Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2010:BO6471

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
12-04-2010
Datum publicatie
07-12-2010
Zaaknummer
AWB 09/5339
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Tijdens een huisbezoek zijn bij eiseres contanten, sieraden en goud aangetroffen. Verweerder heeft daarop het recht van eiseres op een uitkering krachtens de Wert werk en bijstand (Wwb) ingetrokken en een bedrag te hoogte van € 67.734,72 teruggevorderd. De rechtbank is van oordeel dat er sprake is van een aanzienlijk vermogen waarover eiseres daadwerkelijk de beschikking had of redelijkerwijs over kon beschikken. Eiseres heeft dit bezit nimmer aan verweerder gemeld waardoor zij de op haar rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden. De exacte waarde van het vermogen is niet bekend, maar het is wel duidelijk dat het boven de vrij te laten vermogensgrens ligt, zodat het recht op bijstand op nihil dient te worden gezet. Verweerder was derhalve bevoegd om over te gaan tot intrekking en terugvordering van de uitkering van eiseres.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 09 - 5339

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 april 2010

in de zaak van:

[naam eiseres],

wonende te [woonplaats],

eiseres,

gemachtigde: mr. S. Mathoerapersad, advocaat te Amsterdam,

tegen:

het college van burgemeester en wethouders van Purmerend,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 19 februari 2009 heeft verweerder het recht van eiseres op een uitkering krachtens de Wet werk en bijstand (Wwb) met ingang van 20 januari 2005 ingetrokken. Tevens heeft verweerder het ten onrechte ontvangen bedrag over de periode 20 januari 2005 tot en met 16 januari 2009 ter hoogte van € 67.734,72 van eiseres teruggevorderd.

Tegen dit besluit heeft eiseres bij brief van 31 maart 2009 bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 23 september 2009 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft eiseres bij brief van 28 oktober 2009 beroep ingesteld.

Verweerder heeft op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden en een verweerschrift ingediend.

Het beroep is behandeld ter zitting van 11 maart 2010, alwaar eiseres en haar gemachtige niet zijn verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. K. Mol, werkzaam bij de gemeente Purmerend.

2. Overwegingen

2.1 Eiseres is op 17 januari 2009 in haar woning aangehouden omdat bij doorzoeking in haar woning vermogen is aangetroffen in de vorm van contant geld, sieraden en goud. De politie heeft de totale waarde op € 350.000,-- geschat. Bij brief van 22 januari 2009 heeft verweerder besloten om de bijstandsuitkering van eiseres op te schorten aangezien zij het in haar huis aangetroffen vermogen niet aan verweerder zou hebben gemeld. Eiseres is vervolgens op 29 januari 2009 verhoord door de sociale recherche. Tijdens dit verhoor beroept eiseres zich vooral op haar zwijgrecht. Bij brief van 3 februari 2009 heeft verweerder besloten om de bijstandsuitkering van eiseres, in verband met detentie, met ingang van 17 januari 2009 in te trekken. Tevens zal verweerder nader onderzoek verrichten omtrent de rechtmatigheid van de verstrekte uitkering over de periode 20 januari 2005 tot en met 16 januari 2009. Naar aanleiding van dit onderzoek heeft verweerder het primaire besluit genomen.

2.2 Het bestreden besluit berust op het standpunt dat terecht is overgegaan tot intrekking van de uitkering van eiseres met ingang van 20 januari 2005. Primair, aangezien per deze datum haar recht op nihil dient te worden gesteld vanwege het bezit van vermogen onmiskenbaar boven de geldende vrijlatingsgrens. Subsidiair, omdat het recht per die datum niet is vast te stellen wegens schending van de inlichtingenplicht.

2.3 Eiseres stelt zich in beroep op het standpunt dat ten onrechte door verweerder geen waarde is gehecht aan de door haar overgelegde verklaringen omtrent de in haar woning aangetroffen vermogensbestanddelen. Voorts heeft verweerder ten onrechte aangenomen dat eiseres deze goederen voor zichzelf houdt en derhalve eigenaar is. Eiseres stelt tevens dat de afwijzingen van de door haar gegeven verklaringen onvoldoende door verweerder zijn gemotiveerd. Tot slot stelt eiseres dat verweerder niet kan volstaan met een schatting van de totale waarde van het in beslag genomen vermogen aangezien de strafrechter nog dient te beoordelen wat de waarde is van de stukken uit het dossier.

