Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2010:BO5987

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
13-10-2010
Datum publicatie
02-12-2010
Zaaknummer
AWB 10/4332, 10/285, 10/289, 10/290
Rechtsgebieden
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening+bodemzaak
Inhoudsindicatie

Vrijstelling 19, tweede lid, WRO en bouwvergunning voor bouw appartementencomplex met parkeerkelder. Motivering die ten grondslag ligt aan de verleende vrijstelling is onvoldoende, gezien de ingrijpende gevolgen van het bouwplan voor omwonenden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2012/1744
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht

zaaknummers: AWB 10 - 4332 (voorlopige voorziening)

AWB 10 - 285, 10 - 289 en 10 - 290 (beroepen)

uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter van 13 oktober 2010

in de zaken van:

[eiser 1],

[eiser 2],

De Vereniging van Eigenaars ‘[naam]’

allen wonende en gevestigd te [woonplaats],

hierna te noemen eisers,

gemachtigde: mr. N. Bakker, advocaat te IJmuiden,

tegen:

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Heemskerk,

verweerder,

derde partij,

[naam] bouwbedrijf,

gevestigd te Heemskerk.

1. Procesverloop

Bij besluit van 7 januari 2009 heeft verweerder aan de derde partij vrijstelling op grond van artikel 19, tweede lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening en een bouwvergunning eerste fase verleend ten behoeve van de bouw van een appartementengebouw met parkeerkelder op het perceel [adres]

Tegen dit besluit hebben eisers bij brief van 18 februari 2009 bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 4 december 2009 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit hebben eisers bij brief van 14 januari 2010, aangevuld bij brief van 15 februari 2010 beroep ingesteld.

Bij brief van 25 augustus 2010 hebben eisers verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

De zaken zijn gelijktijdig behandeld ter zitting van 30 september 2010, alwaar namens eisers [naam], voorzitter van de Vereniging van Eigenaars ‘[naam]’, is verschenen, bijgestaan door de gemachtigde. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. A. Leiss en G. Lukken, beiden werkzaam bij de gemeente Heemskerk. De derde partij is vertegenwoordigd door [naam], bijgestaan door mr. H.J.G. Dudink.

2. Overwegingen

2.1 Ingevolge artikel 8:86, eerste lid, Algemene wet bestuursrecht (Awb) kan de voorzieningenrechter, indien het verzoek om een voorlopige voorziening hangende het beroep bij de rechtbank is gedaan en hij van oordeel is dat na de zitting nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, onmiddellijk uitspraak doen in de hoofdzaak.

De in het onderhavige geval verkregen informatie is van dien aard dat nader onderzoek geen relevante nieuwe gegevens zal opleveren. Ook overigens bestaat geen beletsel om met toepassing van voormeld wettelijk voorschrift onmiddellijk uitspraak in de hoofdzaak te doen.

2.2 Ter plaatse geldt het bestemmingsplan ‘Centrum Heemskerk’, waarbinnen de gronden waarop het bouwplan is gelegen zijn bestemd voor ‘Maatschappelijke doeleinden’, ‘Openbaar gebied’ en ‘Erven’. Tussen partijen is niet in geschil dat het bouwplan, dat immers woondoeleinden behelst, met dit bestemmingsplan in strijd is. Omdat niet wordt voldaan aan de voorwaarden voor het aanwenden van de wijzigingsbevoegdheid heeft verweerder de strijdigheid met het bestemmingsplan met een vrijstelling als bedoeld in artikel 19, tweede lid, van de WRO opgeheven.

