Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2010:BO6464

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
30-11-2010
Datum publicatie
07-12-2010
Zaaknummer
15-800944-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

witwassen, verklaringen bruikbaar voor bewijs, vormverzuim, beroep op 359a Sv, wisselende verklaringen, geen aannemelijke verklaring voor aanwezig geldbedrag.

De meervoudige strafkamer van de rechtbank Schiphol veroordeelt verdachte ter zake van witwassen tot een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 60 dagen en verklaart het in beslag genomen geldbedrag verbeurd.

De rechtbank verwerpt dit verweer en overweegt daartoe het volgende.

De drie door douaneambtenaar [ambtenaar 1] geconstateerde slikkerscriteria zijn op zich zelf onvoldoende om te kunnen spreken van objectieve feiten en omstandigheden waaruit een redelijk vermoeden van schuld aan overtreding van de Opiumwet, of enig ander strafbaar feit, voortvloeit, zoals bedoeld in artikel 27 van het Wetboek van Strafvordering. De omstandigheid dat douaneambtenaar [ambtenaar 1] op grond van zijn bevindingen personeelsleden van het Schipholteam heeft verzocht de douanecontrole over te nemen, doet daaraan niet af. Bij de vervolgens door voornoemde douaneambtenaren bij verdachte uitgevoerde lijfsvisitatie is een bedrag van 19.985,00 euro aangetroffen. Ook het aantreffen van dit bedrag is naar het oordeel van de rechtbank noch op zichzelf, noch in samenhang met de drie slikkercriteria bezien, voldoende om te spreken van een redelijk vermoeden van schuld aan enig strafbaar feit, zoals bedoeld in artikel 27 van het Wetboek van Strafvordering. De douaneambtenaren [ambtenaar 2], [ambtenaar 3] en [ambtenaar 1] waren derhalve, conform de algemene douanebevoegdheden voortvloeiend uit de Algemene Douanewet, gerechtigd om zonder voorafgaande cautie aan verdachte controlevragen te stellen over het onder hem aangetroffen geldbedrag. Eerst op grond van de door verdachte gegeven antwoorden op deze controlevragen, in samenhang met de wijze waarop verdachte het geld vervoerde, is een redelijk vermoeden van schuld aan enig strafbaar feit ontstaan en is aan verdachte de cautie gegeven Derhalve is geen sprake van enig (onherstelbaar) vormverzuim en dient het beroep van de raadsvrouw op artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering te worden verworpen.

De rechtbank acht de verklaring van verdachte, dat het bij hem aangetroffen geld afkomstig is uit zijn handel, zo onwaarschijnlijk dat zij deze bij de vorming van haar bewijsoordeel zonder meer ter zijde stelt. In zoverre wijkt onderhavige geval dan ook af van de casus zoals die voorlag in het door de raadsvrouw aangehaalde arrest van de Hoge Raad van 13 juli 2010 (LJN: BM0787). Immers in dat arrest was er sprake van een concrete, min of meer verifieerbare en niet zonder meer onwaarschijnlijke verklaring voor de herkomst van het geld. In zoverre faalt de vergelijking van de raadsvrouw tussen dat- en onderhavig geval aldus. Naar het oordeel van de rechtbank is de verklaring van verdachte er in casu slechts op gericht de waarheid te verhullen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector Strafrecht

Locatie Schiphol

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/800944-10

Uitspraakdatum: 30 november 2010

Tegenspraak

Strafvonnis

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 16 november 2010 in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

zonder bekende woon- of verblijfplaats hier te lande.

1. Tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

hij op of omstreeks 04 augustus 2010, te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, althans in Nederland, een voorwerp, te weten een geldbedrag van 19.985 euro, heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen en/of omgezet, althans van een voorwerp, te weten voornoemd geldbedrag, gebruik heeft gemaakt, terwijl hij wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden, dat bovenomschreven voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf.

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het tenlastegelegde feit en gevorderd dat:

- verdachte terzake zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van zestig dagen met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering en voorlopige hechtenis heeft gezeten;

- het onder verdachte in beslag genomen en niet teruggeven geld wordt verbeurd verklaard.

