Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2010:BO6302

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
03-11-2010
Datum publicatie
03-12-2010
Zaaknummer
173904 / KG ZA 10-497
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

(JONG)MEERDERJARIGHEID KIND GEEN GROND VOOR OPHEFFING LOONBESLAG

Bij beschikking van 31 mei 2005 (de eerste beschikking) heeft de rechtbank Haarlem kinderalimentatie voor de zoon en partneralimentatie voor de vrouw bepaald. Bij beschikking van 3 augustus 2010 (de derde beschikking) heeft het gerechtshof Amsterdam de partneralimentatie voor de vrouw verlaagd, maar de kinderalimentatie ongewijzigd gelaten. De man vordert opheffing van door de vrouw gelegde loonbeslagen, omdat hij geen betalingsachterstand (meer) heeft en, voor zover het gelegde loonbeslag ziet op kinderalimentatie, omdat de zoon inmiddels (jong)meerderjarig is, als gevolg waarvan die zoon - en dus niet (meer) de vrouw - een vordering op de man heeft. Voorzieningenrechter overweegt dat het loonbeslag uit hoofde van de eerste beschikking al in 2007 is gelegd, op welk moment de zoon nog minderjarig was. De daarbij bepaalde verplichting van de man tot het betalen van kinderalimentatie is bij het (jong)meerderjarig worden van de zoon op grond van het bepaalde in artikel 1:395b BW van rechtswege geconverteerd in een verplichting ter zake van levensonderhoud en studie. Loonbeslag voor kinderalimentatie is toen niet vervallen, maar de betaling vond op grond van het bepaalde in artikel 1:408 BW vanaf dat moment aan de meerderjarige plaats. Niet aannemelijk dat de vrouw niet was gemachtigd die betaling ten behoeve van de zoon in ontvangst te nemen. Derde-beslagene is op grond van artikel 479e Rv verplicht om - zolang de executant dit verlangt - het bedrag waarvoor het beslag is gelegd aan de executant te betalen. Geen grond voor opheffing loonbeslag. Volgt weigering voorziening.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK HAARLEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 173904 / KG ZA 10-497

Vonnis in kort geding van 3 november 2010

in de zaak van

[eiser],

wonende te Assendelft,

eiser,

advocaat mr. M.M. Vloedbeld te Zaandam,

tegen

[gedaagde],

wonende te Krommenie,

gedaagde,

advocaat mr. P.H. Visser te Wormerveer.

Partijen zullen hierna de man en de vrouw genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding

- de mondelinge behandeling

- de vermindering van eis

- de pleitnota van de man

- de pleitnota van de vrouw

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Partijen zijn gehuwd geweest. Bij beschikking van deze rechtbank d.d. 31 mei 2005 (hierna: de eerste beschikking) is tussen partijen de echtscheiding uitgesproken, welke beschikking op 9 september 2005 is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand. In deze beschikking heeft de rechtbank de kinderalimentatie voor zoon Thom (hierna: de zoon) bepaald op EUR 135,-- per maand en de partneralimentatie voor de vrouw op EUR 1.150,--. In deze beschikking is tevens opgenomen dat vorenstaande bedragen jaarlijks van rechtswege worden gewijzigd met het wettelijk vast te stellen indexeringspercentage.

2.2. De eerste beschikking is bekrachtigd bij beschikking van 11 mei 2006 van het gerechtshof te Amsterdam (hierna: de tweede beschikking).

2.3. Bij exploot van 5 maart 2007 heeft de vrouw loonbeslag ten laste van de man doen leggen onder diens werkgever, Forbo Flooring Systems B.V. te Assendelft (hierna: Forbo), in verband met gerezen betalingsachterstanden van de man in de periode 2005-2007 inzake de alimentatievorderingen van de vrouw op grond van de eerste (en tweede) beschikking.

