Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2010:BO5096

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
18-11-2010
Datum publicatie
25-11-2010
Zaaknummer
15-710329-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Artikel 245, seksueel binnendringen bij iemand beneden de 16 jaar, ontbreken van het ontuchtig karakter aan de gepleegde handelingen.

De rechtbank overweegt hierover dat uit de wetsgeschiedenis betreffende artikel 245 Wetboek van Strafrecht en de over dit artikel verschenen jurisprudentie (recentelijk Hoge Raad 9 februari 2010) blijkt, dat hoewel het afwegen van het beschermingsbeginsel en het seksuele zelfbeschikkingsrecht bij twaalf tot zestienjarigen bijzonder moeilijk is, beoogd is deze jeugdige personen ten aanzien van misdrijven tegen de zeden een zo doeltreffend mogelijke strafrechtelijke bescherming te geven. Hieruit volgt dat deze bepaling ook de strekking heeft deze jeugdige personen te beschermen tegen verleidingen die mede van hen zelf kunnen uitgaan.

Hierbij geldt wel dat personen tussen de twaalf en zestien jaar niet in alle opzichten als weerloos kunnen worden beschouwd en dat zich omstandigheden kunnen voordoen, bijvoorbeeld bij gering leeftijdsverschil, dat feiten als hier bedoeld niet zonder meer als ontuchtig kunnen worden aangemerkt. De rechtbank acht deze omstandigheden in casu echter niet aanwezig, nu tussen verdachte [slachtoffer]achtoffer] een leeftijdsverschil van tien jaren bestond, zij in zeer verschillende levensfasen verkeerden, namelijk die van een middelbare scholier en een volwassen, werkende man en sprake was van een sterke afhankelijkheidsrelatie doordat [slachtoffer] in een bijzonder moeilijke thuissituatie verkeerde en steun zocht bij verdachte. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de door verdachte uitgevoerde handelingen wel degelijk als ontuchtig dienen te worden aangemerkt. Ten overvloede merkt de rechtbank op dat wat er ook zij van de door verdachte verwoorde “toestemming” voor de relatie, gegeven door de moeder van [slachtoffer], dit het wettelijk verbod op het plegen van ontuchtige handelingen met een minderjarige onder de zestien jaren vanzelfsprekend niet teniet doet en dit niet het ontuchtige karakter aan de gepleegde handelingen ontneemt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector Strafrecht

Locatie Haarlem

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/710329-09

Uitspraakdatum: 18 november 2010

Tegenspraak

Strafvonnis

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van

4 november 2010 in de zaak tegen:

[verdachte],

[geboortedatum] te Haarlem,

ingeschreven te [adres].

1. Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op een of meer tijdstippen gelegen in of omstreeks de periode van 13 maart 2009 tot en met 09 juli 2009 te Haarlem en/of IJmuiden, gemeente Velsen, met de dertien jarige [slachtoffer] die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, een of meer ontuchtige handeling(en) heeft gepleegd, die bestond(en) uit of mede bestond(en) uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer], hebbende verdachte

- een of meermalen die [slachtoffer] een tongzoen gegeven en/of

- (eenmaal) die [slachtoffer] gevingerd en/of zijn vinger(s) in de vagina van die [slachtoffer] geduwd/gebracht en/of heen en weer bewogen en/of

- een of meermalen, althans zevenmaal, zijn penis in de vagina van die [slachtoffer] geduwd/gebracht en/of heen en weer bewogen en/of

- een of meermalen die [slachtoffer] zijn penis in haar mond laten nemen en/of (vervolgens) daaraan laten zuigen en/of

- een of meermalen die [slachtoffer] zijn penis in haar hand laten nemen en/of (vervolgens) daaraan laten trekken.

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit en heeft gevorderd dat verdachte ter zake zal worden veroordeeld tot een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van drie maanden met daaraan verbonden een proeftijd voor de duur van twee jaren, alsmede een taakstraf in de vorm van een werkstraf voor de duur van 200 uren, subsidiair 100 dagen vervangende hechtenis.

