Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2010:BO5291

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
11-11-2010
Datum publicatie
29-11-2010
Zaaknummer
469824 / CV EXPL 10-7526
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Arbeidszaak. Eiser vordert betaling van achterstallig loon en toekomstig loon wegens onregelmatig ontslag. Eiser stelt op 26 januari 2010 geen ontslag te hebben genomen en, indien hij de schijn zou hebben gewekt ontslag te willen nemen, dan is werkgever tekort geschoten als zorgvuldig werkgever doordat zij zich er niet van heeft vergewist of werknemer werkelijk ontslag wilde nemen.

Werkgever betwist de vordering en heeft ter onderbouwing van haar stellingen verklaringen van andere medewerkers over hetgeen op 26 januari 2010 is gepasseerd overgelegd.

De kantonrechter is van oordeel dat eiser niet heeft voldaan aan de op hem rustende stelplicht, nu hij heeft volstaan met niet nader onderbouwde ontkenningen terwijl zijn eigen verklaring voorts niet consistent is. Het moet er daarom voor gehouden worden dat hij op 26 januari 2010 op duidelijke en ondubbelzinnige wijze ontslag heeft genomen. Hij mag aan die verklaring gehouden worden omdat werkgever zich met redelijke zorgvuldigheid ervan heeft vergewist dat eiser het ontslag daadwerkelijk wilde, mede in het licht van de geestelijke toestand van eiser en de omstandigheden waaronder de verklaring werd afgelegd. De vordering wordt afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2010-0945
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector kanton

Locatie Haarlem

zaak/rolnr.: 469824 / CV EXPL 10-7526

datum uitspraak: 11 november 2010

VONNIS VAN DE KANTONRECHTER

[eiser]

te [woonplaats]

eiser

hierna te noemen [eiser]

gemachtigde mr. M.A.M. Ansink

tegen

SCHOONDERBEEK ELEKTRONICA SYSTEMEN B.V.

te Nieuw Vennep, gemeente Haarlemmermeer

gedaagde

hierna te noemen Schoonderbeek

gemachtigde mr. J.D. Uding

De procedure

[eiser] heeft Schoonderbeek op 21 mei 2010 gedagvaard. Schoonderbeek heeft schriftelijk geantwoord. De kantonrechter heeft bij tussenvonnis van een comparitie van partijen gelast, die heeft plaatsgevonden op 11 oktober 2010, waarbij de griffier aantekeningen heeft gemaakt van wat partijen verder naar voren hebben gebracht.

De feiten

1. [eiser] is op 22 juli 1998 bij Schoonderbeek in dienst getreden in de functie van productie/ assemblagemedewerker, tegen een salaris van (laatstelijk) € 2.312,00 bruto per maand exclusief vakantietoeslag.

2. Op 19 januari 2010 heeft [eiser] de door hem gedreven eenmanszaak Handigschooncentrale Haarlem doen inschrijven in het handelsregister van de Kamer van Koophandel.

3. Bij brief van 26 januari 2010 heeft [XXX], directeur van Schoonderbeek (hierna: [XXX]), onder meer het volgende aan [eiser] geschreven:

“Naar aanleiding van ons gesprek hedenmiddag waarin je aangaf een nieuwe uitdaging aan te willen gaan dmv een nieuw op te starten bedrijf bevestig ik je dan ook als volgt;

• Schoonderbeek Elektronica Systemen BV accepteert je ontslag per 01-02-2010.

• De opzegtermijn periode van 01-02-2010 t/m 28-02-2010 zal Schoonderbeek je salaris doorbetalen.

• De laatste werkdag zal vrijdag 29-01-2010 daarom zijn.”

4. Bij brief van 1 februari 2010 heeft de gemachtigde van [eiser] de ontslagname betwist.

5. Op 8 februari 2010 heeft [YYY], direct leidinggevende van [eiser], onder meer de volgende schriftelijke verklaring afgelegd:

“Op 26 Januari [...] kwam Dhr [XXX] op de produktie en riep Dhr [eiser] voor een gesprek. Nadat Dhr [eiser] terug was gekomen vertelde hij dat hij ontslag had genomen en dat Vrijdag zijn laatste dag was bij Schoonderbeek. De volgende dag heeft hij ons op gebak getrakteerd [...] De woensdagmiddag vroeg hij mij of hij vrij mocht omdat hij nog wat dingen moest regelen voor zijn eigen bedrijf [..]”