2.4. In april 2009 heeft de man een verzoekschrift tot nihilstelling van de partner- en kinderalimentatie ingediend. Deze rechtbank heeft dat verzoek op 8 december 2009 afgewezen. De man is hiervan in hoger beroep gekomen. Bij beschikking van 3 augustus 2010 (hierna: de derde beschikking) heeft het gerechtshof te Amsterdam de beschikking waarvan beroep vernietigd en met dienovereenkomstige wijziging van de eerste beschikking de partneralimentatie voor de vrouw bepaald op EUR 475,-- met dien verstande dat, voor zover de man over de periode vanaf 31 mei 2005 tot de beschikkingsdatum van de derde beschikking meer heeft betaald en/of op hem is verhaald, de uitkering tot die datum wordt bepaald op hetgeen door de man is betaald en/of op hem is verhaald. De kinderalimentatie is ongewijzigd gebleven.

2.5. Over de maand augustus 2010 is een bedrag van EUR 1.319,91 ingehouden op het loon van de man.

2.6. Bij schrijven van 25 augustus 2010 heeft de raadsman van de vrouw Forbo geïnformeerd over de gewijzigde partneralimentatie naar aanleiding van de derde beschikking. Daarbij is aan Forbo medegedeeld dat de totale inhouding ten behoeve van de alimentaties met ingang van augustus 2010 EUR 680,64 per maand (de partneralimentatie ad EUR 530,--, inclusief indexering, plus de kinderalimentatie ad EUR 150,64, inclusief indexering) diende te zijn.

2.7. Bij exploot van 16 september 2010 heeft de vrouw terzake van de gewijzigde partneralimentatie (opnieuw) loonbeslag ten laste van de man doen leggen onder Forbo (hierna: het nieuwe loonbeslag).

2.8. Over de maand september 2010 is een bedrag van EUR 680,64 ingehouden op het loon van de man.

2.9. Bij email van 21 september 2010 heeft de raadsman van de vrouw Forbo geïnformeerd dat de totale inhouding ten behoeve van de alimentaties met ingang van augustus 2010 toch anders diende te zijn, omdat de indexering over de partneralimentatie eerst per 1 januari 2011 verschuldigd zou worden. Volgens die email diende met ingang van augustus 2010 de totale inhouding ten behoeve van de alimentaties EUR 625,40 per maand te zijn (de partneralimentatie ad EUR 530,-- plus de kinderalimentatie ad EUR 150,64, inclusief indexering). Aan Forbo is daarnaast te kennen gegeven dat in de maand oktober 2010 geen inhouding op het loon van de man diende plaats te vinden, ter compensatie voor c.q. verrekening van het teveel geïncasseerde over de maanden augustus en september 2010.

3. Het geschil

3.1. De man vordert, na vermindering van eis, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis, - samengevat - de opheffing van het loonbeslag [de rechtbank begrijpt: beide loonbeslagen] ten laste van de man onder Forbo, met veroordeling van de vrouw in de met het beslag gepaard gaande kosten, alsmede terugbetaling door de vrouw aan de man van de door hem teveel betaalde alimentatie ad EUR 131,98, met veroordeling van de vrouw in de kosten van het geding.

3.2. Aan zijn vordering legt de man ten grondslag dat er een executiegeschil in de zin van artikel 438 Rv is gerezen, omdat de vrouw beslag heeft gelegd op basis van de derde beschikking, terwijl hij ten aanzien van de daarin vervatte alimentatieverplichting nimmer een betalingsachterstand heeft gehad en zelfs teveel alimentatie heeft betaald aan de vrouw. Omdat het beslag derhalve ongeldig is gelegd en niet geldig is uitgewonnen, dient het loonbeslag te worden opgeheven. Voor zover het (uit hoofde van de eerste beschikking gelegde) loonbeslag ziet op de kinderalimentatie, is de zoon inmiddels (jong)meerderjarig, als gevolg waarvan de zoon - en dus niet (meer) de vrouw - een vordering op de man heeft. Om die reden dient ook dat beslag te worden opgeheven, aldus de man.

3.3. De vrouw voert verweer, - kort gezegd - stellende dat de man juist een betalingsachterstand heeft in de betaling van de alimentaties, nu de kinderalimentatie ten onrechte nimmer is geïndexeerd. Bovendien heeft de man in het verleden de alimentatie niet tijdig betaald en heeft hij aangegeven dat hij ook de partneralimentatie vastgesteld bij de derde beschikking niet wil betalen, zodat beide loonbeslagen derhalve dienen te blijven liggen.

