Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2010:BO6428

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
18-11-2010
Datum publicatie
06-12-2010
Zaaknummer
AWB 10 - 5371
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Binnenplanse ontheffingsmogelijkheid 3.6 Wro. Bouwplan wijkt af van de planvoorschriften voor zover dat ziet op bouwen minder dan twee meter ten opzichte van de zijdelingse erfgrens. Vast staat dat verweerder met betrekking tot het verlenen van binnenplanse ontheffing de procedureregels uit artikel 18, aanhef en onder c en d, van de planvoorschriften niet heeft gevolgd. Het bestemmingsplan staat op zichzelf niet in de weg aan een voorziening voor in- en uitrijden ten behoeve van het terrein van de derde partij zoals in dit bouwplan vervat. De verleende ontheffing ziet op een deel van het bouwplan waartegen eiser geen grieven heeft aangevoerd. De voorzieningenrechter ziet derhalve geen aanleiding over te gaan tot de gevraagde schorsing.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 10 - 5371

uitspraak van de voorzieningenrechter van 18 november 2010

in de zaak van:

[verzoeker]

wonende te [woonplaats],

verzoeker,

gemachtigde: mr. D.W. Giltay Veth, advocaat te Nieuw-Vennep,

tegen:

het college van burgemeester en wethouders van Haarlemmermeer,

verweerder,

derde partij,

[derde partij],

wonende te [woonplaats],

gemachtigde: mr. Th. F. Roest, advocaat te Haarlem.

1. Procesverloop

Bij besluit van 7 mei 2010 heeft verweerder aan de derde partij een reguliere bouwvergunning en ontheffing voor het bouwen tot op de perceelsgrens verleend voor het oprichten van een opslagruimte op het perceel aan de [adres]

Tegen dit besluit heeft verzoeker bij brief van 11 mei 2010 , aangevuld bij brieven van 13 september 2010, 11 oktober 2010 en 21 oktober 2010, bezwaar gemaakt. Bij brief van 14 oktober 2010 is verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Het verzoek is behandeld ter zitting van 5 november 2010, alwaar verzoeker in persoon is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door G. Bijlenga en drs. C. Hopman, beiden werkzaam bij de gemeente Haarlemmermeer. De derde partij is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde en [naam], architect.

2. Overwegingen

2.1 Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, van de Awb kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen, indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Daarbij gaat het om een afweging van belangen van de verzoekende partij bij een onverwijlde voorziening tegen het belang dat is gemoeid met onmiddellijke uitvoering van het besluit. Voorzover deze toetsing een beoordeling van de hoofdzaak meebrengt, is dat oordeel voorlopig van aard.

2.2 Het bouwplan voorziet in het oprichten van een opslagruimte en de daarbij behorende voorziening voor ondergronds parkeren op het perceel aan de [adres]. Ter plaatse geldt het bestemmingsplan “Bedrijvenpark Nieuw-Vennep Zuid”. Op de betreffende gronden rust de bestemming “bedrijfsdoeleinden B”. Slechts voor zover het bouwplan ziet op het bouwen op minder dan twee meter ten opzichte van de zijdelingse erfgrens voor de realisatie van de hellingbaan en de daarbij behorende voorzieningen voor ondergronds parkeren wijkt het af van de planvoorschriften. Ten behoeve van het verlenen van ontheffing voor die afwijking heeft verweerder toepassing gegeven aan artikel 12, zevende lid, van de planvoorschriften in samenhang met artikel 3.6, eerste lid, onder c en vijfde lid, van de Wet ruimtelijke ordening. De hierbij in acht te nemen procedureregels heeft verweerder vervat in artikel 18, aanhef en onder a tot en met d, van de planvoorschriften.

2.3 Vast staat dat verweerder met betrekking tot het verlenen van binnenplanse ontheffing de procedureregels uit artikel 18, aanhef onder c en d, van de planvoorschriften niet heeft gevolgd. Vast staat tevens dat de zienswijze van verzoeker, zoals die al in een eerder stadium bij verweerder bekend was gemaakt, en waarvan verweerder heeft toegezegd dat deze bij de procedure zou worden betrokken, buiten beschouwing is gebleven.

2.4 De voorzieningenrechter ziet zich gesteld voor de vraag of, gelet op vorenstaande en de in geding zijnde belangen van partijen, aanleiding bestaat het bestreden besluit te schorsen. De voorzieningenrechter beantwoordt deze vraag ontkennend en overweegt daartoe het volgende.

2.5 Verzoeker oefent zijn bedrijf, een tuincentrum, uit aan de [adres]. De inrit van het tuincentrum is gelegen tegenover het punt waar vrachtwagens het terrein van de derde partij opgaan. Verzoeker voert – kort en zakelijk weergegeven – de volgende grieven aan. Verweerder heeft gedurende het besluitvormingsproces onbehoorlijk en in strijd met het vertrouwens- en zorgvuldigheidsbeginsel gehandeld en heeft geen zorgvuldige en evenredige belangenafweging aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd. Met name is onvoldoende rekening gehouden met de verkeersaantrekkende werking, de veiligheid ter plekke en de bereikbaarheid en zichtbaarheid van verzoekers pand. Verder is het bouwplan in strijd met de redelijke eisen van welstand, aldus verzoeker.

2.6 Het bestemmingsplan staat op zichzelf niet in de weg aan een voorziening voor in- en uitrijden ten behoeve van het terrein van de derde partij, zoals in dit bouwplan vervat. Verweerder heeft ter zitting toegelicht dat bij de opzet van het bestemmingsplan aandacht is besteed aan de verkeersituatie. Vrachtverkeer is inherent aan het betreffende bedrijventerrein. Het manoeuvreren van vrachtwagens, schuin voor de inrit van het tuincentrum, op de circa 6,5 meter brede weg zou geen probleem moeten zijn nu zich op de kruising bochtstralen van 12 meter bevinden en er ter plekke een parkeerverbod geldt. Het aantal manoeuvres zal beperkt zijn omdat het een relatief kleine opslagruimte betreft en de aard van het te vestigen bedrijf geen continue stroom van vrachtwagenverkeer veroorzaakt.

2.7 Niet is gebleken dat het positieve welstandsadvies van de Welstandszorg Noord-Holland adviescommissie voor ruimtelijke kwaliteit ondeugdelijk zou zijn. De grief met betrekking tot de hoogte van het bouwplan en de verminderde zichtbaarheid van verzoekers bedrijf kan de verleende bouwvergunning niet raken reeds nu het te bouwen pand een lagere bouwhoogte heeft dan volgens het vigerende bestemmingplan is toegestaan.

2.8 Gelet op vorenstaande en gelet op het feit dat de verleende ontheffing ziet op een deel van het bouwplan waartegen eiser geen grieven heeft aangevoerd ziet de voorzieningenrechter in de procedurele misslagen geen aanleiding thans over te gaan tot de gevraagde schorsing, temeer daar zij bij de behandeling van verzoekers bezwaarschrift kunnen worden hersteld. Het verzoek daartoe wordt derhalve afgewezen.

2.9 Voor een proceskostenveroordeling zijn geen termen aanwezig.

3. Beslissing

De voorzieningenrechter:

wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. I.M. Ludwig, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. J.K. N'Daw, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 18 november 2010.

afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.