Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2010:BO4334

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
15-11-2010
Datum publicatie
17-11-2010
Zaaknummer
15/700510-10, 15/680127-09, 17/755272-08 en 15/710540-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

promis; diefstal met geweld; diefstal met geweld in vereniging; heling van een fiets; opzetheling.

Verdachte heeft zich samen met zijn medeverdachte schuldig gemaakt aan diefstal voorafgegaan van geweld tegen een jongen in een park. Verdachte en zijn medeverdachte hebben het slachtoffer, die had laten zien dat hij geld bij zich had, verzocht om met hen mee te lopen naar het Staten Bolwerk. Aldaar heeft de medeverdachte het slachtoffer vanuit het niets een slag op de kaak gegeven, waarna het slachtoffer onmiddellijk neerging en de verdachten zijn persoonlijke eigendommen hebben weggenomen. Een dergelijke strafbaar feit is zeer ernstig nu verdachte en zijn medeverdachte zich louter hebben laten leiden door hun eigen behoeften en zich geen moment hebben bekommerd om het slachtoffer. Naast de materiële schade die de slachtoffers van dergelijke feiten hierdoor lijden vanwege de goederen die zij kwijt zijn geraakt, laten dit soort feiten vaak diepe sporen na in het emotionele welzijn van de slachtoffers, zoals blijkt uit de vordering van de benadeelde partij en de daaraan toegevoegde slachtofferverklaring waarin hij de gevolgen van dit feit uiteen heeft gezet. Daarnaast brengen dergelijke feiten gevoelens van onrust en onveiligheid met zich voor de samenleving in het algemeen. Voorts blijkt het slachtoffer een autistische stoornis te hebben. De rechtbank rekent het verdachte en zijn medeverdachte zwaar aan dat zij een kwetsbaar persoon als slachtoffer hebben gekozen, teneinde in hun eigen behoeften te kunnen voorzien.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector Strafrecht

Locatie Haarlem

Meervoudige strafkamer

Parketnummers: 15/700510-10, 15/680127-09 (tul), 17/755272-08 (tul) en 15/710540-10 (ttz gevoegd)

Uitspraakdatum: 15 november 2010

Tegenspraak

Strafvonnis

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 1 november 2010 in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te Haarlem,

wonende te [adres],

thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Haarlem.

1. Tenlastelegging

Aan verdachte is, bij afzonderlijke dagvaardingen (15/700510-10: feit 1 primair en 1 subsidiair en 15/710540-10) ten laste gelegd dat:

Feit 1 primair:

hij op of omstreeks 06 mei 2010 te Haarlem tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen

- een geldbedrag van 250,- euro en/of

- een mobiele telefoon van het merk Sony type Ericsson W995 en/of

- een sleutelbos en/of

- een pakje shag en/of

- een of meerdere sleutels,

in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s), welke diefstal werd voorafgegaan en/of vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen die [slachtoffer], gepleegd met het oogmerk om die diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om bij betrapping op heterdaad aan zichzelf en/of aan zijn mededader(s) hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, welk geweld en/of welke bedreiging met geweld hierin bestond(en) dat

hij en/of zijn mededader(s) die [slachtoffer] eenmaal of meermalen met kracht op/tegen het gezicht, althans tegen het lichaam heeft/hebben geslagen en/of gestompt.

Feit 1 subsidiair:

hij op of omstreeks 06 mei 2010 te Haarlem tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen

- een geldbedrag van 250,- euro en/of

- een mobiele telefoon van het merk Sony type Ericsson W995 en/of

- een sleutelbos en/of

- een pakje shag en/of

- een of meerdere sleutels,

in elk geval enig goed, geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer], in elk geval aan een ander of anderen dan aan verdachte en/of zijn mededader(s).