3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. In de onderhavige procedure zijn tussen partijen vier geschilpunten aan de orde.

4.2. Ten eerste is er de vraag of de vrouw, en ingaande diens (jong)meerderjarigheid de zoon, aanspraak kan maken op indexering van de kinderalimentatie. Het antwoord daarop is ‘ja’. Niet alleen is dat met zoveel woorden in de eerste beschikking opgenomen, maar de wet is daar eveneens duidelijk over. Op grond van artikel 1: 402a van het Burgerlijk Wetboek (BW) worden de bij rechterlijke uitspraak vastgestelde (alimentatie)bedragen jaarlijks van rechtswege gewijzigd met het prijsindexcijfer. Gesteld noch gebleken is dat de vrouw of de zoon afstand hebben gedaan van dit wettelijk recht op indexering van de alimentatie, noch dat de vordering daartoe inmiddels verjaard zou zijn. Dat de vrouw niet eerder bij Forbo heeft gevraagd om het maandelijks op het loon van de man in te houden bedrag aan kinderalimentatie te verhogen met de jaarlijkse wettelijke indexatie, doet de aanspraak daarop niet tenietgaan. Door de vrouw is onbetwist gesteld dat ter zake van die niet-betaalde indexering door de man nog een bedrag van, berekend tot en met de maand juli 2010, EUR 337,12 is te voldoen.

4.3. De tweede vraag die beantwoording behoeft, is of het loonbeslag van 5 maart 2007 voor wat betreft de kinderalimentatie is vervallen op het moment dat de zoon (jong)meerderjarig werd. Daarover overweegt de voorzieningenrechter als volgt. Het loonbeslag uit hoofde van de eerste beschikking is al in 2007 gelegd, op welk moment de zoon nog minderjarig was. De bij de eerste beschikking bepaalde verplichting van de man tot het betalen van een onderhoudsbijdrage ten behoeve van de zoon is bij het (jong)meerderjarig worden van de zoon op grond van het bepaalde in artikel 1: 395b BW van rechtswege geconverteerd in een verplichting ter zake van levensonderhoud en studie. Gelet daarop is naar het oordeel van de voorzieningenrechter het loonbeslag voor de kinderalimentatie toen niet vervallen, zij het dat met dat beslag de betaling vanaf dat moment op grond van het bepaalde in artikel 1: 408 BW aan de meerderjarige plaatsvond. Dat de vrouw niet was gemachtigd die betaling ten behoeve van de zoon in ontvangst te nemen en daarbij aanspraak te maken op de verhogingen die de man krachtens de wettelijk indexering verschuldigd was geworden, is op geen enkele wijze aannemelijk geworden.

Nu de verplichting van de man tot het betalen van kinderalimentatie na het (jong)meerderjarig worden van de zoon in stand is gebleven (en alleen een andere juridische benaming en een ander juridisch betaaladres heeft gekregen), is op grond van artikel 479e Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering de derde-beslagene verplicht om - zolang de executant dit verlangt - het bedrag waarvoor het beslag is gelegd aan de executant te betalen. Gesteld noch gebleken is dat de zoon aan Forbo te kennen heeft gegeven dat hij inhouding op het loon van de man van de kinderalimentatie niet langer verlangt. Voor opheffing van het loonbeslag voor zover gelegd voor de door de man verschuldigde kinderalimentatie bestaat dan ook geen grond.