4. Bewijs

4.1. Redengevende feiten en omstandigheden

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van de in de tenlastelegging opgenomen pleegplaatsen, pleegperiode, leeftijd van [slachtoffer], feitelijke handelingen en het feit dat deze plaatsvonden buiten echt, op grond van de navolgende bewijsmiddelen waarbij de rechtbank - nu verdachte met betrekking tot deze onderdelen een bekennende verdachte is - zal volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen, te weten:

-de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting afgelegd;

-het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer] d.d. 17 augustus 2009, dossierpagina 33-36 en

-het in de wettelijke vorm opgemaakte proces-verbaal van de ten overstaan van de rechter-commissaris, belast met de behandeling van strafzaken in deze rechtbank, afgelegde verklaring van [slachtoffer] d.d. 18 mei 2010.

4.2 Bewijsoverweging met betrekking tot het ontuchtige karakter van de handelingen

Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat hoewel hij ten tijde van zijn relatie met [slachtoffer] wist dat hetgeen tussen hen voorviel in strijd is met de wet, al hetgeen tussen hen beiden is voorgevallen op vrijwillige basis plaatsvond, dat het initiatief van beide kanten kwam en dat alles is gebeurd uit liefde voor elkaar. Bovendien heeft verdachte verklaard dat hoewel hij in het begin van de relatie eigenlijk vond dat “het niet kon”, gelet op het grote leeftijdsverschil, dit gevoel werd weggenomen doordat verdachte, naar eigen zeggen, toestemming voor de relatie had gekregen van de moeder van [slachtoffer] en hij dus met goedkeuring van de moeder van [slachtoffer] heeft gehandeld.

Door de raadsman van verdachte is dit standpunt bij pleidooi zodanig vertaald, dat hij heeft bepleit dat verdachte dient te worden vrijgesproken van het ten laste gelegde, doordat het ontuchtig karakter ontbreekt aan de gepleegde handelingen.

De rechtbank overweegt hierover dat uit de wetsgeschiedenis betreffende artikel 245 Wetboek van Strafrecht en de over dit artikel verschenen jurisprudentie (recentelijk Hoge Raad 9 februari 2010) blijkt, dat hoewel het afwegen van het beschermingsbeginsel en het seksuele zelfbeschikkingsrecht bij twaalf tot zestienjarigen bijzonder moeilijk is, beoogd is deze jeugdige personen ten aanzien van misdrijven tegen de zeden een zo doeltreffend mogelijke strafrechtelijke bescherming te geven. Hieruit volgt dat deze bepaling ook de strekking heeft deze jeugdige personen te beschermen tegen verleidingen die mede van hen zelf kunnen uitgaan.

Hierbij geldt wel dat personen tussen de twaalf en zestien jaar niet in alle opzichten als weerloos kunnen worden beschouwd en dat zich omstandigheden kunnen voordoen, bijvoorbeeld bij gering leeftijdsverschil, dat feiten als hier bedoeld niet zonder meer als ontuchtig kunnen worden aangemerkt. De rechtbank acht deze omstandigheden in casu echter niet aanwezig, nu tussen verdachte [slachtoffer]achtoffer] een leeftijdsverschil van tien jaren bestond, zij in zeer verschillende levensfasen verkeerden, namelijk die van een middelbare scholier en een volwassen, werkende man en sprake was van een sterke afhankelijkheidsrelatie doordat [slachtoffer] in een bijzonder moeilijke thuissituatie verkeerde en steun zocht bij verdachte. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de door verdachte uitgevoerde handelingen wel degelijk als ontuchtig dienen te worden aangemerkt. Ten overvloede merkt de rechtbank op dat wat er ook zij van de door verdachte verwoorde “toestemming” voor de relatie, gegeven door de moeder van [slachtoffer], dit het wettelijk verbod op het plegen van ontuchtige handelingen met een minderjarige onder de zestien jaren vanzelfsprekend niet teniet doet en dit niet het ontuchtige karakter aan de gepleegde handelingen ontneemt.