4. Bewijs

4.1 Bespreking van het formeel verweer

Door en namens verdachte is het volgende verweer gevoerd. Tijdens de douanecontrole die op verdachte werd uitgevoerd, constateerde douaneambtenaar [ambtenaar 1] dat tong van verdachte een witte kleur had, dat verdachte aan het zweten was en dat zijn adem naar ontlasting riekte. Op grond van deze zogenoemde slikkerscriteria was verdachte op dat moment reeds als verdachte van overtreding van de Opiumwet aan te merken. Derhalve had hem op dat moment de cautie moeten worden gegeven. Nu dat niet is gebeurd, is sprake van een onherstelbaar vormverzuim in het voorbereidend onderzoek en mag gelet op het bepaalde in atikelartikel 359a van het Wetboek van Strafvordering de verklaring die verdachte (dossierparagraaf AH-001) vervolgens na het aantreffen van het geld heeft afgelegd tegenover douaneambtenaren [ambtenaar 2], [ambtenaar 3] en [ambtenaar 1], niet voor het bewijs worden gebruikt, aldus de raadsvrouw.

De rechtbank verwerpt dit verweer en overweegt daartoe het volgende.

De drie door douaneambtenaar [ambtenaar 1] geconstateerde slikkerscriteria zijn op zich zelf onvoldoende om te kunnen spreken van objectieve feiten en omstandigheden waaruit een redelijk vermoeden van schuld aan overtreding van de Opiumwet, of enig ander strafbaar feit, voortvloeit, zoals bedoeld in artikel 27 van het Wetboek van Strafvordering. De omstandigheid dat douaneambtenaar [ambtenaar 1] op grond van zijn bevindingen personeelsleden van het Schipholteam heeft verzocht de douanecontrole over te nemen, doet daaraan niet af. Bij de vervolgens door voornoemde douaneambtenaren bij verdachte uitgevoerde lijfsvisitatie is een bedrag van 19.985,00 euro aangetroffen. Ook het aantreffen van dit bedrag is naar het oordeel van de rechtbank noch op zichzelf, noch in samenhang met de drie slikkercriteria bezien, voldoende om te spreken van een redelijk vermoeden van schuld aan enig strafbaar feit, zoals bedoeld in artikel 27 van het Wetboek van Strafvordering. De douaneambtenaren [ambtenaar 2], [ambtenaar 3] en [ambtenaar 1] waren derhalve, conform de algemene douanebevoegdheden voortvloeiend uit de Algemene Douanewet, gerechtigd om zonder voorafgaande cautie aan verdachte controlevragen te stellen over het onder hem aangetroffen geldbedrag. Eerst op grond van de door verdachte gegeven antwoorden op deze controlevragen, in samenhang met de wijze waarop verdachte het geld vervoerde, is een redelijk vermoeden van schuld aan enig strafbaar feit ontstaan en is aan verdachte de cautie gegeven Derhalve is geen sprake van enig (onherstelbaar) vormverzuim en dient het beroep van de raadsvrouw op artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering te worden verworpen.

4.2 Redengevende feiten en omstandigheden

Op 4 augustus 2010 werd op de luchthaven Schiphol, gelegen in de gemeente Haarlemmermeer, op verdachte een douanecontrole uitgevoerd. Hierbij is verdachte gevraagd hoeveel hij geld hij bij zich had. Verdachte heeft hierop ‘ongeveer 600 euro’ geantwoord. Verdachte heeft daarbij aangegeven dat hij verder geen goederen in zijn broekzakken had zitten. Vervolgens is er bij lijfsvisitatie in de broekzakken en onderbroek van verdachte een geldbedrag van 19.985,00 euro aangetroffen. Dit bedrag bestond uit

5-,10-, 20-, 50- en 100 eurobiljetten, waarvan 108 20-eurobiljetten en 314 50-eurobiljetten.

Voordat de douane vorengenoemd geld onder verdachte had aangetroffen, heeft verdachte desgevraagd aangegeven dat hij naar Napels is gereisd en schoenen heeft gekocht. Hij zou in Spanje werken als sinaasappelplukker en ongeveer 300 à 500 euro per maand verdienen. Geconfronteerd met het aangetroffen geld heeft verdachte vervolgens medegedeeld dat het geld afkomstig is uit zijn bedrijf en dat hij het geld uit veiligheidsoverwegingen deels in zijn onderbroek had gestopt. Verdachte heeft daarbij verklaard dat hij in Amsterdam bij zijn vriend [naam vriend] zou verblijven. Verdachte zei niet te weten waar deze vriend woont en zou ook geen telefoonnummer van deze vriend hebben.