2.4 De rechtbank ziet zichzelf geplaatst voor de vraag of verweerder het bezwaar van eiseres tegen het besluit inhoudende de intrekking en terugvordering van haar bijstandsuitkering over de periode 20 januari 2005 tot en met 16 januari 2009 terecht ongegrond heeft verklaard.

2.5 De rechtbank overweegt als volgt.

2.6 Ingevolge artikel 11, eerste lid, Wwb, heeft iedere in Nederland woonachtige Nederlander die hier te lande in zodanige omstandigheden verkeert of dreigt te geraken dat hij niet over de middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van bestaan te voorzien recht op bijstand van overheidswege.

2.7 Ingevolge artikel 31, eerste lid, Wwb, voor zover hier van belang, worden tot de middelen alle vermogens en inkomensbestanddelen gerekend waarover de alleenstaande of het gezin beschikt of redelijkerwijs kan beschikken.

2.8 Ingevolge artikel 34, eerste lid, onder a en b, Wwb wordt onder vermogen verstaan de waarde van bezittingen waarover de alleenstaande of het gezin beschikt of redelijkerwijs kan beschikken, verminderd met de aanwezige schulden. De waarde van de bezittingen worden vastgesteld op de waarde in het economische verkeer bij vrije oplevering. Tevens wordt onder vermogen verstaan middelen die worden ontvangen in de periode waarover algemene bijstand is toegekend, voor zover deze geen inkomsten betreffen als bedoeld in de artikelen 32 en 33.

2.9 Ingevolge artikel 17, eerste lid, Wwb, voor zover van belang, doet de belanghebbende aan het college op verzoek of onverwijld uit eigen beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op zijn arbeidsinschakeling of het recht op bijstand.

2.10 Ingevolge artikel 54, derde lid, onder a, Wwb, kan het college onverminderd het elders in deze wet bepaalde terzake van herziening of intrekking van een besluit tot toekenning van bijstand en terzake van weigering van bijstand, een dergelijk besluit herzien of intrekken indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 17, eerste lid, heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand.

2.11 Ingevolge artikel 58, eerste lid, onder a, kan het college van de gemeente die de bijstand heeft verleend kosten van bijstand terugvorderen, voor zover de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend.

2.12 Vast staat dat eiseres op 17 januari 2009 is aangehouden in haar woning en dat daarbij een aanzienlijk vermogen in de vorm van contant geld, sieraden en goud in haar woning is aangetroffen. Uit het verslag van de hoorzitting blijkt dat eiseres erkent dat € 151.000,--, waarvan € 126.000,-- in haar slaapkamer en € 25.000,-- in de slaapkamer van haar zoon, en zeven kilogram goud in haar woning is aangetroffen. Aangezien eiseres dit vermogen nimmer aan verweerder heeft gemeld heeft zij de ingevolge artikel 17, eerste lid, Wwb op haar rustende inlichtingenverplichting geschonden.

2.13 Het feit dat het geld en zeven kilogram goud bij eiseres in huis zijn aangetroffen rechtvaardigt de veronderstelling dat deze bestanddelen vormen van het vermogen van eiseres waarover zij daadwerkelijk de beschikking heeft dan wel redelijkerwijs kan beschikken. In een dergelijke situatie is het aan eiseres om in genoegzame mate aan te tonen dat het tegendeel het geval is (zie de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 11 januari 2005, LJN:AS2268).

2.14 De rechtbank is van oordeel dat eiseres daar niet in is geslaagd en overweegt hiertoe het volgende. Eiseres heeft zich in eerste instantie op haar zwijgrecht beroepen en geen inlichtingen in het kader van bijstandsverlening willen verstrekken over de herkomst van het bij haar aangetroffen vermogen. Verweerder kon derhalve het recht op bijstand niet vaststellen. Eerst in bezwaar heeft eiseres informatie verstrekt. Zij heeft een ongedateerde verklaring van haar dochter overgelegd waarin deze het volgende verklaart.