4.3 Bewezenverklaring

Gezien het bovenstaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, in dier voege dat:

hij op tijdstippen gelegen in de periode van 13 maart 2009 tot en met 9 juli 2009 te Haarlem en IJmuiden, gemeente Velsen, met de dertienjarige [slachtoffer], die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren had bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen heeft gepleegd, die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer], hebbende verdachte

- meermalen die [slachtoffer] een tongzoen gegeven en

- die [slachtoffer] gevingerd en zijn vinger(s) in de vagina van die [slachtoffer] gebracht en heen en weer bewogen en

- meermalen zijn penis in de vagina van die [slachtoffer] gebracht en heen en weer bewogen en

- meermalen die [slachtoffer] zijn penis in haar mond laten nemen en vervolgens daaraan laten zuigen en

- meermalen die [slachtoffer] zijn penis in haar hand laten nemen en vervolgens daaraan laten trekken.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, leest de rechtbank de tenlastelegging verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

Hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

5. Strafbaarheid van het feit

Het bewezen verklaarde is strafbaar en levert op:

met iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam.

6. Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dus strafbaar.

7. Motivering van de sanctie

Bij de beslissing over de sanctie die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van verdachte zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting en uit de bespreking aldaar van het vanwege de Reclassering Nederland uitgebrachte rapport van 28 januari 2010 is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich gedurende een periode van bijna vier maanden schuldig gemaakt aan het meermalen plegen van ontuchtige handelingen, mede bestaand uit het seksueel binnendringen van het lichaam, met zijn destijds dertienjarige overbuurmeisje [slachtoffer], die wegens haar problematische achtergrond en thuissituatie in een zeer kwetsbare positie verkeerde. Weliswaar is uit het dossier genoegzaam gebleken dat verdachte en slachtoffer een affectieve relatie hadden, het slachtoffer ook zelf toenadering tot verdachte heeft gezocht en het slachtoffer tijdens de relatie veel steun ondervond van verdachte, maar verdachte had zich moeten onthouden van het plegen van seksuele handelingen met het slachtoffer gelet op het aanzienlijke leeftijdsverschil tussen hen beiden, het gegeven dat zij in zeer verschillende levensfasen verkeerden en er sprake was van een afhankelijkheidsrelatie. Dat verdachte dat niet gedaan heeft en blijkens het verhandelde ter terechtzitting ook thans nog niet het strafwaardige van zijn handelen inziet, rekent de rechtbank verdachte aan.

Op grond van het vorenoverwogene is de rechtbank van oordeel dat een taakstraf in de vorm van een werkstraf van na te noemen aantal uren moet worden opgelegd. Hoewel de rechtbank evenals de officier van justitie van oordeel is dat een deels voorwaardelijke straf opgelegd dient te worden om hem er van te weerhouden zich opnieuw aan een strafbare feit schuldig te maken, is de rechtbank van oordeel dat voor een voorwaardelijke gevangenisstraf geen aanleiding bestaat. De rechtbank zal dan ook bepalen dat een gedeelte van de op te leggen taakstraf, die hoger is dan door de officier van justitie gevorderd, vooralsnog niet ten uitvoer zal worden gelegd en zal daaraan een proeftijd verbinden van twee jaren opdat verdachte er tijdens die proeftijd van wordt weerhouden strafbare feiten te begaan.

8. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

artikel 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d en 245 van het Wetboek van Strafrecht.

9. Beslissing

De rechtbank:

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 4.3 weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezen verklaarde feit het volgende strafbare feit oplevert: met iemand die de leeftijd van twaalf jaren maar nog niet die van zestien jaren heeft bereikt, buiten echt, ontuchtige handelingen plegen die mede bestaan uit het seksueel binnendringen van het lichaam.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot het verrichten van 240 (tweehonderdveertig) uren taakstraf in de vorm van een werkstraf, bij het niet naar behoren verrichten te vervangen door 120 (honderdtwintig) dagen hechtenis, met bevel dat een gedeelte groot 100 (honderd) uren, bij niet naar behoren verrichten te vervangen door 50 (vijftig) dagen hechtenis, niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat verdachte zich voor het einde van de op twee jaar bepaalde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het thans onvoorwaardelijk opgelegde gedeelte van de taakstraf in mindering wordt gebracht, met dien verstande dat voor elke dag die verdachte in verzekering heeft doorgebracht twee uren taakstraf, subsidiair één dag vervangende hechtenis, in mindering wordt gebracht.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. A.C.M. Rutten, voorzitter,

mrs. A.A.F. Donders en T. van Muijden, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. P. de Mos,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 18 november 2010.

mr. Van Muijden is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.