Bij zijn verhoor door de Koninklijke Marechaussee heeft verdachte vervolgens verklaard dat zijn bedrijf niet geregistreerd is, omdat hij zijn bedrijf wil laten groeien. Later in het verhoor heeft verdachte verklaard dat hij zijn bedrijf niet heeft geregistreerd omdat, als hij zijn bedrijf wel geregistreerd zou hebben, hij zijn geld had moeten delen met zijn (gescheiden) vrouw. Verdachte heeft aangegeven alles ‘zwart’ te doen. Verdachte zei niet te weten hoeveel geld hij het afgelopen jaar heeft verdiend en heeft verklaard niet bij te houden wat hij in- en verkoopt.

Voorts heeft verdachte verklaard dat hij nooit geld heeft verstuurd via Moneygramm, Western Union of soortgelijke instellingen en dat hij slechts éénmaal geld heeft ontvangen via dergelijke instellingen. Uit onderzoek bij FIU-Nederland is echter gebleken dat verdachte in de periode van 4 april 2007 tot en met 14 januari 2010 via de Postbank en het GWK een totaalbedrag van 12.126,00 euro heeft ontvangen, waarvan twee keer een bedrag van 4.806,00 euro. Verdachte heeft hier in de verschillende verhoren geen eensluidende verklaring voor geven.

Ten slotte is uit onderzoek gebleken dat verdachte, die in Spanje woont, in de periode van 25 januari 2009 tot en met 4 augustus 2010 vijfentwintig vluchten met Transavia van Nederland naar Italië heeft gemaakt, waarvan veertien retourvluchten naar Napels. De totale kosten van deze vluchten bedroegen 7.905,19 euro. Verdachte heeft in eerste instantie verklaard dat hij zo’n vijf keer in Napels is geweest. Geconfronteerd met de bevindingen uit het onderzoek bij Transavia heeft verdachte vervolgens verklaard dat hij denkt dat die bevindingen niet kloppen. Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat hij al deze vluchten wel gemaakt heeft, namelijk om in Italië kleding te kopen. Verdachte kon desgevraagd echter niet aangegeven waar en op welke wijze hij de kleding heeft verhandeld noch hoeveel hij met de handel in deze kleding heeft verdiend.

Verdachte is aldus met een grote hoeveelheid contant geld aangehouden op de luchthaven Schiphol. Verdachte had dit geld deels in zijn onderbroek verborgen en heeft desgevraagd bij de douane niet aangegeven dat hij zoveel geld bij zich had. Het is een feit van algemene bekendheid dat vele vormen van criminaliteit gepaard gaan met grote hoeveelheden contant geld en dat de luchthaven Schiphol een doorvoerhaven is voor dat criminele geld. Voorts is het een feit van algemene bekendheid dat met de handel in verdovende middelen kleinere coupures aan bankbiljetten worden verkregen terwijl bij verdachte met name 20- en 50- eurobiljetten zijn aangetroffen. Daarbij roepen het reisgedrag en reisdoel van verdachte, alsmede de moneytransfers waarbij verdachte de begunstigde was, vragen op waar verdachte geen eensluidend antwoord op kan geven. Vorenstaande redengevende feiten en omstandigheden rechtvaardigen naar het oordeel van de rechtbank het vermoeden van witwassen. Derhalve mag van verdachte worden verlangd dat hij door het verschaffen van verifieerbare gegevens op punten die eenvoudig te achterhalen zijn een aannemelijke verklaring geeft voor de herkomst van het geld.

Over de herkomst van het geld heeft verdachte verklaard dat hij auto’s, bussen en trucks verscheept, die hij vol laadt met onder andere koelkasten, schoenen, wasmachines, fornuizen, stof en tapijten. Deze goederen verscheept verdachte via een bedrijf genaamd [naam bedrijf], vanuit Amsterdam naar Nigeria, alwaar zijn zus de zending in ontvangst neemt en voor verdachte verkoopt. De winst die verdachte hiermee maakt, alsmede het initiële handelsgeld, worden vervolgens door iemand vanuit Nigeria meegenomen naar Spanje en vanuit Spanje weer aan verdachte gegeven. Het onder verdachte aangetroffen geld zou met deze handel verdiend zijn en ook wederom gebruikt gaan worden voor het verzenden van een truck en overige goederen.

Naar aanleiding van deze verklaring van verdachte is onderzoek gedaan bij het bedrijf [naam bedrijf] te Diemen. Uit dit onderzoek is gebleken dat verdachte in de jaren 2007 tot en met 2009 twaalf vracht-/bestelauto’s naar Nigeria heeft verscheept. De totale kosten voor deze verschepingen bedroegen 14.529,34 euro.