2.3 Het bouwplan voorziet in een appartementengebouw met 65 appartementen, verdeeld over drie en vier woonlagen en kent verschillende (nok-)hoogten, te weten 10,4 meter, 13,4 meter en 15,8 meter. Het bestemmingsplan staat daar waar gebouwd mag worden een nokhoogte van 10 meter toe. Het toegestane bebouwingspercentage bedraagt op grond van het bestemmingsplan 50%. Na realisatie van het bouwplan zijn de gronden voor 74% bebouwd. Het bouwplan komt naast bestaande appartementencomplexen aan de [straatnaam] en [straatnaam] te liggen. De afstand van het bouwplan tot het bestaande appartementencomplex aan de [straatnaam] bedraagt 5 meter. Tussen dit appartementencomplex en het bouwplan komt een hellingbaan te liggen die omhoog loopt tot boven straatniveau. De derde partij zal in overleg met de omwonenden afstemmen welke maatregelen hij zal treffen om het zicht op de hellingbaan en het geluid zoveel mogelijk te beperken. De afstand van het bouwplan tot de bestaande bebouwing aan de [straatnaam] bedraagt 65 centimeter. Een van de leden van de Vereniging van Eigenaars ‘[naam]’ bewoont een penthouse aan de [adres]. Van de erkerkamer tot de keuken is het penthouse voorzien van een glaswand, zodat deze zicht heeft van het noordwesten tot zuidwesten. Die zijde van het penthouse is omringd door terras. De indeling van de woonkamer is gericht op het noordwesten. Het bouwplan heeft tot gevolg dat aan de noordwestzijde over de gehele breedte van het penthouse en op 65 centimeter van het terras een muur komt van circa 13,5 meter hoog, ten opzichte van de hoogte van het penthouse van 12 meter. De kortste afstand tussen de ramen van het penthouse en de muur van het bouwplan bedraagt 2,5 meter.

2.4 Eisers hebben ten eerste aangevoerd dat geen sprake is van een goede ruimtelijke onderbouwing, nu daarin niet inzichtelijk wordt gemaakt dat het bouwplan past in de omgeving en qua bouwhoogte aansluit op de bestaande bebouwing. Ook wordt geen deugdelijke motivering gegeven voor de forse afwijkingen van het bestemmingsplan, aldus eisers. In dit verband wijzen zij er op dat zij lange tijd samen met verweerder constructief hebben meegewerkt aan de voorbereidingen voor een plan om ter plaatse een nieuw gemeentehuis te realiseren. Dit plan had totaal andere afmetingen - was veel kleiner - en paste mede daardoor uitstekend in de omgeving.

2.5 Vast staat dat het bouwplan van het huidige bestemmingsplan wat betreft omvang en gebruik afwijkt. Met name ten aanzien van het bebouwingspercentage en de hoogte is sprake van een niet geringe afwijking van het bestemmingsplan. Naarmate de inbreuk op de bestaande planologische situatie ingrijpender is, dienen zwaardere eisen te worden gesteld aan de ruimtelijke onderbouwing van het project.

2.6 Het is te begrijpen dat eisers moeite hebben met de voorgestelde wijziging. Dit neemt niet weg dat het nieuwe bouwplan op zijn eigen merites moet worden bekeken. In de ruimtelijke onderbouwing, aangevuld naar aanleiding van het advies van de commissie bezwaarschriften, is aangegeven dat het bouwplan in strijd is met de ter plaatse geldende bestemmingen, de toegestane goot- en (nok)hoogtes en de toegestane bouwvlakken. Daarnaast omschrijft de ruimtelijke onderbouwing het bouwplan als aansluitend op de bestaande bebouwing ten aanzien van de functie, rooilijnen en hoogte. Voor zover verweerder bedoeld heeft aan te geven dat op deze locatie, in de buurt van het centrum, een wat hogere bebouwing dan de reeds bestaande ook mogelijk moet zijn, is de onderbouwing op dit punt voldoende duidelijk. In de ruimtelijke onderbouwing is nagelaten aandacht te besteden aan de effecten van het bouwplan op de bestaande bebouwing, vooral daar waar het de afstand tot het penthouse aan d[adres] betreft. De voorzieningenrechter acht dit een tekortkoming in de ruimtelijke onderbouwing, temeer nu verweerder de ruimtelijke onderbouwing heeft aangevuld naar aanleiding van het advies van de bezwaarschriftencommissie.