Ten aanzien van parketnummer 15/710540-10:

hij op een of meerdere tijdstippen in of omstreeks de periode van 13 juli 2005 tot en met 12 juli 2010 te Zoetermeer en/of Haarlem en/of (elders) in Nederland, een damesfiets van het merk Gazelle, type Primeur, kleur blauw en/of zwart heeft verworven, voorhanden heeft gehad en/of heeft overgedragen, terwijl hij ten tijde van het verwerven of het voorhanden krijgen van die damesfiets wist of redelijkerwijs had moeten vermoeden dat het (een) door misdrijf verkregen goed(eren) betrof.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft – zakelijk weergegeven – gerekwireerd tot:

- bewezenverklaring van het onder 1 primair ten laste gelegde feit;

- bewezenverklaring van het feit ten laste gelegd op de dagvaarding met het parketnummer 15/710540-10;

- oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, met aftrek van de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht;

- hoofdelijke toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [slachtoffer] tot een bedrag van € 1.213,52, zulks onder oplegging van de schadevergoedingsmaatregel;

- toewijzing van de vordering tot tenuitvoerlegging van de in de zaak met het parketnummer 15/680127-09 voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden;

- toewijzing van de vordering tot tenuitvoerlegging van de in de zaak met het parketnummer 17/755272-08 voorwaardelijk opgelegde gevangenisstraf voor de duur van 2 weken.

4. Bewijs

4.1. Redengevende feiten en omstandigheden1

Op 6 mei 2010 ontvangen verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] een melding dat een dronken man zou zijn overvallen in het Staten Bolwerk te Haarlem. De man zou zijn bestolen door twee mannen, waarvan er één kaal hoofd, een zongebruinde huid en een breed postuur heeft. De dader zou 1.90 meter lang zijn en hij droeg een blauwe gewatteerde jack en een zwarte broek. Ter plaatse treffen de verbalisanten een man liggend op de grond aan. De man werd vergezeld door een vrouw genaamd [getuige 1]. [getuige 1] verklaarde dat zij had gezien dat de op de grond liggende man door twee mannen was beroofd. De man op de grond, het slachtoffer genaamd [slachtoffer], verklaarde dat hij door een kale man was beroofd van 250 euro. Hij wist niet hoe de kale man heette, wel dat hij vaak in het Kenaupark te vinden was. Een groepje personen op een bankje in het Kenaupark verklaarde dat zij [slachtoffer] in het park hadden gezien, dat [slachtoffer] met geld heeft lopen zwaaien en met ene Jack, Gary en Steven amfetamine wilde kopen. Desgevraagd verklaarde wijkagent [wijkagent] over de namen Jack, Gary en Steven in combinatie met het bankje in het Kenaupark, dat [verdachte] geboren in 1966 en [medeverdachte] geboren in 1969 zich vaak in het Kenaupark ophouden.2

Op 11 mei 2010 deed [slachtoffer] aangifte ter zake van diefstal. Aangever verklaarde dat hij zich op 6 mei 2010 op een bankje in het Staten Bolwerk te Haarlem bevond. Hij werd onwel, mogelijk als gevolg van een aanval door het niet regelmatig innemen van de voorgeschreven medicijnen, slaapgebrek en drankgebruik. Op een gegeven moment kwam hij weer bij bewustzijn en toen merkte hij dat een man over hem heen stond gebogen. Die man stond op dat moment, vergezeld door een vijftal personen, zijn zakken leeg te halen. Volgens aangever betrof het een blanke zonnebankgebruinde man van ongeveer 35 a 40 jaar met kort gemillimeterd haar, ongeveer 1.85 à 1.90 meter lang en gekleed in een zeer donkerblauwe of zwarte gewatteerde halflange jas, een blauwe spijkerbroek en opvallend witte gympen. Aangever verklaarde dat uit zijn broekzakken 250 euro aan contant geld, een mobiele telefoon van het merk Sony Ericsson type W995, een sleutelbos, een pakje shag en extra losse sleutels zijn weggenomen. Enkele dagen na het voorval liep aangever [slachtoffer] samen met zijn moeder langs het Kenaupark. Bij een bankje herkende hij een blanke man die voldeed aan het eerder door hem opgegeven signalement als de mogelijke dader. Zijn moeder heeft daarop de politie gebeld. Aangever zag dat twee agenten bij het park aankwamen en de man hebben aangesproken.3 De agenten identificeerden deze man als [medeverdachte].4