Op grond van het vorengaande acht de rechtbank aannemelijk dat verdachte in de jaren 2007 tot en met 2009 inderdaad twaalf maal een vracht-/bestelauto naar Nigeria heeft verscheept. Naar het oordeel van de rechtbank kunnen deze verschepingen echter geenszins de legale herkomst van het (gehele) onder verdachte aangetroffen geldbedrag verklaren. Nu verdachte in diezelfde periode al 22.434,53 euro aan vlieg- en transportkosten heeft gemaakt, verdachte geenszins de omvang van zijn handel aan kan geven, verdachte totaal geen inzicht geeft in zijn winstmarges en in het geheel niet kan aangeven wat hij verdient of op een verscheping verwacht te verdienen, acht de rechtbank het volstrekt onaannemelijk dat verdachte een dergelijk winstgevende handel drijft dat het gehele aangetroffen bedrag daaruit te verklaren valt. Bovendien kan verdachte niet verklaren wat zijn winstmarge is op de kleding die hij in Italië koopt, terwijl hij daarvoor wel gemiddeld meer dan eenmaal per maand van Nederland naar Italië vliegt en daartoe aanzienlijke kosten maakt. Daarbij heeft verdachte verklaard dat hij zijn (kleding)handel vanuit onder andere Amsterdam drijft, maar kan hij de wijze waarop op geen enkele wijze aangegeven noch kan hij aangeven op welk adres hij in Amsterdam verblijft. Ook geeft verdachte geen eensluidende verklaringen over de wijze waarop hij de goederen naar Nigeria verscheept. In eerste instantie verklaarde verdachte alle goederen via [naam bedrijf] te verschepen. Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat hij ook nog goederen via ‘een ander bedrijf’ verscheept. Verdachte weet de naam van dit bedrijf niet. Ten slotte overweegt de rechtbank dat verdachte slechts een vage verklaring heeft gegeven over hoe het geld vanuit Nigeria via derden weer bij hem, verdachte, in Spanje terechtkomt. De rechtbank acht het onaannemelijk dat verdachte ook steeds naar Spanje zou reizen om dit geld op te halen.

Gezien voornoemde redengevende feiten en omstandigheden acht de rechtbank de verklaring van verdachte, dat het bij hem aangetroffen geld afkomstig is uit zijn handel, zo onwaarschijnlijk dat zij deze bij de vorming van haar bewijsoordeel zonder meer ter zijde stelt. In zoverre wijkt onderhavige geval dan ook af van de casus zoals die voorlag in het door de raadsvrouw aangehaalde arrest van de Hoge Raad van 13 juli 2010 (LJN: BM0787). Immers in dat arrest was er sprake van een concrete, min of meer verifieerbare en niet zonder meer onwaarschijnlijke verklaring voor de herkomst van het geld. In zoverre faalt de vergelijking van de raadsvrouw tussen dat- en onderhavig geval aldus. Naar het oordeel van de rechtbank is de verklaring van verdachte er in casu slechts op gericht de waarheid te verhullen.

Voorgaande redengevende feiten en omstandigheden, in onderling verband en samenhang bezien, leiden naar het oordeel van de rechtbank tot de slotsom dat het niet anders kan zijn dan dat het onder verdachte aangetroffen geld uit enig misdrijf afkomstig is en dat verdachte dat ook wist.

4.3 Bewezenverklaring

Gezien het bovenstaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, in dier voege dat:

hij op 4 augustus 2010, te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, een voorwerp, te weten een geldbedrag van 19.985 euro, voorhanden heeft gehad, terwijl hij wist dat bovenomschreven geldbedrag - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

Hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

5. Strafbaarheid van het feit

Het bewezenverklaarde is strafbaar en levert op:

‘witwassen’

6. Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dus strafbaar.

7. Motivering van de sancties

Bij de beslissing over de sancties die aan verdachte moeten worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede door de persoon van verdachte

zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan witwassen. Door opbrengsten van misdrijven aan het zicht van justitie te onttrekken en daaraan een schijnbaar legale herkomst te verschaffen, wordt de integriteit van het financieel en economisch verkeer ernstig aangetast. Het reguliere handels- en betalingsverkeer wordt daardoor ondermijnd en de maatschappij wordt veel schade toegebracht. Verdachte heeft zich aldus schuldig gemaakt aan een ernstig misdrijf.

