoals overwogen onder 5.5, is de man niet ontvankelijk in zijn wijzigingsverzoek ten aanzien van de kinderbijdrage voor [naam kind 1], voor zover dit ziet op de periode vanaf

12 oktober 2009. Dat betekent dat op de man nog steeds de verplichting rust om aan de jongmeerjarige [naam kind 1] een bijdrage van € 275, met indexering € 296, te betalen. Het ligt op de weg van de man om hiervan vermindering te vragen, zodat de rechtbank deze bijdrage bij de vaststelling van de door de man met ingang van 8 juni 2010 te betalen bijdrage buiten beschouwing zal laten. Nu in dit geval voornamelijk vanwege een procesrechtelijke omissie in deze procedure geen vermindering van de bijdrage voor [naam kind 1] kan worden vastgesteld, geeft de rechtbank partijen mee, met het oog op het vermijden van verdere procedures, dat een lagere bijdrage voor [naam kind 1] ook bij overeenkomst kan worden vastgelegd.

6 Beslissing

De rechtbank:

6.1 Bepaalt met wijziging in zoverre van de beschikking van deze rechtbank van

22 oktober 2002, de door de man aan de vrouw te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarige [naam]:

- [naam kind 2], geboren op [datum] 1997 in de gemeente [plaats],

met ingang van 8 juni 2010 op € 134 per maand.

6.2 Verklaart de man niet ontvankelijk in zijn verzoek voor zover dit betrekking heeft op de voor de jongmeerderjarige [naam kind 1], geboren op [datum] 1991 in de gemeente [plaats], vastgestelde bijdrage voor de periode vanaf [datum] 2009.

6.3 Bepaalt met wijziging in zoverre van de beschikking van deze rechtbank van

22 oktober 2002, de partnerbijdrage op nihil met ingang van 8 juni 2010.

6.4 Verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

6.5 Wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. A. Roelvink-Verhoeff, rechter, in tegenwoordigheid van mr. J. Kroon, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 23 november 2010.

Tegen deze beschikking kan – voor zover er definitief is beslist – door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam. De verzoekende partij en/of de zich verwerende partij dient het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen.