Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2010:BO6433

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
07-07-2010
Datum publicatie
06-12-2010
Zaaknummer
awb 09-5977
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2011:BQ4933, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank is van oordeel dat de wijziging in de subisidierelatie voldoet aan de eisen van artikel 4:51, eerste lid, Awb. De wijziging is immers in december 2006 aangekondigd, zodat een redelijke termijn als bedoeld in die bepaling door verweerders in acht is genomen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 09/5977

uitspraak van de meervoudige kamer van 7 juli 2010

in de zaak van:

Stichting Kreater, h.o.d.n. H’art,

Stichting Triade,

Stichting Artiance,

Stichting Fluxus,

Stichting Pier K,

Stichting Muziekschool Gerard Boedijn/de Kunstcompagnie en

de gemeente Heemskerk/Steunpunt Kunsteducatie ’t Platform,

eiseressen,

gemachtigde: mr. S. van Waegeningh, advocaat te Amsterdam,

tegen:

de Gedeputeerde Staten van Noord-Holland,

verweerders,

gemachtigde: mr. G.D. van der Veen, werkzaam bij de provincie Noord-Holland.

1. Procesverloop

Bij besluiten van 10 februari 2009, verzonden 11 februari 2009, aan de stichtingen Kreater, h.o.d.n. H’art, Triade, Muziekschool Gerard Boedijn/de Kunstcompagnie en Fluxus; bij besluit van 16 februari 2009, verzonden 18 februari 2009, aan Stichting Pier K; bij besluit van 10 maart 2009, verzonden 16 maart 2009, aan Stichting Artiance en bij besluit van 10 april 2009, verzonden 20 april 2009, aan de gemeente Heemskerk/Steunpunt Kunsteducatie ’t Platform hebben verweerders -voor zover voor de beoordeling relevant- besloten de rechtspositionele verantwoordelijkheid voor medewerkers van eiseressen die activiteiten uitvoeren met subsidie van verweerders per 1 januari 2009 te beëindigen.

Tegen deze besluiten hebben eiseressen bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 22 oktober 2009, verzonden 23 oktober 2009 hebben verweerders het bezwaar ongegrond verklaard voor wat betreft de tijdigheid van de aankondiging, het bezwaar gegrond verklaard voor wat betreft de duidelijkheid en hebben verweerders de primaire besluiten met aanvulling van de motivering in stand gelaten en aange-geven dat zij per l juli 2010 de rechtspositionele verantwoordelijkheid voor het per-soneel van eiseressen zullen beëindigen. Daarbij hebben verweerders verwezen naar het advies van de hoor- en adviescommissie.

Tegen dit besluit hebben eiseressen bij brief van 2 december 2009 beroep ingesteld.

Verweerders hebben op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden en een verweerschrift ingediend.

Het beroep is behandeld ter zitting van 15 april 2010, alwaar eiseressen zijn verschenen bij gemachtigde. Voorts is een aantal aan eiseressen gelieerde personen verschenen, onder wie A. van den Ende, directeur van Stichting Kreater. Verweerders zijn verschenen bij gemachtigde voornoemd. Hij was vergezeld door collega M. de Graaf.

2. Overwegingen

2.1 Eiseressen ondersteunen -ieder voor een verschillende regio in de provincie Noord-Holland- scholen bij de ontwikkeling en uitvoering van cultuureducatieve activiteiten. De ondersteuning richt zich primair op bemiddeling tussen scholen en culturele instel-lingen, nascholing en begeleiding van leerkrachten, informatievoorziening, advisering en netwerkvorming. Voor het vervullen van deze activiteiten ontvangen zij -onder meer van verweerders- subsidie. Voorheen had de subsidie de vorm van een jaarlijkse exploitatiesubsidie. In 2006 hebben verweerders een ander systeem van subsidiëren ingevoerd door verweerders aangehaald als: ‘de verzakelijking van de subsidierelatie’. Dit nieuwe systeem houdt in dat verweerders eiseressen per boekjaar een activiteiten-subsidie verstrekken. Dat betekent dat -anders dan voorheen waarbij de subsidie was gebaseerd op fte-aantallen en een exploitatiebegroting- vanaf 2006 aan eiseressen subsidie wordt verstrekt op grond van vooraf afgesproken prestaties welke zijn neer-gelegd in een activiteitenplan. Voor de uitvoering van de activiteiten berekenen de steunfuncties een integrale uurkostprijs op grond waarvan de hoogte van de subsidie bepaald wordt. Het besluit van verweerders om de rechtspositionele verantwoorde-lijkheid voor personeel van de steunfuncties te beëindigen, houdt verband met deze verzakelijking. Uit de verzakelijking van de subsidierelatie vloeit in de visie van verweer-ders voort dat zij niet langer rechtspositionele verantwoordelijkheid behoren te dragen voor zover die bestond ten aanzien van medewerkers van de steunpunten (lees: eiseressen) die met subsidie van verweerders werkzaamheden uitoefenen. Binnen de nieuwe systematiek hoort deze verantwoordelijkheid bij eiseressen zelf te liggen, aldus verweerders.

2.2 Uitgaande van deze gewijzigde vorm van subsidiëren, hebben verweerders bij voor-noemde primaire besluiten eiseressen de door hen gevraagde subsidies verstrekt en daarbij aangegeven dat de rechtspositionele verantwoordelijkheid voor medewerkers van deze instellingen die activiteiten uitvoeren met subsidie van verweerders per 1 januari 2009 zal worden beëindigd. In het besluit op bezwaar van 22 oktober 2009 hebben verweerders hun standpunt terzake nader gemotiveerd en daarbij aangegeven dat zij per l juli 2010 de rechtspositionele verantwoordelijkheid voor het personeel van eiseressen zullen beëindigen. Tegen dit laatste besluit richt zich het beroep.

2.3 Eiseressen hebben aangevoerd dat verweerders niet de door hen gevraagde duidelijk-heid hebben geboden ten aanzien van de vraag in welke gevallen verweerders ver-antwoordelijkheid nemen voor de rechtspositionele gevolgen van besluiten of beleids-wijzigingen van de kant van de provincie en in welke gevallen eiseressen deze ge-volgen zelf moeten dragen. Voorts zijn zij van mening dat onvoldoende gemotiveerd is hoe eiseressen een voorziening moeten vormen voor de financiering van rechts-positionele gevolgen en dat het bestreden besluit in strijd is met het gestelde in artikel 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

2.4 De rechtbank overweegt als volgt.

2.5 Artikel 4:51, eerste lid, Awb luidt: ‘Indien aan een subsidie-ontvanger voor drie of meer achtereenvolgende jaren subsidie is verstrekt voor dezelfde of in hoofdzaak dezelfde voortdurende activiteiten, geschiedt gehele of gedeeltelijke weigering van de subsidie voor een daarop aansluitend tijdvak op de grond, dat veranderde omstandig-heden of gewijzigde inzichten zich tegen voortzetting of ongewijzigde voortzetting van de subsidie verzetten, slechts met inachtneming van een redelijke termijn.’

2.6 Uit de door gemachtigde van verweerders ter zitting gegeven toelichting op het bestre-den besluit leidt de rechtbank af dat in 2013 de financiële verantwoordelijkheid voor eerstelijnstaken, die eiseressen uitvoeren, zal worden overgedragen aan Noord-Hollandse gemeenten. De met de overdracht van deze taken gepaard gaande onver-mijdbare frictiekosten zullen verweerders dragen indien en voor zover is voldaan aan de in het bestreden besluit gestelde voorwaarden. In andere gevallen kunnen verweerders (al dan niet geheel) verantwoordelijkheid aanvaarden voor rechts-positionele en financiële gevolgen van door verweerders genomen besluiten die eiseressen regarderen. Het vorengaande blijkt met zoveel woorden uit het bestreden besluit nu daarin staat dat indien de overdracht van eerstelijnstaken aan de gemeenten voor eiseressen leidt tot onvermijdbare frictiekosten, verweerders deze kosten financieel zullen dekken en dat in het geval van rechtspositionele consequenties als gevolg van gewijzigd provinciaal beleid verweerders zich bereid kunnen verklaren eiseressen een (gedeeltelijke) tegemoetkoming in de financiële gevolgen daarvan te verstrekken.

2.7 Eiseressen stellen terecht dat verweerders over het vorengaande zich op verschillende manieren hebben uitgelaten nu op andere momenten andere suggesties zijn gewekt. Zo wordt op pagina 4 van het ‘verweerschrift bezwaarschriften steunfuncties kunsteducatie’ van 2 september 2009 gesteld dat verweerders de ‘verantwoordelijkheid’ dragen ‘voor de onvermijdbare kosten die verband houden met de rechtspositionele consequenties voor de steunfuncties van besluiten van onze kant’, terwijl in de ter zitting voorgedragen pleitnota staat aangegeven dat verweerders ‘in bepaalde gevallen, zoals de overdracht van de verantwoordelijkheid voor 1e lijnstaken aan gemeenten, vanuit het oogpunt van behoorlijk bestuur de steunfuncties een tegemoetkoming in de financiële gevolgen daarvan’ kunnen ‘verstrekken.’ Dit laatste standpunt heeft de gemachtigde van verweerders ter zitting met zoveel woorden gecorrigeerd.

2.8 Concluderend stelt de rechtbank op grond van het verhandelde ter zitting vast dat het gestelde in het bestreden besluit zoals hiervoor weergegeven in rechtsoverweging 2.6 ook hetgeen is dat verweerders bedoeld hebben te besluiten. Dat verweerders op andere momenten andere suggesties hebben gewekt, kan als onzorgvuldig worden gekwalificeerd maar daarin ziet de rechtbank onvoldoende aanleiding het bestreden besluit te vernietigen.

2.9 Voorts is de rechtbank van oordeel dat de wijziging van de subsidierelatie zoals hier-voor beschreven voldoet aan de eisen van artikel 4:51, eerste lid, Awb. De wijziging is immers reeds in december 2006 aangekondigd, zodat een redelijke termijn als bedoeld in die bepaling door verweerders in acht is genomen. Daarbij heeft de rechtbank betrokken dat eiseressen van verweerders toestemming hebben gekregen om in hun kostprijs per uur een risico-opslag te verwerken. Namens verweerders is ter zitting gesteld dat het thans nog niet mogelijk is om een uitspraak te doen over de hoogte van de risico-opslag. Ter zitting is vastgesteld dat verweerders vanaf het begin van subsi-diëring in 1994 nimmer een uitkering hebben hoeven doen voor rechtspositionele wijzigingen voor medewerkers van eiseressen. Onder die omstandigheden is de recht-bank van oordeel dat het aanvaardbaar is dat er thans nog geen uitspraak kan worden gedaan over de hoogte van de risico-opslag en dat kan worden volstaan met de uitleg zoals hiervoor weergegeven in rechtsoverweging 2.6.

2.10 Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen omtrent de redelijke termijn en de toe-stemming voor het verwerken van een risico-opslag in de kostprijs per uur, is de rechtbank van oordeel dat er geen strijd is met het gestelde in artikel 3:4 van de Awb.

2.11 Het beroep zal ongegrond worden verklaard. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.H.M van de Ven, rechter van de meervoudige kamer, mrs. G. Guinau en M. Zijp, rechters, en op 7 juli 2010 in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van mr. J. Poggemeier, griffier.

De voorzitter is verhinderd deze uitspraak te ondertekenen.

afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag. Het hoger beroep dient te worden ingesteld door het indienen van een beroepschrift binnen zes weken onmiddellijk liggend na de dag van verzending van de uitspraak door de griffier.