Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2010:BO6072

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
20-07-2010
Datum publicatie
02-12-2010
Zaaknummer
164475 - FA RK 09-4193
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

ontzetting uit gezag.Gelet op het bovenstaande is sprake van grove verwaarlozing van de verzorging en opvoeding van zijn kinderen en zijn de gedragingen van de vader aan te merken als slecht levensgedrag. Dat hij voor zijn handelen niet onherroepelijk strafrechtelijk veroordeeld is, doet daar naar het oordeel van de rechtbank niet aan af.

Doordat de moeder van de kinderen door toedoen van de vader is overleden en de vader geen inzicht toont in wat het verlies van de moeder voor de kinderen betekent, heeft de vader zich naar het oordeel van de rechtbank gediskwalificeerd als opvoeder van de kinderen. De rechtbank is met de Raad van oordeel dat een ontzetting van de vader van het gezag een duidelijk signaal aan alle betrokkenen geeft dat een herstel van de opvoedingsrelatie tussen de vader en de kinderen niet meer de bedoeling is. Een ontzetting van het gezag acht de rechtbank daarom noodzakelijk in het belang van de kinderen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector civiel

familie- en jeugdrecht

ontzetting

zaak-/rekestnr.: 164475 / FA RK 09-4193

beschikking van de meervoudige kamer voor familiezaken van 20 juli 2010

in de zaak van:

DE RAAD VOOR DE KINDERBESCHERMING, vestiging Haarlem,

verzoekende partij,

hierna mede te noemen: de Raad,

tegen

[naam vader],

thans gedetineerd te [plaats],

hierna te noemen: de vader,

advocaat mr. P.C. Nieuwenhuizen, kantoorhoudende te Alkmaar.

1 Procedure

1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift, met bijlagen, van de Raad van 7 december 2009 ingekomen op 9 december 2009;

- de dagbepalingsbeschikking van de meervoudige kamer voor familiezaken van 6 april 2010;

- het verweerschrift, met bijlagen, van de vader ingediend op de zitting.

1.2 De behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op de zitting van 3 juni 2010 in aanwezigheid van:

- de Raad, vertegenwoordigd door mevrouw W. Geldof,

- de vader bijgestaan door mr. P.C. Nieuwenhuizen,

- de Stichting Bureau Jeugdzorg Agglomeratie Amsterdam, team Opperdan, namens deze de William Schrikker Stichting, hierna te noemen: de Stichting, vertegenwoordigd door mevrouw A. Jacobs;

- de grootouders (vz.).

1.3 De minderjarige [naam kind 1] is, gelet op haar verstandelijke beperking, niet in de gelegenheid gesteld haar mening kenbaar te maken ten aanzien van dit verzoek.

2 Feiten en omstandigheden

2.1 Uit het huwelijk van de vader en [naam moeder], hierna de moeder, zijn geboren de minderjarigen [naam}:

- [naam kind 1], geboren op [datum] 1993 in de gemeente [plaats];

- [naam kind 2], geboren op [datum] 1998 in de gemeente [plaats];

- [naam kind 3], geboren op [datum] 2000 in de gemeente [plaats].

2.2 De moeder is op [datum] 2009 te [plaats] overleden. De politie heeft de minderjarigen na het overlijden van hun moeder bij de grootouders vz. ondergebracht Aangezien het weghalen bij de familie van de vader opnieuw een traumatische ervaring voor de kinderen zou opleveren, heeft de Raad besloten de kinderen daar te laten ook al is dit in strijd met het protocol van de Raad om in geval van ouderlijke partnerdoding de kinderen direct op neutraal terrein te plaatsen.

2.3 Na het overlijden van de moeder is de vader van rechtswege alleen met het gezag over voornoemde minderjarigen belast.

2.4 Bij beschikking van de kinderrechter te Haarlem van 14 mei 2009 is de vader geschorst in de uitoefening van het gezag en zijn de minderjarigen onder voorlopige voogdij van de Stichting gesteld.

2.5 In verband met het verstrijken van de geldigheidsduur van de voorlopige voogdij is deze opnieuw verleend bij beschikking van 12 november 2009.

2.6 Bij vonnis van de meervoudige strafkamer van de rechtbank te Haarlem van 26 november 2009 is de vader veroordeeld ter zake 1. doodslag en 2. handelen in strijd met artikel 26, eerste lid van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III tot een gevangenisstraf voor de duur van tien jaren. De vader heeft tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld. Het hoger beroep is nog niet inhoudelijk behandeld.

3 Verzoek

3.1 Het verzoek van de Raad strekt tot ontzetting van de vader van het gezag van voornoemde minderjarigen op grond van artikel 1:269 BW.