2.7 Voorts hebben eisers zich op het standpunt gesteld dat geen sprake is van een deugdelijke belangenafweging. Volgens eisers is ten aanzien van d[adres] (penthouse) er sprake van een disproportionele wijziging van het uitzicht en is deze verandering niet redelijk. Ter onderbouwing hebben eisers een impressiefoto overgelegd die illustreert wat het uitzicht na realisatie van het bouwplan zal zijn. Daarnaast zal sprake zijn van een verminderde lichtinval, een toename van wind en een daling van de waarde van de woning, aldus eisers. Ten aanzien van het appartementencomplex aan de [straatnaam] stellen eisers dat eveneens sprake van een onevenredige inbreuk. Ook hier ontneemt het bouwplan uitzicht en is er vanaf de hellingbaan inkijk in de woningen aan de [straatnaam]. Tot slot stellen eisers dat een windonderzoek ten onrechte niet heeft plaatsgevonden en dat het bezonningsonderzoek onvolledig is.

2.8 De voorzieningenrechter stelt voorop dat verweerder bij de toepassing van artikel 19 van de WRO een ruime beleidsvrijheid toekomt bij de afweging van de vraag of gebruik wordt gemaakt van de bevoegdheid vrijstelling te verlenen van het geldende bestemmingsplan. Dit betekent dat de rechtbank de belangenafweging van verweerder terughoudend dient te toetsen.

2.9 Verweerder heeft een windonderzoek op basis van een advies van Peutz BV achterwege gelaten, omdat de geplande bebouwing volgens Peutz beschut ligt en geen windhinder verwacht kan worden. De voorzieningenrechter ziet niet in, en ook is niet aangevoerd, dat dit advies naar inhoud en totstandkoming ondeugdelijk is, zodat verweerder op basis van het advies in redelijkheid van een nader windonderzoek heeft kunnen afzien.

2.10 In het kader van het bezonningsonderzoek heeft verweerder gekeken naar de schaduwwerking van het bouwplan op de omliggende bebouwing in de maanden maart, juni en december en dan alleen om twaalf uur ’s middags. Hoewel dit vrij beperkt is, staat vast dat de geplande nieuwbouw ten noordwesten van de bestaande bebouwing komt te liggen, zodat niet valt in te zien dat het bouwplan een significant nadelig effect heeft op de bezonning van de bestaande bebouwing. Eisers hebben op basis van de tekening behorende bij het bezonningsonderzoek niet kunnen aangeven waar zij in het kader van bezonning een nadelig effect verwachten. In het onderhavige geval heeft verweerder dan ook in redelijkheid kunnen volstaan met een beperkt bezonningsonderzoek.

2.11 Ten aanzien van het door eisers ingenomen standpunt over de hellingbaan, overweegt de rechtbank dat de derde partij heeft aangegeven dat hij in overeenstemming met de omwonenden maatregelen zal treffen zodat het zicht op en vanaf de hellingbaan wordt ontnomen en geluid wordt beperkt. Gelet hierop heeft verweerder het belang van de derde partij bij het realiseren van de hellingbaan als voorzien in redelijkheid van doorslaggevend belang kunnen achten.

2.12 Ten aanzien van het standpunt van eisers dat het bouwplan een disproportionele vermindering van het uitzicht tot gevolg heeft, met name ten aanzien van het penthouse aan d[adres], overweegt de voorzieningenrechter als volgt. Verweerder heeft niet betwist dat het bouwplan een uitzicht als geïllustreerd op overgelegde impressiefoto ten gevolge heeft en erkent dat dit een forse verandering in het uitzicht is. Desalniettemin heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat, gelet op de maximale bebouwingsmogelijkheden op basis van de wijzigingsbevoegdheid, de verandering in het uitzicht ten opzichte van hetgeen het bestemmingsplan toestaat niet onredelijk kan worden geacht. Daarbij heeft verweerder in aanmerking genomen dat de woonkamer van het penthouse op het zuidwesten is georiënteerd en dat het uitzicht en lichtinval aan die kant niet ingrijpend veranderen. Verweerder heeft geconcludeerd dat het belang bij woningbouw in het centrum in het onderhavige geval zwaarder weegt dan het belang van individuele omwonenden bij voortzetting van hun woongenot.