Op 3 juli 2010 heeft getuige [getuige 1] een verklaring afgelegd. Zij verklaarde dat zij op 6 mei 2010 haar hond uitliet in het Staten Bolwerk te Haarlem. Zij zag drie mannen lopen, waarvan later bleek dat de middelste man het slachtoffer was. Verder schonk zij geen aandacht aan de mannen. Zij zag op een gegeven moment vanuit haar ooghoek dat de middelste, qua leeftijd veel jongere man op de grond lag. Hij was bewusteloos en zijn hoofd bloedde. Zij zag dat de andere twee mannen over de liggende man heen gebogen stonden, zijn zakken leeghaalden en alle spullen die uit zijn zakken kwamen in hun eigen broekzakken stopten. Getuige [getuige 1] beschreef een van de mannen als een geheel kale blanke man met een zonnebank gekleurde huid, een breed postuur en een gespierd bovenlichaam. De man had een normale lengte, was tussen de 35 en 40 jaar oud. Voorts droeg de man een donkerblauwe broek, een blauwe gewatteerde jas en een goudkleurige dikke ketting.5

Op 25 juli 2010 werden de verdachten [verdachte] en [medeverdachte], met toestemming van de officier van justitie te Haarlem, buiten heterdaad ter zake van diefstal met geweld aangehouden.

Verdachte [verdachte] verklaarde dat hij op 6 mei 2010 samen met medeverdachte [medeverdachte] was. [verdachte] beschreef [medeverdachte] als een man met bijna altijd een kaal hoofd, een lengte van ongeveer 1,85 meter en een potig bovenlijf. Voorts draagt [medeverdachte] bijna altijd witte Nike schoenen. In het Kenaupark kwamen zij een onbekende jongen tegen welke speed wilde hebben. [medeverdachte] stelde de jongen voor om mee te lopen. Op dat moment wist verdachte naar eigen zeggen al dat [medeverdachte] de jongen het geld afhandig wilde maken; hij wist niet hoe, maar wel dat [medeverdachte] het zou gaan doen. [verdachte] had op dat moment geen geld en is daarom met [medeverdachte] en de jongen meegelopen. Hij en [medeverdachte] wisten dat de jongen geld had, want dat had de jongen namelijk aan hen laten zien. Vervolgens zijn verdachte en [medeverdachte] met de jongen naar het Staten Bolwerk gelopen. Bij het Staten Bolwerk deed [medeverdachte] alsof hij aan het bellen was. Vervolgens liep hij al bellend naar de jongen toe en gaf hij de jongen een kaakslag, waarop de jongen gelijk neerging. Hierop heeft [medeverdachte] het geld uit de zakken van de jongen gehaald. Hierbij viel 50 euro op de grond en dat heeft verdachte opgeraapt. Vervolgens hebben zij de jongen op een bankje neergezet en zijn zij weggelopen. In de Kruisstraat kreeg verdachte nog eens 75 euro van [medeverdachte]. Verdachte weet niet of [medeverdachte] ook andere zaken dan geld van het slachtoffer heeft afgenomen, maar houdt dat wel voor mogelijk.6

Ten aanzien van parketnummer 15/710540-10:

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het onder parketnummer 15/710540-10 ten laste gelegde feit op grond van de volgende bewijsmiddelen:

* De verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 1 november 2010, die inhoudt, zakelijk weergegeven en voor zover hier van belang:

Het klopt dat ik gebruik maakte van een fiets met doorgeknipte sloten. Ik heb die fiets geleend van een jongen genaamd [naam]. Op het moment van mijn aanhouding had ik de fiets al zo’n 1,5 week. Ik vermoedde al dat de fiets gestolen was vanwege de sloten.

* Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 12 juli 2010 (nr. PL1228 2010076510-4) waarin, zakelijk weergegeven en voor zover hier van belang is gerelateerd dat een drietal verbalisanten op 12 juli 2010 in Haarlem verdachte zag rijden op een fiets die was voorzien van een veiligheidsslot. In dat veiligheidsslot zat geen sleutel en het spiraalslot aan het veiligheidsslot was doorgeknipt. Verdachte is aangehouden op verdenking van heling van de fiets en overgebracht naar het politiebureau, en de fiets - een damesfiets van het merk Gazelle, type Primeur, kleur blauw/zwart met framenummer [framenummer] - is in beslag genomen.

* Het proces-verbaal d.d. 19 juli 2010 (nr. PL1228 2010076510-1) waarin onder meer is gerelateerd dat de onder verdachte in beslag genomen fiets in juli 2005 is weggenomen uit een tuin in Zoetermeer en dat de eigenaar aangifte heeft gedaan van diefstal van zijn fiets.