6. [ZZZ], medewerker van Schoonderbeek, heeft onder meer het volgende schriftelijk verklaard:

“Hierbij verklaar ik [...] dat op 26 Januari 2010 om 16.00 meneer [eiser] aan mij en mijn collega’s heeft aangegeven dat meneer [eiser] ontslag heeft genomen, dat meneer [eiser] per 1 Februari niet meer bij Schoonderbeek Elektronica zou komen werken. Meneer heeft op woensdag 27 Januari om deze redenen gebak gedeel als afscheid [...].”

7. Op 8 februari 2010 heeft [eiser] bij de politie aangifte gedaan van bedreiging door [XXX] en drie collega’s. Het proces-verbaal van aangifte luidt onder meer als volgt:

“Op donderdag 4 februari 2010, omstreeks 20.00 uur werd er aangebeld bij mijn woning. Toen ik de deur van woning opendeed, zag ik vier personen voor de woning staan. Ik herkende drie personen. [...] mijn collega [YYY] [...] mijn collega[BBB] en [...] mijn collega[CCC]. Ik zag dat achter[BBB] de vierde persoon staan. Ik zag dat deze persoon een capuchon over zijn hoofd droeg [...] Ik hoorde [YYY] zeggen: ‘vuile kut neger, we gaan je pakken. We gaan er voor zorgen dat je niet meer in leven bent [...].’ Vervolgens hoorde ik de man met de capuchon zeggen: ‘[...] Ik ga je vermoorden, ik ga je opruimen. [...].’ Ik herkende deze stem, deze stem was van meneer [XXX]”

Deze aangifte heeft niet geleid tot vervolging van [XXX] en de drie collega’s.

8. Op 9 februari 2010 heeft[BBB], medewerker van Schoonderbeek, een schriftelijke verklaring afgelegd met onder meer de volgende inhoud:

“Wat er precies is besproken weet ik natuurlijk niet, maar bij terugkomst vertelde [eiser] aan iedereen dat hij per direct (1 februari) ontslag had genomen [...] Woensdag heeft hij gebak getrakteerd en in de kantine verteld van zijn nieuwe uitdaging. Die middag is hij eerder weggegaan [...] om nog een aantal zaken te regelen. Donderdag vertelde hij enthousiast over het bedrijf, de website, de auto die hij had gekocht [...].”

9. Op 9 februari 2010 heeft [CCC], medewerker van Schoonderbeek, onder meer de volgende schriftelijke verklaring opgesteld:

“[eiser]heeft mij al geruime tijd geleden verteld over zijn plannen om een eigen schoonmaak bedrijf over te nemen om voor zichzelf te gaan beginnen. [...] Enige weken later is hij naar mijn werkgever [XXX] gegaan om zijn plannen bekend te maken [...] Op dinsdag 26 januari kwam mijn werkgever rond 16:00 uur op de werkvloer om [eiser] apart te roepen [...] Een half uur later kwam [eiser] terug met het nieuws dat hij zijn werkzaamheden bij Schoonderbeek ging stoppen [...] Hij zei dat ze overeen waren gekomen dat hij [...] per maandag 1 februari niet meer voor Schoonderbeek zou werken. De volgende dag, woensdag 27 januari, is hij nog gebak gaan halen om met ons te vieren dat hij voor zichzelf ging beginnen.”

10. Bij brief van 11 februari 2010 heeft [XXX] aan de toenmalige gemachtigde van [eiser] geschreven:

“Het gesprek tussen de heer [eiser] en ondergetekende heeft wel degelijk plaatsgevonden. De heer [eiser] heeft tijdens dit gesprek de arbeidsovereenkomst mondeling opgezegd. Zijn opzegging liet aan duidelijk niets te wensen over. Hij had blijkbaar goed nagedacht over zijn besluit te stoppen met werken voor Schoonderbeek en deed dit niet in een opwelling. Hij heeft kenbaar al een tijdje een eigen bedrijf en de werkzaamheden voor dit bedrijf namen steeds meer van zijn tijd in beslag, reden waarom hij de arbeidsovereenkomst met ons bedrijf wilde eindigen. Na de mededeling van de heer [eiser] heb ik de door ons gemaakte afspraken op papier gezet en vervolgens aan de heer [eiser] voorgelezen, die op dat moment bevestigde dat ik de gemaakte afspraken juist had weergegeven. Vervolgens hebben wij elkaar de hand geschud. Omdat we op een plezierige manier uit elkaar wilden gaan, hebben we afgesproken dat de heer [eiser] op zijn verzoek niet aan de opzegtermijn van een maand zou worden gehouden en per 1 februari 2010 onze onderneming zou mogen verlaten. Het salaris over de opzegtermijn zou dan als buffer voor zijn eigen onderneming worden nabetaald.”