2.13 Ter zitting is aan de hand van foto’s komen vast te staan dat de woonkamer van het penthouse – begrijpelijkerwijs - niet op het zuidwesten, maar het noordwesten is ingericht. Zoals ook uit de impressiefoto blijkt, verandert het uitzicht ten gevolge van het bouwplan ingrijpend en wordt aan de gehele noordwestzijde het uitzicht door een blinde muur ontnomen. Niet in geschil is dat de bewoner van het penthouse aan de zuidwestzijde uitzicht behoudt.

2.14 De voorzieningenrechter leidt uit de Centrumvisie en het Streekplan Noord-Holland Zuid af dat deze plannen voorzien in verdichting en intensivering van het grondgebruik binnen het stedelijk gebied. Geen van deze stukken echter schrijft een bouwplan met een dergelijke omvang, aantal woningen en invulling van het bouwvlak voor. Gesteld noch gebleken is dat verweerder is gehouden ter plaatse 65 woningen te realiseren. De derde partij heeft verweerder dit plan voorgelegd. Ter zitting heeft de derde partij gesteld, maar niet verder toegelicht, dat het bouwvlak geen andere bouwopties toelaat dan het bestreden bouwplan. Verweerder heeft desgevraagd ter zitting verklaard dat hij zich niet de vraag heeft gesteld of hij de vrijstelling zou weigeren omdat de gevolgen voor een omwonende zeer ingrijpend zijn, hetgeen in de praktijk zou neerkomen op een verzoek om aanpassing van het bouwplan. Het plan paste immers binnen de stedenbouwkundige randvoorwaarden en daarmee was de kous af zo begrijpt de voorzieningenrechter. Uit 2.6 komt naar voren dat bij de ruimtelijke onderbouwing slechts op de grote lijnen is gelet. Verweerder heeft er ter zitting nog op gewezen dat het penthouse ook met toepassing van artikel 19 WRO is gebouwd; de bewoner mocht er van uit gaan dat het gebouw naast hem ook weer op deze wijze zou worden gerealiseerd. Hiermee heeft verweerder de grief van eisers dat verweerder bij het verlenen van vrijstelling ervan blijk moet geven rekening te hebben gehouden met gerechtvaardigde belangen, niet weerlegd. Volgens vaste jurisprudentie hebben eisers geen recht op uitzicht. Dit neemt niet weg dat zij aanspraak hebben op een zorgvuldige besluitvorming. Het spreekt niet vanzelf dat het belang van eisers moet wijken voor het belang van de derde partij dat hij dit plan kan verwezenlijken. De voorzieningenrechter is van oordeel dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom hij vrijstelling heeft verleend voor dit bouwplan dat voor enkele omwonenden zulke ingrijpende gevolgen heeft.

2.15 Gelet op het vorenstaande komt het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking en zullen de beroepen gegrond worden verklaard.

2.16 Nu in de hoofdzaken wordt beslist, zal het verzoek om een voorlopige voorziening worden afgewezen.

2.17 Voorts bestaat aanleiding voor een proceskostenveroordeling ten aanzien van verweerder. De kosten worden aan de hand van het Besluit proceskosten bestuursrecht, in verband met samenhangende zaken, gesteld op € 874,- in verband met de voorlopige voorziening (1 punt voor het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, wegingsfactor 1) en € 437,- in verband met het beroep (1 punt voor het beroepschrift, wegingsfactor 1) voor door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.

3. Beslissing

De rechtbank:

3.1 verklaart de beroepen gegrond;

3.2 vernietigt het bestreden besluit van 4 december 2009;

3.3 veroordeelt verweerder in de proceskosten en draagt verweerder op € 874,- te betalen aan eisers in verband met het verzoek om een voorlopige voorziening en € 437,- in verband met de beroepen;

3.4 gelast dat verweerder het door eisers betaalde griffierecht van in totaal € 895,- aan hen vergoedt;

De voorzieningenrechter:

3.5 wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af;

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.C. Terwiel-Kuneman, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van R.I. ten Cate, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 13 oktober 2010.

afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag. Het hoger beroep dient te worden ingesteld door het indienen van een beroepschrift binnen zes weken onmiddellijk liggend na de dag van verzending van de uitspraak door de griffier.