De raadsvrouw heeft zich op het standpunt gesteld dat de aanhouding van verdachte onrechtmatig is geweest en dat verdachte dientengevolge van dit feit moet worden vrijgesproken. Deze klacht kan verdachte echter niet baten omdat de verklaringen die verdachte nadat hij staande was gehouden tegenover de politie heeft afgelegd, niet voor het bewijs zijn gebruikt.

4.2. Bewezenverklaring

Gezien het bovenstaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan, in dier voege dat:

Feit 1 primair:

hij op 6 mei 2010 te Haarlem tezamen en in vereniging met een ander met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen

- een geldbedrag van 250,- euro en

- een mobiele telefoon van het merk Sony type Ericsson W995 en

- een sleutelbos en

- een pakje shag en

- sleutels,

toebehorende aan [slachtoffer], welke diefstal werd voorafgegaan van geweld tegen die [slachtoffer], gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, welk geweld hierin bestond dat zijn mededader die [slachtoffer] eenmaal met kracht tegen het gezicht, althans tegen het lichaam heeft geslagen.

Ten aanzien van parketnummer 15/710540-10:

hij op 12 juli 2010 te Haarlem een damesfiets van het merk Gazelle, type Primeur, kleur blauw voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde van het voorhanden krijgen van die damesfiets wist dat het een door misdrijf verkregen goed betrof.

Voor zover in de bewezen verklaarde tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

Hetgeen aan verdachte onder feit 1 primair en ten aanzien van parketnummer 15/710540-10 meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

5. Strafbaarheid van de feiten

Het bewezen verklaarde is strafbaar en levert op:

Feit 1 primair:

Diefstal, voorafgegaan van geweld tegen personen, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, terwijl het feit wordt gepleegd door twee verenigde personen.

Ten aanzien van parketnummer 15/710540-10:

Opzetheling.

6. Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dus strafbaar.

7. Motivering van de straf

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting en uit de bespreking aldaar van het vanwege GGZ Palier uitgebrachte rapport van 20 september 2010 is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich samen met zijn medeverdachte schuldig gemaakt aan diefstal voorafgegaan van geweld tegen een jongen in een park. Verdachte en zijn medeverdachte hebben het slachtoffer, die had laten zien dat hij geld bij zich had, verzocht om met hen mee te lopen naar het Staten Bolwerk. Aldaar heeft de medeverdachte het slachtoffer vanuit het niets een slag op de kaak gegeven, waarna het slachtoffer onmiddellijk neerging en de verdachten zijn persoonlijke eigendommen hebben weggenomen. Een dergelijke strafbaar feit is zeer ernstig nu verdachte en zijn medeverdachte zich louter hebben laten leiden door hun eigen behoeften en zich geen moment hebben bekommerd om het slachtoffer. Naast de materiële schade die de slachtoffers van dergelijke feiten hierdoor lijden vanwege de goederen die zij kwijt zijn geraakt, laten dit soort feiten vaak diepe sporen na in het emotionele welzijn van de slachtoffers, zoals blijkt uit de vordering van de benadeelde partij en de daaraan toegevoegde slachtofferverklaring waarin hij de gevolgen van dit feit uiteen heeft gezet. Daarnaast brengen dergelijke feiten gevoelens van onrust en onveiligheid met zich voor de samenleving in het algemeen. Voorts blijkt het slachtoffer een autistische stoornis te hebben. De rechtbank rekent het verdachte en zijn medeverdachte zwaar aan dat zij een kwetsbaar persoon als slachtoffer hebben gekozen, teneinde in hun eigen behoeften te kunnen voorzien.

Verdachte is in het verleden veelvuldig in verband met vermogensdelicten veroordeeld tot werkstraffen en tot vrijheidsbenemende straffen. De lichtzinnige wijze waarop verdachte in de onderhavige zaak tot delictgedrag is gekomen, baart de rechtbank zorgen.

Uit het vanwege GGZ Palier uitgebrachte rapport van 20 september 2010 is gebleken, dat verdachte sinds zijn achttiende levensjaar verdovende middelen gebruikt en daardoor sindsdien regelmatig in contact is gekomen met politie en justitie. Verdachte heeft een zorgmentor bij Brijder Verslavingszorg maar daar maakt verdachte weinig tot geen gebruik van. Verdachte heeft voorts geen dagbesteding, geen onderdak, weinig probleembesef en nauwelijks hulpvragen. Interventie op het gebied van middelengebruik is noodzakelijk, echter heeft verdachte, zowel ten overstaan van GGZ Palier als tijdens het onderzoek ter terechtzitting – aangegeven geen noodzaak te zien om te veranderen in zijn middelengebruik en hij niet van plan is een langdurige behandeling te ondergaan.