3.2 De Raad heeft in zijn rapport dat ten grondslag ligt aan het verzoek, geconcludeerd dat een ontzettingsmaatregel noodzakelijk is in het belang van de kinderen. Naar aanleiding van voornoemd vonnis is volgens de Raad vast komen te staan dat door toedoen van de vader de moeder van de kinderen is overleden. Voor de Raad is het daarbij niet belangrijk of er sprake is van opzet of een ongeluk. Feit is dat de moeder is overleden doordat zij is geraakt door een kogel die is afgevuurd met een wapen door de vader. Aangezien hieruit blijkt dat de vader in het bezit was van een wapen terwijl dit zonder vergunning verboden is, en een wapen niet thuishoort in een huis met kinderen, is de Raad van mening dat er sprake is van grove verwaarlozing van de verzorging en opvoeding van de kinderen en slecht levensgedrag op grond waarvan een ontzetting uitgesproken dient te worden.

3.3 Door toedoen van de vader moeten de kinderen de rest van hun leven hun moeder missen. Bovendien zullen de kinderen hun vader moeten missen nu hij een periode in detentie zal verblijven. Het is de verwachting dat de kinderen nog lang last zullen hebben van gevolgen van de gedragingen van vader. Volgens de Raad is er tot nu toe weinig openheid geweest en zijn de kinderen alleen bekend met de lezing dat er sprake zou zijn van een ongeluk. Hierin worden zij in grote mate beïnvloed door de familie van de vader, waar zij ook wonen. Er lijkt voor de kinderen nauwelijks ruimte te zijn voor contacten met de familie van moeder, die in [land] verblijft. Volgens de Raad is het van belang dat voor de kinderen duidelijk is dat de vader geen opvoedende rol meer zal vervullen, zodat er ook weer ruimte ontstaat om loyaal te zijn aan hun moeder.

4 Verweer

4.1 Tijdens het onderzoek dat aan het door de Raad ingediende verzoek is voorafgegaan, heeft de vader aangegeven dat hij het niet eens is met een ontzetting. Hij wenst dat zijn ouders de voogdij van de kinderen op zich nemen totdat hij zelf weer in staat is om het gezag uit te oefenen.

4.2 De vader heeft ter zitting zijn verweer verder uiteengezet. Naar de mening van de vader is het niet noodzakelijk en tevens niet in het belang van de kinderen dat hij uit het gezag ontzet wordt. Hoewel hij begrijpt dat hetgeen gebeurd is erg ingrijpend moet zijn geweest voor de kinderen, is de vader van mening dat de band tussen hem en de kinderen zeer hecht is. De vader vraagt zich af of het noodzakelijk is om hem als ouder te diskwalificeren, enkel om een signaal aan de kinderen af te geven.

Indien de rechtbank de beslissing neemt hem uit het gezag te ontzetten, verzoekt de vader zijn ouders te belasten met de voogdij. De kinderen wonen al meer dan een jaar bij de ouders van de vader en het is volgens hem belangrijk dat deze situatie gecontinueerd zal worden.

5 Beoordeling

5.1 Op grond van artikel 1:269 BW, kan de rechtbank, indien zij dit in het belang van de kinderen noodzakelijk oordeelt een ouder van het gezag over één of meer van zijn kinderen ontzetten (onder meer) op grond van:

a. misbruik van het gezag, of grove verwaarlozing van de verzorging of opvoeding van één of meer kinderen;

b. slecht levensgedrag;

c. onherroepelijke veroordeling:

1* wegens opzettelijke deelneming aan enig misdrijf met een onder zijn gezag staande minderjarige;

2* wegens het plegen tegen de minderjarige van één van de misdrijven, omschreven in de titels XIII-XV en XVII-XX van het tweede boek van het Wetboek van Strafrecht;

3* tot een vrijheidsstraf van twee jaar of langer.

Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is naar het oordeel van de rechtbank gebleken dat de gronden voor ontzetting als bedoeld in voornoemd artikel aanwezig zijn en dat ontzetting noodzakelijk is in het belang van de minderjarigen.

5.2 De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

Bij vonnis van de meervoudige strafkamer te Haarlem van 26 november 2009 is de vader veroordeeld tot een gevangenisstraf van tien jaren voor het opzettelijk van het leven beroven van de moeder van de kinderen en het voor handen hebben van een pistool en vijf patronen. De veroordeling is niet onherroepelijk.

