Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2010:BO5340

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
20-08-2010
Datum publicatie
30-11-2010
Zaaknummer
15/740737-07
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Raadkamer
Inhoudsindicatie

raadkamer; artikel 15h Sr, verzoek om het bevel tot schorsing van de voorwaardelijke invrijheidsstelling op te heffen.

De meervoudige raadkamer van de rechtbank Haarlem wijst af het verzoek tot opheffing van de schorsing van de voorwaardelijke invrijheidstelling.

De rechtbank heeft in de in het verzoekschrift en bij deze behandeling in raadkamer geen argumenten vernomen die de rechter-commissaris niet in haar beslissing heeft betrokken. De (opnieuw) naar voren gebrachte argumenten dienen te worden onderzocht, maar daar is de behandeling door de meervoudige kamer op 2 september 2010 voor bedoeld. Deze argumenten geven naar het oordeel van de rechtbank geen grond voor de conclusie dat thans reeds blijkt dat verzoeker geen aan de voorwaardelijke invrijheidsstelling verbonden voorwaarde heeft geschonden. Ook overigens ziet de rechtbank geen termen om de schorsing van de voorwaardelijke invrijheidstelling op te heffen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector Strafrecht

Locatie Haarlem

Meervoudige raadkamer

VI-zaaknummer: 99-000020-21

Parketnummer: 15/740737-07

Datum beslissing: 20 augustus 2010

beschikking (art. 15h Sr.)

1. Ontstaan en loop van de procedure

Op 10 augustus 2010 is op de griffie van de rechtbank Haarlem ingekomen een verzoek, gedateerd 10 augustus 2010 van:

[verzoeker], verzoeker,

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

domicilie kiezende te Almelo, Kloosterhofpad 6, 7607 HK, ten kantore van mr. P.M. Breukink, advocaat.

Het verzoek strekt ertoe dat de rechtbank de schorsing van de voorwaardelijke invrijheidstelling van verzoeker opheft.

Op 18 augustus 2010 is dit verzoek in raadkamer behandeld.

Verzoeker is in persoon verschenen, bijgestaan door mr.Breukink, voornoemd.

Tevens was aanwezig de officier van justitie mr. M. Hollander.

Van het verhandelde ter zitting is afzonderlijk proces-verbaal opgemaakt. De inhoud daarvan wordt als hier ingelast beschouwd.

2. Beoordeling

Verzoeker is bij onherroepelijk geworden arrest van het gerechtshof te Amsterdam van 18 november 2008 veroordeeld tot –onder meer- een gevangenisstraf van 44 maanden met aftrek van voorarrest.

Op 1 februari 2010 is verzoeker voorwaardelijk in vrijheid gesteld.

Op 9 augustus 2010 is ter griffie ingekomen een vordering van de officier van justitie tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling van verzoeker, omdat hij zich niet aan de hem opgelegde bijzondere voorwaarden heeft gehouden. Deze vordering zal worden behandeld op de zitting van de meervoudige kamer van 2 september 2010.

Eveneens op 9 augustus 2010 heeft de rechter-commissaris in deze rechtbank de vordering van de officier van justitie van die datum tot schorsing van de voorwaardelijke invrijheidstelling van verzoeker toegewezen.

Thans ligt voor het verzoek om het bevel tot schorsing van de voorwaardelijke invrijheidstelling op te heffen.

Artikel 15h, lid 8, van het Wetboek van Strafrecht (WvS) bepaalt: Het bevel tot schorsing van de voorwaardelijke invrijheidstelling kan door de rechtbank worden opgeheven. Zij kan dit ambtshalve doen, op verzoek van de veroordeelde of op vordering van het openbaar ministerie. Blijkens de Memorie van Toelichting betreffende dit artikel dient deze bevoegdheid van de rechtbank niet als mogelijkheid van hoger beroep tegen de beslissing van de rechter-commissaris. Deze bevoegdheid heeft ten doel de opheffing van de schorsing van de voorwaardelijk invrijheidstelling mogelijk te maken in het geval de rechtbank daartoe termen aanwezig acht. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn als in de loop van de herroepingprocedure blijkt dat veroordeelde geen aan de voorwaardelijke invrijheidsstelling verbonden voorwaarde heeft geschonden, aldus de Memorie van Toelichting.

De rechtbank heeft in de in het verzoekschrift en bij deze behandeling in raadkamer geen argumenten vernomen die de rechter-commissaris niet in haar beslissing heeft betrokken. De (opnieuw) naar voren gebrachte argumenten dienen te worden onderzocht, maar daar is de behandeling door de meervoudige kamer op 2 september 2010 voor bedoeld. Deze argumenten geven naar het oordeel van de rechtbank geen grond voor de conclusie dat thans reeds blijkt dat verzoeker geen aan de voorwaardelijke invrijheidsstelling verbonden voorwaarde heeft geschonden. Ook overigens ziet de rechtbank geen termen om de schorsing van de voorwaardelijke invrijheidstelling op te heffen. Het verzoek dient derhalve te worden afgewezen.

3. Beslissing

De rechtbank:

Wijst het verzoek tot opheffing van de schorsing van de voorwaardelijke invrijheidstelling van verzoeker af.

4. Samenstelling raadkamer

Deze beschikking is gegeven op 20 augustus 2010 door:

mr. M.A.E. de Jong-Overtoom, voorzitter,

mrs. W.A.F. Jansen en J.N.A. Jolink, rechters

in tegenwoordigheid van J.A. Huismans, griffier,