Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2010:BO5282

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
23-11-2010
Datum publicatie
29-11-2010
Zaaknummer
AWB 10/5475
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Sluiting growshop Haarlem ogv artikel 13b Opiumwet omdat in de growshop de start plaatsvindt van de verkoop van grote hoeveelheden hennepstekken met een professioneel, bedrijfsmatig en structureel karakter. Verzoek om een voorlopige voorziening afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 10 - 5475

uitspraak van de voorzieningenrechter van 23 november 2010

in de zaak van:

Interpolm Haarlem B.V.,

gevestigd te Haarlem,

verzoekster,

gemachtigde: mr. D.E.J. Maes, advocaat te Haarlem,

tegen:

de burgemeester van Haarlem,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 7 oktober 2010 heeft verweerder growshop Interpolm Haarlem B.V., gevestigd op het perceel [adres], met onmiddellijke ingang gesloten.

Tegen dit besluit heeft verzoekster bij brief van 19 oktober 2010 bezwaar gemaakt. Bij brief van 20 oktober 2010 is tevens verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Het verzoek is behandeld ter zitting van 12 november 2010, alwaar verzoekster werd vertegenwoordigd door haar gemachtigde en [namen], bestuurders van de growshop. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. R. Braeken en drs. J.A.M. Lubbers, beiden werkzaam bij de gemeente Haarlem.

2. Overwegingen

2.1 Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, Awb kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen, indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Daarbij komt aan de orde de vraag of het waarschijnlijk is dat het bestreden besluit na de behandeling van het bezwaar in stand zal kunnen blijven. Voor zover deze toetsing een beoordeling van de hoofdzaak meebrengt, is dat oordeel voorlopig van aard.

2.2 Ingevolge artikel 3, onder b, van de Opiumwet is het verboden een middel als bedoeld in de bij deze wet behorende lijst II dan wel aangewezen krachtens artikel 3a, vijfde lid, te telen, bereiden, te bewerken, te verwerken, te verkopen, af te leveren, te verstrekken of te vervoeren.

2.3 Ingevolge artikel 13b, eerste lid, van de Opiumwet is de burgemeester bevoegd tot toepassing van bestuursdwang indien in voor het publiek toegankelijke lokalen en daarbij behorende erven een middel als bedoeld in lijst I of II wordt verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig is.

2.4 De onderhavige lokaliteit heeft vergunning voor het exploiteren van een growshop ingevolge artikel 74B van de Algemene Plaatselijke Verordening. Op 30 september 2010 is door medewerkers van de Regiopolitie Kennemerland, naar aanleiding van een ingesteld onderzoek, in deze lokaliteit een inval gedaan. Uit het vervolgonderzoek is gebleken dat in, rondom en/of vanuit het onderhavige bedrijf middelen als bedoeld in lijst I of II van de Opiumwet zijn verkocht, afgeleverd of verstrekt dan wel daartoe aanwezig zijn. Verweerder heeft hierin aanleiding gezien de lokaliteit met onmiddellijke ingang te sluiten. Verweerder heeft de motivering van het besluit op 3 november 2010 op schrift gesteld en daarbij bepaald dat de growshop zal worden gesloten voor een termijn van 6 maanden.

2.5 Verweerder heeft het bestreden besluit genomen met inachtneming van de ‘Beleidsregels Handhaving Opiumwet’ waarin is bepaald dat lokalen worden gesloten voor de duur van zes maanden indien daar middelen als bedoeld in Lijst II worden verkocht, afgeleverd, verstrekt dan wel daartoe aanwezig zijn. Het belang van verzoekster bij voortzetting van de exploitatie heeft verweerder minder zwaar laten wegen dan het belang van handhavend optreden uit oogpunt van onder meer de bescherming van de openbare orde.

2.6 Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen, op basis van de op 3 november 2010 gegeven motivering van het besluit en de daaraan ten grondslag liggende stukken, zoals ter zitting door verweerder toegelicht, dat in de growshop de start plaatsvindt van de verkoop van grote hoeveelheden hennepstekken met een professioneel, bedrijfsmatig en structureel karakter. Daarbij is van belang de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 6 augustus 2003 in de zaak nr. 200300737, waarin de Afdeling heeft bepaald dat onder verkoop in het kader van artikel 13b van de Opiumwet wordt verstaan het totaal aan handelingen dat rechtstreeks tot de overdracht van het verkochte leidt en voorts dat met voornoemd artikel wordt beoogd ook de verkoop van softdrugs vanuit lokalen tegen te gaan zonder dat de softdrugs in dat lokaal aanwezig zijn. Verweerder heeft zich derhalve voor wat betreft de sluiting van de lokaliteit kunnen baseren op artikel 13b van de Opiumwet.

Verzoeksters enkele stelling dat er geen sprake van is dat in, rondom en/of vanuit het bedrijf middelen als bedoeld in lijst I of II van de Opiumwet zijn verkocht, afgeleverd, of verstrekt dan wel daartoe aanwezig zijn, leidt, gelet op de onderzoeksgegevens, niet tot een ander oordeel.

2.7 Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft verweerder in de gevolgen van het besluit voor de vier betrokken gezinnen geen bijzondere omstandigheden hoeven zien om van handhavend optreden af te zien. Aan de sluiting op grond van de van toepassing zijnde wettelijke bepalingen is inherent dat de exploitanten worden getroffen in de omzet en de inkomsten uit de onderneming, waardoor in dit geval vier gezinnen financieel nadeel ondervinden. Uit de motivering van het besluit van 3 november 2010 blijkt dat verweerder het belang van verzoekster om de exploitatie van

de inrichting te kunnen voortzetten heeft afgewogen tegen het belang van de openbare orde. Er is geen grond voor het oordeel dat verweerder na afweging van de betrokken belangen in redelijkheid niet tot het besluit heeft kunnen komen.

2.8 Verzoeksters stelling dat het rechtshulpverzoek uit België een foute grondslag zou hebben, raakt niet de rechtmatigheid van het bestreden besluit.

2.9 Uit het voorgaande volgt dat de vraag of het waarschijnlijk is dat het bestreden besluit na de behandeling van het bezwaar in stand zal kunnen blijven positief beantwoord dient te worden.

2.10 Onder voornoemde omstandigheden bestaat er geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening. Het verzoek daartoe wordt derhalve afgewezen.

2.11 Voor een proceskostenveroordeling zijn geen termen aanwezig.

3. Beslissing

De voorzieningenrechter:

wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Janse van Mantgem, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van M.J.E. de Jong, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 23 november 2010.

afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.