“Van het bedrag van € 115.000,-- in contanten behoort een bedrag van € 15.000,-- aan mij toe. Tevens behoort een bedrag van € 25.000,-- aan de heer [naam] (mijn partner) toe. Het totaalbedrag à € 40.000,-- lag thuis bij ons, vanwege de heersende kredietcrisis en de angst dat het geld zou verdwijnen bij een eventuele faillissement van de bank. Het resterende bedrag à € 75.000,-- en de twee blokken goudstaven à één kilogram behoren toe aan [naam]. Laatstgenoemde had dit bedrag aan contanten en de goudstaven om persoonlijke redenen aan mij in bewaring gegeven. Wegens een verblijf in het buitenland in de periode november heb ik bovengenoemd bedrag en de goudstaven in bewaring gegeven aan mijn moeder. Ik was voornemens om het geld en de goudstaven weer op te halen bij mijn moeder, echter vernam ik van de politie dat het geld door justitie in beslag is genomen”.

Voorts hebben eiseres en haar dochter tijdens de hoorzitting in de bezwaarfase verklaard dat € 25.000,-- in contant geld toebehoort aan de uitwonende zoon van eiseres en € 2.500,-- in contant geld aan haar nog thuiswonende dochter. De rechtbank hecht geen waarde aan deze door familieleden achteraf opgestelde verklaringen, nu deze niet ondersteund worden door objectieve en verifieerbare gegevens. Eiseres heeft weliswaar bankafschriften van haar dochter overgelegd over de periode 20 april 2005 tot 20 november 2008 waarop in totaal een kasopname is te zien van € 10.850,--. Echter, los van het feit dat dit bedrag niet overeenkomt met de stelling dat € 15.000,-- aan de dochter van eiseres toebehoort, blijkt uit deze kasopnames niet dat dit geld daadwerkelijk in bewaring is gesteld bij eiseres. Eiseres heeft derhalve niet in genoegzame mate aangetoond dat zij niet over het in haar woning aangetroffen vermogen heeft kunnen beschikken.

2.15 De verklaring van eiseres op de hoorzitting in bezwaar dat zij sinds 2001 op regelmatige basis goud heeft ontvangen impliceert dat zij reeds bij haar aanvraag voor bijstand op 20 januari 2005 een vermogen bezat dat ruim boven de toen geldende vermogensvrijlatingsgrens lag. Hierbij is in aanmerking genomen dat in 2001 de goudprijs ongeveer € 9.890,-- per kilo bedroeg en dat deze sindsdien is opgelopen tot bijna € 20.000,-- per kilo, zoals verweerder onbestreden naar voren heeft gebracht. Ingevolge de uitspraak van de CRvB van 11 maart 2008 LJN: BC6716, dient het recht op bijstand op nihil te worden gezet indien de exacte waarde van het vermogen niet duidelijk is, maar het wel zeker is dat het meer is dan de vrij te laten vermogensgrens. Dat is in dit geval aan de orde. Derhalve was verweerder bevoegd om met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, Wwb over te gaan tot intrekking van de bijstand met ingang van 20 januari 2005.

2.16 Gelet op de eigen verklaringen van eiseres over de waarde van het goud en de hoeveelheid geld die in haar woning zijn aangetroffen, kon verweerder het recht op bijstand van eiseres intrekken zonder dat een nauwkeurige vaststelling van het vermogen van eiseres had plaatsgevonden.

2.17 Met het voorgaande is tevens gegeven dat is voldaan aan de voorwaarden voor toepassing van artikel 58, eerste lid, onder a, Wwb om tot terugvordering van de aan eiseres verstrekte uitkering over te gaan over de periode van 20 januari 2005 tot 16 januari 2009. Blijkens de Beleidsregels “Terugvordering en Verhaal WWB” van de gemeente Purmerend voert verweerder het beleid dat steeds tot terugvordering van bijstand wordt overgegaan, tenzij sprake is van dringende redenen. Naar vaste jurisprudentie van de CRvB is een dergelijke beleidslijn niet onredelijk. De rechtbank stelt voorts vast dat verweerder, nu niet is gebleken van dringende redenen in overeenstemming hiermee heeft gehandeld.

2.18 Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.J.A.M. van Brussel, rechter en op 12 april 2010 in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van F. Voskamp, griffier.

afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht. Het hoger beroep dient te worden ingesteld door het indienen van een beroepschrift binnen zes weken onmiddellijk liggend na de dag van verzending van de uitspraak door de griffier.