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen is de rechtbank van oordeel dat – nu verdachte te kennen geeft geen gebruik te willen maken van enige vorm van hulpverlening – een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van na te noemen duur moet worden opgelegd.

Naar het oordeel van de rechtbank is de door de officier van justitie gevorderde gevangenisstraf in dit geval passend en geboden. Noch in de omstandigheden van de onderhavige zaak, noch in de persoonlijke omstandigheden van verdachte vindt de rechtbank aanleiding om daarvan af te wijken.

8. Vordering benadeelde partij en schadevergoedingsmaatregel

8.1. Vordering benadeelde partij [slachtoffer]

De benadeelde partij [slachtoffer] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 1.512,52 ingediend tegen verdachte wegens immateriële schade die hij als gevolg van het onder 1 primair en 1 subsidiair ten laste gelegde feit zou hebben geleden. De gestelde schade bestaat uit:

- een mobiele telefoon + hoesje, € 308,99,

- een geheugenkaart Sandisk 16 GB, € 69,00,

- vervanging voordeurslot, € 202,42,

- nieuwe sleutels, € 26,20,

- pak shag, € 5,95,

- contant geld, € 250,00 en

- immateriële schade, € 650,00.

De rechtbank is van oordeel dat deze schade tot na te melden bedrag rechtstreeks voortvloeit uit het onder 1 primair bewezen verklaarde feit. Gelet op de onderbouwing van de vordering en het verhandelde ter terechtzitting komt de rechtbank vergoeding van de schade tot een bedrag van € 1.063,52 billijk voor. De rechtbank heeft het gevorderde bedrag gematigd, nu de mobiele telefoon van verdachte door de politie in beslag is genomen en aan de benadeelde partij zal worden geretourneerd, en een bedrag van € 500,00 aan immateriële schadevergoeding de rechtbank billijk voorkomt. In zoverre zal de vordering dan ook worden toegewezen. Daarbij zal de rechtbank bepalen dat, indien een medeverdachte dit bedrag geheel of gedeeltelijk heeft betaald, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.

Daarnaast dient verdachte te worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij heeft gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog moet maken.

De rechtbank zal de benadeelde partij voor het overige niet in haar vordering ontvangen.

8.2. Schadevergoedingsmaatregel

De rechtbank stelt vast dat verdachte jegens de benadeelde partij naar burgerlijk recht aansprakelijk is voor de schade die door het onder feit 1 primair bewezen verklaarde feit is toegebracht.

Daarom zal de rechtbank de schadevergoedingsmaatregel aan verdachte opleggen tot het bedrag waartoe de vordering van de benadeelde partij is toegewezen, te weten € 1.063,52.

9. Vorderingen tot tenuitvoerlegging van voorwaardelijk opgelegde straffen

9.1. Ten aanzien van parketnummer 15/680127-09

Bij vonnis van 6 juli 2009 in de zaak met parketnummer 15/680127-09 heeft de politierechter te Haarlem verdachte ter zake van twee gekwalificeerde diefstallen veroordeeld tot - onder meer - een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee (2) maanden. Ten aanzien van die voorwaardelijke straf is de proeftijd op twee jaren bepaald onder de algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit. De officier van justitie vordert thans dat de rechtbank zal gelasten dat die voorwaardelijke straf alsnog zal worden tenuitvoergelegd.

De rechtbank heeft bij het onderzoek ter terechtzitting bevonden dat zij bevoegd is over de vordering te oordelen en dat de officier van justitie daarin ontvankelijk is.

De rechtbank is van oordeel dat de vordering kan worden toegewezen, nu uit de overige inhoud van dit vonnis blijkt dat verdachte niet heeft nageleefd de voorwaarde dat hij zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

Om die reden zal de rechtbank, gelet op artikel 14g van het Wetboek van Strafrecht, de tenuitvoerlegging van die voorwaardelijke gevangenisstraf gelasten.