De officier van justitie heeft de oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van zestig dagen gevorderd. Deze eis is in overeenstemming met de straf die ten aanzien van dit soort misdrijven in vergelijkbare gevallen - gelet ook op de hoogte van het geldbedrag -, pleegt te worden opgelegd. In de omstandigheden van de onderhavige zaak, noch in de persoonlijke omstandigheden van verdachte vindt de rechtbank aanleiding om daarvan af te wijken.

Op grond van het vorenoverwogene is de rechtbank van oordeel dat een vrijheidsbenemende straf van na te noemen duur moet worden opgelegd.

7.1 Verbeurdverklaring

De rechtbank is van oordeel dat het onder verdachte inbeslaggenomen en niet teruggegeven geld, te weten:

(1) Geld, 3 biljetten van 5 euro;

(2) Geld, 1 biljet van 10 euro;

(3) Geld, 108 biljetten van 20 euro;

(4) Geld, 314 biljetten van 50 euro en

(5) Geld, 21 biljetten van 100 euro,

dient te worden verbeurd verklaard. Uit het onderzoek op de terechtzitting is immers gebleken dat het bewezenverklaarde feit met dat geld, dat aan verdachte toebehoort, is begaan.

8. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

33, 33a, 420bis van het Wetboek van Strafrecht.

9. Beslissing

De rechtbank:

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 4.3 weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezenverklaarde feit het hierboven onder 5. vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte wegens dit feit tot een gevangenisstraf voor de duur van

ZESTIG (60) DAGEN.

Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de thans opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Verklaart verbeurd:

(1) Geld, 3 biljetten van 5 euro;

(2) Geld, 1 biljet van 10 euro;

(3) Geld, 108 biljetten van 20 euro;

(4) Geld, 314 biljetten van 50 euro en

(5) Geld, 21 biljetten van 100 euro.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. J.N.A. Jolink, voorzitter,

mr. J.M. Sassenburg en mr. P.M. Wamsteker, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. M.S. Kikkert,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 30 november 2010.

eindnoten:

1. De door de rechtbank in de voetnoten als proces-verbaal aangeduide bewijsmiddelen zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door personen die daartoe bevoegd zijn en voldoen ook overigens aan de daaraan bij wet gestelde eisen.

2. Het proces-verbaal van bevindingen en overdracht, dossierparagraaf AH-001.

3. Het proces-verbaal, dossierparagraaf AH-004.

4. Kennisgeving van inbeslagneming, dossierparagraaf AH-002a.

5. Het proces-verbaal van bevindingen en overdracht, dossierparagraaf AH-001.

6. Het proces-verbaal van eerste verhoor van verdachte d.d. 5 augustus 2010, dossierparagraaf V01-01, pagina’s 2-onder, 3-boven, 5-boven, 6-onder.

7. Het proces-verbaal van tweede verhoor van verdachte d.d. 9 augustus 2010, dossierparagraaf V01-02, pagina 5-onder, 6-boven.

8. Het antwoord van FIU-Nederland, dossierparagraaf AH-008.

9. Het verhoor van verdachte d.d. 9 september 2010, dossierparagraaf V01-02, pagina 6 en het verhoor van verdachte ter terechtzitting van 16 november 2010.

10. Het proces-verbaal bevindingen in door Transavia verstrekte gegevens, dossierparagraaf AH-009.

11. Het proces-verbaal van eerste verhoor van verdachte d.d. 5 augustus 2010, dossierparagraaf V01-01, pagina 5-boven.

12. Het proces-verbaal van tweede verhoor van verdachte d.d. 9 augustus 2010, dossierparagraaf V01-02, pagina 5-midden.

13. Het verhoor van verdachte ter terechtzitting van 16 november 2010.

14. Het proces-verbaal van eerste verhoor van verdachte d.d. 5 augustus 2010, dossierparagraaf V01-01 en de verklaring van verdachte ter terechtzitting van 16 november 2010.

15. Het proces-verbaal van ambtshandeling, dossierparagraaf AH-010 en de daarbij behorende bijlagen, dossierparagraaf D-005.

16. Het proces-verbaal van eerste verhoor van verdachte d.d. 5 augustus 2010, dossierparagraaf V01-01, pagina 2-onder en het verhoor van verdachte bij de rechter-commissaris, d.d. 6 augustus 2010.

17. Het verhoor van verdachte ter terechtzitting van 16 november 2010.