11. Op 9 maart 2010 heeft de gemachtigde van Schoonderbeek aan de politie medegedeeld dat Schoonderbeek aangifte wenst te doen van valse aangifte door [eiser]. Op 25 mei 2010 hebben voornoemde [CCC], [BBB], [AAA] en [XXX] aangifte tegen [eiser] ter zake valse aangifte.

12. Bij vonnis van 24 maart 2010 is de vordering van [eiser] tot doorbetaling van loon door de kantonrechter in kort geding afgewezen omdat naar het voorlopig oordeel van de kantonrechter voldoende aannemelijk was geworden dat [eiser] zelf ontslag had genomen.

De vordering

[eiser] vordert (samengevat) veroordeling van Schoonderbeek tot betaling aan [eiser] van het salaris ad € 4.624,- bruto over de periode 1 maart tot en met 30 april 2010 te vermeerderen met de verhoging ex artikel 7:625 BW en te vermeerderen met de wettelijke rente en tot betaling van € 2.312,- bruto voor iedere maand na 1 mei 2010 tot aan het rechtsgeldig einde van de arbeidsovereenkomst. [eiser] legt aan zijn vordering het volgende ten grondslag.

[eiser] heeft geen ontslag genomen op 26 januari 2010. Op vrijdag 29 januari 2010 heeft [XXX] hem de brief van 26 januari 2010 ter ondertekening aangeboden. [eiser] heeft geweigerd die brief de ondertekenen, waarna hij door [XXX] naar huis is gestuurd. [eiser] zelf heeft geen ondubbelzinnige verklaring gericht op beëindiging van de arbeidsovereenkomst afgelegd. Voor zover [eiser] al de schijn zou hebben gewekt ontslag te willen nemen, dan is Schoonderbeek tekort geschoten als zorgvuldig werkgever doordat zij zich er niet van heeft vergewist of [eiser] werkelijk ontslag wilde nemen. [eiser] heeft de nadelige consequenties niet overzien en het is in strijd met de redelijkheid en billijkheid om hem aan het ontslag te houden.

Het verweer

Schoonderbeek betwist de vordering en voert daartoe, kort samengevat, het volgende aan.

[eiser] heeft op zeker moment aan Schoonderbeek doen weten in plaats van vijf dagen vier dagen te willen werken, omdat hij meer tijd wilde besteden aan zijn nieuwe bedrijf. In de middag van dinsdag 26 januari 2010 heeft [XXX] [eiser] uitgelegd dat dit niet mogelijk was. Daarop heeft [eiser] gezegd dat hem dan niets anders restte dan ontslag nemen. [XXX] heeft het ontslag van [eiser] geaccepteerd en partijen hebben vervolgens over de implicaties ervan gesproken. Omdat [eiser] aangaf per 1 februari 2010 direct aan de slag te willen gaan met zijn bedrijf, heeft Schoonderbeek hem niet aan zijn opzegtermijn van één maand willen houden. Zij heeft hem aangeboden het salaris over februari 2010 als financiële buffer mee te geven.

[eiser] heeft die middag aan zijn collega’s verteld dat hij per 1 februari 2010 niet meer bij Schoonderbeek werkzaam zou zijn. De volgende dag, 27 januari 2010, heeft [eiser] zijn collega’s tijdens de koffiepauze getrakteerd op gebak en heeft hij ’s middags vrij genomen om een auto voor zijn nieuwe bedrijf te gaan bekijken.

Op 29 januari 2010 is [eiser], zonder opgave van redenen, niet op het werk verschenen.

[eiser] heeft in strijd met de waarheid aangifte gedaan van bedreiging door [XXX] en drie van zijn collega’s. [XXX] noch een van de drie door [eiser] genoemde collega’s heeft zich daaraan schuldig gemaakt. Niet alleen waren de betrokken personen zeer aangeslagen door de ernstige verwijten die [eiser] ten onrechte aan hun adres heeft gericht, maar de valse aangifte maakt ook duidelijk dat [eiser] geen enkele terughoudendheid betracht om in strijd met de waarheid te verklaren.

[eiser] heeft derhalve duidelijk en ondubbelzinnig het dienstverband beëindigd en hij had ten tijde van de opzegging ook de wil daartoe. Schoonderbeek heeft zich met redelijke zorgvuldigheid ervan vergewist dat [eiser] het ontslag daadwerkelijk wilde en ook over de gevolgen daarvan met [eiser] gesproken. Derhalve kan [eiser] aan de opzegging worden gehouden, te meer nu vervolgens door de valse aangifte de verhoudingen ook volledig verstoord zijn geraakt.