9.2. Ten aanzien van parketnummer 17/755272-08

Bij vonnis van 10 april 2009 in de zaak met parketnummer 17/755272-08 heeft de politierechter te Leeuwarden verdachte ter zake van mishandeling en belediging van een ambtenaar in functie veroordeeld tot - onder meer - een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee (2) weken. Ten aanzien van die voorwaardelijke straf is de proeftijd op twee jaren bepaald onder de algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit. De officier van justitie vordert thans dat de rechtbank zal gelasten dat die voorwaardelijke straf alsnog zal worden tenuitvoergelegd.

De rechtbank heeft bij het onderzoek ter terechtzitting bevonden dat zij bevoegd is over de vordering te oordelen en dat de officier van justitie daarin ontvankelijk is.

De rechtbank is van oordeel dat de vordering kan worden toegewezen, nu uit de overige inhoud van dit vonnis blijkt dat verdachte niet heeft nageleefd de voorwaarde dat hij zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

Om die reden zal de rechtbank, gelet op artikel 14g van het Wetboek van Strafrecht, de tenuitvoerlegging van die voorwaardelijke gevangenisstraf gelasten.

10. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

36f, 57, 310, 312 en 416 van het Wetboek van Strafrecht.

11. Beslissing

De rechtbank:

Verklaart bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 4.2. weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte onder feit 1 primair en ten aanzien van parketnummer 15/710540-10 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat de bewezen verklaarde feiten de hierboven onder 5. vermelde strafbare feiten opleveren.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte wegens dit feit tot een gevangenisstraf voor de duur van TWAALF (12) MAANDEN.

Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de thans opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Wijst toe de vordering tot vergoeding van de door de benadeelde partij [slachtoffer] geleden schade tot een bedrag van € 1.063,52 en veroordeelt verdachte tot betaling van dit bedrag aan [slachtoffer], voornoemd, rekeningnummer 56.03.20.620, tegen behoorlijk bewijs van kwijting.

Bepaalt dat, indien genoemd bedrag geheel of gedeeltelijk door een medeverdachte is betaald, verdachte in zoverre zal zijn bevrijd.

Veroordeelt verdachte in de kosten door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden vastgesteld op nihil, en in de kosten ten behoeve van de tenuitvoerlegging alsnog te maken.

Verklaart de benadeelde partij voor het overige niet-ontvankelijk in de vordering.

Legt verdachte als schadevergoedingsmaatregel ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer] de verplichting op tot betaling aan de staat van een bedrag van € 1.063,52, bij gebreke van betaling of verhaal te vervangen door 20 dagen hechtenis.

Bepaalt dat, voor zover dit bedrag of een gedeelte daarvan reeds door of namens de medeverdachte aan de benadeelde partij en/of de staat is betaald, verdachte in zoverre van die verplichting zal zijn ontslagen.

Bepaalt dat betalingen aan de benadeelde partij, voornoemd, in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de staat en dat betalingen aan de staat in mindering strekken op de verplichting tot betaling aan de benadeelde partij.

Wijst toe de vordering tot tenuitvoerlegging van de officier van justitie en gelast de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van TWEE (2) MAANDEN, opgelegd bij vonnis van de politierechter te Haarlem d.d. 6 juli 2009 in de zaak met parketnummer 15/680127-09.

Wijst toe de vordering tot tenuitvoerlegging van de officier van justitie en gelast de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van TWEE (2) WEKEN, opgelegd bij vonnis van de politierechter te Leeuwarden d.d. 10 april 2009 in de zaak met parketnummer 17/755272-08.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door:

mr. J. Snitker, voorzitter,

mr. A.C.M. Rutten en mr. J.G. Tielenius Kruythoff, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. S.V. Ramdharie, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 15 november 2010.

1 De door de rechtbank in de voetnoten als proces-verbaal aangeduide bewijsmiddelen zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door personen die daartoe bevoegd zijn en voldoen ook overigens aan de daaraan bij wet gestelde eisen.

2 Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 21 juli 2010 (dossierparagraaf 24).

3 Het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer] d.d. 11 mei 2010 (dossierparagraaf 19).

4 Het proces-verbaal van bevindingen d.d. 10 mei 2010 (dossierparagraaf 25).

5 Het proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige] d.d. 3 juli 2010 (dossierpagina 22).

6 Het proces-verbaal van verhoor van verdachte [verdachte] d.d. 25 juli 2010 (dossierpagina 12).