4.4. Het derde geschilpunt is of de man een achterstand heeft of juist teveel heeft betaald aan alimentatie. Partijen zijn het erover eens dat aan partneralimentatie voor de vrouw met ingang van 3 augustus 2010 EUR 475,-- per maand verschuldigd is en daarvóór maandelijks een bedrag van EUR 1.150,-- verschuldigd was. Partijen zijn het er ook over eens dat de man, conform de berekening van de advocaat van de man, over de maanden augustus tot en met oktober 2010 aan partneralimentatie het volgende verschuldigd is:

Partneralimentatie € grondslag

1 en 2 aug-10 76,21 op basis van de beschikking van 31 mei 2005

3 tm 31 aug-10 444,35 op basis van de beschikking van 3 augustus 2010

sep-10 475 op basis van de beschikking van 3 augustus 2010

okt-10 475 op basis van de beschikking van 3 augustus 2010

1470,56

Aan kinderalimentatie is de man, conform de berekening van de advocaat van de man, over de maanden augustus tot en met oktober 2010 verschuldigd:

kinderalimentatie € grondslag

aug-10 138,67 op basis van de beschikking van 31 mei 2005

sep-10 138,67 op basis van de beschikking van 31 mei 2005

okt-10 138,67 op basis van de beschikking van 31 mei 2005

416,01

Gelet echter op de hierboven in 4.2 vastgestelde aanspraak op indexering bedraagt de kinderalimentatie thans niet EUR 138,67 per maand maar EUR 150,64 per maand. Op grond daarvan komt het totaalbedrag van de kinderalimentatie over de maanden augustus tot en met oktober 2010 uit op EUR 451,92 (in plaats van EUR 416,01).

4.5. In totaal is als gevolg van het loonbeslag over de maanden augustus tot en met oktober 2010 een bedrag van EUR 1.319,91 + EUR 680,64 = EUR 2.000,55 ingehouden op het loon van de man, terwijl hij over diezelfde periode op grond van zijn alimentatieverplichting een bedrag van EUR 1.470,56 + EUR 451,92 = EUR 1.922,48 verschuldigd was.

4.6. Tot slot zijn partijen in geschil over voor welke partij de explootkosten van het nieuwe loonbeslag dienen te komen. De voorzieningenrechter overweegt daarover als volgt. De vrouw heeft het loonbeslag onder Forbo aanvankelijk doen leggen op grond van de eerste beschikking uit 2005. Die beschikking is vervangen door de derde beschikking. Partijen zijn het erover eens dat áls het leggen van loonbeslag voor de alimentatievordering van de vrouw gerechtvaardigd was, dat loonbeslag in dat geval als gevolg van die derde beschikking opnieuw diende te worden gelegd, met inbegrip van (over)betekening daarvan. Dat is ook gebeurd.

4.7. Gelet op de onbetwiste betalingsperikelen tussen 2005 en 2007 was naar het oordeel van de voorzieningenrechter het leggen van het oorspronkelijke beslag gerechtvaardigd. De man heeft weliswaar gesteld dat hij al sinds 2007 geen achterstand (meer) heeft gehad met betrekking tot zijn alimentatiebetaling aan de vrouw, maar dat is niet aan te merken als een ‘eigen verdienste’ van de man. Als direct gevolg van het door de vrouw gelegde loonbeslag in maart 2007 kón de man immers niet anders dan tijdig betalen. Ook de continuering van het loonbeslag na de derde beschikking door het leggen van het nieuwe loonbeslag was derhalve gerechtvaardigd. Dat brengt met zich dat de man, zoals de vrouw stelt, de kosten van de exploten van (over)betekening van het nieuwe beslag aan haar verschuldigd is.

4.8. Op grond van het voorgaande, en rekening houdend met het feit dat over de maand oktober 2010 geen inhouding op het loon van de man plaatsvindt, is de man per ultimo oktober 2010 aan de vrouw het volgende verschuldigd:

Partneralimentatie: EUR 1.470,56

Kinderalimentatie: 451,92+

1.922,48

Af: betaald 2.000,55

- 78,07

Beslagexploten: 298,25

Achterstallige indexering

kinderalimentatie 337,12 +

TOTAAL: EUR 557,30

4.9. Nu alle geschilpunten in het voordeel van de vrouw worden beslecht, moet de vordering van de man tot opheffing van de loonbeslagen worden afgewezen.

4.10. Gelet op het feit dat partijen gewezen echtelieden zijn, zullen de proceskosten tussen partijen worden gecompenseerd, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5. De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1. weigert de voorziening,

5.2. compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.J. van der Meer en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier op 3 november 2010.?