De beoordeling

1. Vast staat dat bij de beëindiging van de arbeidsovereenkomst (per 1 februari 2010) niet de daarvoor geldende opzegtermijn in acht is genomen, dat er geen dringende reden voor ontslag was en dat het UWV werkbedrijf ook geen toestemming voor dit ontslag had gegeven. In die zin is het ontslag onregelmatig. Dit wordt door Schoonderbeek ook niet betwist.

2. Schoonderbeek stelt echter dat [eiser] zelf de arbeidsovereenkomst tegen 1 februari 2010 heeft opgezegd, waarmee Schoonderbeek akkoord is gegaan. Schoonderbeek heeft die opzegging door [eiser] ook schriftelijk aan hem bevestigd. Ter nadere onderbouwing van haar stellingen, heeft Schoonderbeek verklaringen overgelegd van niet alleen de leidinggevende van [eiser] bij wie [eiser] heeft opgezegd, maar ook van diverse collega’s. Uit deze, steeds in eigen bewoordingen opgestelde verklaringen volgt dat [eiser] op dinsdag 26 januari 2010 een gesprek had met zijn leidinggevende [XXX], dat hij daarna aan zijn collega’s meedeelde dat hij ontslag had genomen in verband met het opstarten van zijn eigen bedrijf, dat op woensdag op taart heeft getrakteerd in verband met zijn vertrek, dat hij die middag heeft vrijgenomen voor het uitzoeken van een auto, dat hij donderdag nog is komen werken en dat hij op zijn laatste werkdag, de vrijdag, niet meer is verschenen.

3. [eiser] ontkent de door Schoonderbeek gestelde gang van zaken: hij heeft geen taart getrakteerd, hij heeft geen vrij genomen voor het uitzoeken een auto, en aan hem zijn op vrijdag 29 januari (of op dinsdag 26 januari want op dat punt is zijn verklaring niet consistent) toen hij kwam werken, één of twee brieven (ook op dit punt wisselen de verklaringen van [eiser]) door Schoonderbeek overhandigd waarin zijn ontslagneming bevestigd werd. De ontkenningen van [eiser] zijn niet nader onderbouwd, hetgeen in het licht van Schoonderbeek heeft aangevoerd en aan verklaringen heeft overgelegd, wel van hem mocht worden verlangd, mede gelet op de omstandigheid dat [eiser] vier van zijn collega’s heeft beschuldigd van bedreiging (en daarvan aangifte heeft gedaan), terwijl die beschuldiging aantoonbaar onjuist was. Het overleggen van de brief van de Starterscentrale waaruit volgt dat het bedrijf van [eiser] zich ten tijde van het ontslag nog in de opstartende fase bevond, kan niet worden beschouwd als een voldoende onderbouwing van de stellingen van [eiser]. Daaruit blijkt immers niet wat er zich op 26 januari en de daarop volgende dagen bij Schoonderbeek heeft afgespeeld. Voorts is in de brief vermeld dat [eiser] zijn werkgever als eerste waardeert, wat niet aansluit op zijn stelling dat hij altijd is gepest bij Schoonderbeek.

4. De conclusie is dan ook dat daar waar Schoonderbeek haar stellingen deugdelijk heeft onderbouwd door het overleggen van consistente verklaringen van andere medewerkers over hetgeen is gepasseerd, [eiser] heeft volstaan met niet nader onderbouwde ontkenningen terwijl zijn eigen verklaring voorts niet consistent is. [eiser] heeft dan ook niet voldaan aan de op hem rustende stelplicht zodat het ervoor gehouden moet worden dat hij op 26 januari 2010 op duidelijke en ondubbelzinnige wijze ontslag heeft genomen en hij aan die verklaring ook gehouden mag worden omdat Schoonderbeek zich met redelijke zorgvuldigheid ervan heeft vergewist dat [eiser] het ontslag daadwerkelijk wilde mede in het licht van de geestelijke toestand van [eiser] en de omstandigheden waaronder de verklaring werd afgelegd. De vordering zal dan ook worden afgewezen.

5. De proceskosten komen voor rekening van [eiser] omdat deze in het ongelijk wordt gesteld.

De beslissing

De kantonrechter:

- wijst de vordering af;

- veroordeelt [eiser] tot betaling van de proceskosten, die aan de kant van Schoonderbeek tot en met vandaag worden begroot op € 600,00 aan salaris gemachtigde.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.J. Dijk, bijgestaan door M. Perukel, griffier, en uitgesproken op de openbare terechtzitting van bovengenoemde datum.