5.3 Op grond van de beschikbare gegevens is het de rechtbank gebleken dat de moeder door toedoen van de vader is overleden. De rechtbank acht het van ondergeschikt belang of dit opzettelijk is gebeurd of dat het, zoals de vader aanvoert, een ongeluk was. De vader heeft er, naar het oordeel van de rechtbank, bewust voor gekozen een pistool in een huis waar kinderen wonen te bewaren en er vervolgens in huis handelingen mee te verrichten, terwijl de moeder op de bank lag en zijn dochter [naam kind 1] in huis rondliep, met als gevolg de dood van de moeder van de kinderen. Dergelijk levensgevaarlijk gedrag is naar het oordeel van de rechtbank een uiting van grove verwaarlozing van de plicht van een ouder tot verzorging en opvoeding van zijn kinderen alsmede van slecht levengedrag. De vader heeft met zijn daad de belangen van de kinderen zeer ernstig benadeeld. Kennelijk werd de vader niet geremd door het besef dat het voorhanden hebben van een pistool met scherpe munitie in een huis waar kinderen verblijven een aanmerkelijk risico meebrengt dat een van de huisgenoten wordt geraakt door een kogel uit dat wapen. Ter zitting heeft de vader niet de indruk gewekt de negatieve consequenties daarvan voor de kinderen in te kunnen voelen. Zowel de vader als de familie van de vader zijn uitsluitend bezig met de gevolgen van de detentie van de vader. Zij belasten de kinderen met hun verdriet om de detentie van de vader, terwijl de familie vz. niet openstaat voor het verdriet van de familie mz. om het verlies van hun dochter. Naast het feit dat het leven van de kinderen ingrijpend is gewijzigd door de dood van hun moeder, heeft dit overlijden van de moeder verstrekkende consequenties voor de ontwikkeling van de kinderen. De kinderen moeten de rest van hun leven hun moeder missen en als gevolg van het doden van hun moeder door de vader zal de vader gedurende lange tijd geen of hooguit een beperkte rol in de verzorging en opvoeding van zijn kinderen mogen hebben. De kinderen moeten leren omgaan met de omstandigheid dat zij een gedetineerde vader hebben en moeten proberen te verwerken dat hun vader hun moeder om het leven heeft gebracht, nog los van de vraag of hij dit opzettelijk of per ongeluk heeft gedaan. De kinderen is hun basisveiligheid en stabiliteit ontnomen, waarbij er tevens een wijziging van hun leefomgeving heeft plaatsgevonden. Hoe de kinderen zich in de toekomst zullen ontwikkelen valt niet in te schatten, maar naar het oordeel van de rechtbank staat vast dat in die ontwikkeling reeds schade is aangebracht.

5.4 Gelet op het bovenstaande is sprake van grove verwaarlozing van de verzorging en opvoeding van zijn kinderen en zijn de gedragingen van de vader aan te merken als slecht levensgedrag. Dat hij voor zijn handelen niet onherroepelijk strafrechtelijk veroordeeld is, doet daar naar het oordeel van de rechtbank niet aan af.

Doordat de moeder van de kinderen door toedoen van de vader is overleden en de vader geen inzicht toont in wat het verlies van de moeder voor de kinderen betekent, heeft de vader zich naar het oordeel van de rechtbank gediskwalificeerd als opvoeder van de kinderen. De rechtbank is met de Raad van oordeel dat een ontzetting van de vader van het gezag een duidelijk signaal aan alle betrokkenen geeft dat een herstel van de opvoedingsrelatie tussen de vader en de kinderen niet meer de bedoeling is. Een ontzetting van het gezag acht de rechtbank daarom noodzakelijk in het belang van de kinderen.

5.5 Ten aanzien van het verzoek van de vader om de grootouders te belasten met de voogdij in plaats van de Stichting, overweegt de rechtbank dat het in het belang van de kinderen is om een neutrale voogd te benoemen. Alleen op die wijze kan bewerkstelligd worden dat zowel het contact met de familie van de moeder als het contact met de familie van de vader goed verloopt. De rechtbank benadrukt hierbij dat de grootouders (vz.) zich dienen te houden aan de aanwijzingen van de voogd, ook indien dat betekent dat een actieve omgangsregeling met de familie van moeder gerealiseerd dient te worden. De hulpverlening zal zich dienen te richten op het creëren van meer ruimte voor de kinderen om vanuit hun eigen behoefte invulling te geven aan de familiebetrekkingen. Gezien de stukken is het de rechtbank tevens duidelijk dat de kinderen getraumatiseerd zijn en hulpverlening behoeven. De rechtbank benadrukt dat de grootouders ook hieraan hun medewerking dienen te verlenen.

6 Beslissing

De rechtbank:

6.1 Ontzet:

- [naam vader],

thans gedetineerd te [plaats],

van het gezag over de minderjarigen [naam]:

- [naam kind 1], geboren op [datum] 1993 in de gemeente [plaats];

- [naam kind 2], geboren op [datum] 1998 in de gemeente [plaats];

- [naam kind 3], geboren op [datum] 2000 in de gemeente [plaats].

6.2 Benoemt tot voogdes over voornoemde minderjarigen de Stichting Bureau Jeugdzorg Agglomeratie Amsterdam, team Opperdan, namens deze de William Schrikker Stichting afdeling Jeugdbescherming en Jeugdreclassering, gevestigd te Diemen.

6.3 Verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

6.4 Wijst af het meer of anders verzochte

Deze beschikking is gegeven door mr. A.M. Ayal, als voorzitter tevens kinderrechter, en mr. R.A Otter en mr. A.L. Diender als leden van deze kamer tevens kinderrechters, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van mr. R.C.M. Gerritsen-Martens, griffier, op 20 juli 2010.

Tegen deze beschikking kan – voor zover er definitief is beslist – door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam. De verzoekende partij en de verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dien het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of adat deze hun op andere wijze bekend is geworden.