Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2010:BO4258

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
03-11-2010
Datum publicatie
18-11-2010
Zaaknummer
10-1047
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Stukken verweerder buiten beschouwing gelaten vanwege strijd met de goede procesorde. Ondanks eerdere comparitiezitting zijn de stukken door verweerder ingediend elf dagen vóór de zitting, maar in een zo laat stadium ingebracht dat eiser onvoldoende tijd heeft gehad om adequaat te kunnen reageren op het verweerschrift en de stukken. Woz-waarde vastgesteld in goede justitie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2010/2836 met annotatie van Kastelein
Belastingblad 2011/157
V-N 2011/18.21.6
FutD 2010-2691
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht, enkelvoudige belastingkamer

Zaaknummer: AWB 10/1047

Uitspraakdatum: 3 november 2010

Proces-verbaal van de mondelinge uitspraak in het geding tussen

X, wonende te Z, eiser,

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Haarlemmerliede en Spaarnwoude, verweerder.

De bestreden uitspraak op bezwaar

De uitspraak van verweerder van 11 februari 2010 op het bezwaar van eiser tegen de beschikking waarbij de onroerende zaak, plaatselijk bekend als A-straat 7 te Z (hierna: de woning), is gewaardeerd krachtens de Wet waardering onroerende zaken (hierna: Wet WOZ) en de met die beschikking in één geschrift bekendgemaakte aanslag onroerende-zaakbelasting 2009.

Zitting

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 oktober 2010.

Eiser is daar in persoon verschenen. Namens verweerder zijn A en B verschenen.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de uitspraak op bezwaar;

- vermindert de vastgestelde waarde tot € 570.000 en de aanslag onroerende-zaakbelasting tot een berekend naar die waarde en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

- gelast dat verweerder het betaalde griffierecht vergoedt ten bedrage van € 41.

Gronden

Verweerder heeft bij beschikking krachtens artikel 22 van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) de waarde van de woning voor het kalenderjaar 2009 vastgesteld op € 674.000. In hetzelfde geschrift is ook de aanslag onroerende-zaakbelastingen 2009 bekend gemaakt. Bij de bestreden uitspraak heeft verweerder de bij beschikking vastgestelde waarde verminderd tot € 649.000 en de aanslag onroerende-zaakbelastingen 2009 dienovereenkomstig verminderd.

Eiser is genothebbende krachtens eigendom, bezit of beperkt recht van de woning.

De woning is een vrijstaande woning. De inhoud van de woning is ongeveer 725 m³ en de oppervlakte van het perceel is ongeveer 463 m².

In geschil is de waarde van de woning op de waardepeildatum 1 januari 2008. Eiser bepleit een vermindering van de waarde. Daartoe wijst eiser op de uitspraak van deze rechtbank van 3 november 2009 waarin de waarde van de woning voor het jaar 2008 is bepaald op € 518.000. Eiser voert voorts aan dat het in de uitspraak op bezwaar genoemde object A-straat 9 niet als vergelijkingsobject kan worden gebruikt. Eiser acht een verhoging van de waarde in 2008 met ruim 25% voor het jaar 2009 absurd.

Ingevolge artikel 17, tweede lid, Wet WOZ, wordt de waarde van een onroerende zaak bepaald op de waarde die aan de onroerende zaak dient te worden toegekend indien de volle en onbezwaarde eigendom daarvan zou kunnen worden overgedragen en de verkrijger de zaak in de staat waarin die zich bevindt, onmiddellijk en in volle omvang in gebruik zou kunnen nemen. Daarbij heeft als waarde te gelden de waarde in het economische verkeer. Dat is de prijs die bij aanbieding ten verkoop op de voor die onroerende zaak meest geschikte wijze na de beste voorbereiding door de meest biedende gegadigde voor de onroerende zaak zou zijn betaald. Nu eiser de door verweerder vastgestelde waarde betwist rust op verweerder de last aannemelijk te maken dat de waarde van € 649.000 per

1 januari 2008 niet hoger is vastgesteld dan de waarde in het economische verkeer per die datum.

De rechtbank heeft verweerder bij brief van 17 mei 2010 verzocht binnen vier weken na die datum de op de zaak betrekking hebbende stukken in te zenden en in de gelegenheid gesteld binnen die termijn een verweerschrift in te dienen. Toen verweerder aan dat verzoek geen gevolg gaf, heeft de rechtbank verweerder op een comparitiezitting van 11 augustus 2010, waarvan het proces-verbaal is verzonden op 12 augustus 2010, opgedragen binnen twee na die verzending alsnog de stukken in te zenden en gelegenheid gegeven binnen die termijn een verweerschrift in te zenden. Eerst op 11 oktober 2010 (per fax) en 12 oktober 2010 (per post) heeft verweerder stukken ingezonden en een verweerschrift met nadere bewijsstukken ingediend.

Verweerder heeft zich ter zitting op die nader ingezonden stukken beroepen waaronder een taxatierapport van 11 oktober 2010. Ter zitting van 21 oktober 2010 heeft de rechtbank na bezwaar van eiser besloten die door verweerder ingediende stukken, waaronder het taxatierapport, buiten beschouwing te laten vanwege strijd met de goede procesorde en wel om de volgende reden. In die stukken neemt verweerder in beroep voor het eerst een inhoudelijk standpunt in en wordt dat standpunt voor het eerst met stukken onderbouwd, terwijl verweerder in een veel vroeger stadium van het geding is uitgenodigd tot het indienen van verweer en daarna ook reeds op de comparitie een laatste termijn is gegeven om de op de zaak betrekking hebbende stukken in te dienen. Die termijnen heeft verweerder ongebruikt laten verstrijken. Verweerder heeft zijn standpunt en die stukken vervolgens in een zo laat stadium ingebracht, dat eiser onvoldoende tijd heeft gehad om adequaat te kunnen reageren op het verweerschrift en de stukken. Dat verweerder stelt met personeelsgebrek te kampen en ook in vele andere zaken niet bij machte is binnen gestelde termijnen bij de rechtbank stukken in te dienen, acht de rechtbank geen goede grond voor een ander oordeel.

Met hetgeen verweerder voor het overige ter zitting heeft aangevoerd, heeft hij het van hem te verlangen bewijs niet geleverd. Zijn niet nader onderbouwde en door eiser betwiste stellingen omtrent buurpand A- straat 9 zijn voor dat bewijs ook onvoldoende.

Eiser voert aan dat de vastgestelde waarde van € 649.000 ongeloofwaardig veel hoger is dan de eerder door de rechtbank naar waardepeildatum 1 januari 2007 vastgestelde waarde van € 518.000 en stelt dat de waarde tussen beide waardepeildata gelet op de algemene ontwikkelingen op de huizenmarkt niet meer dan twee tot vier procent kan zijn gestegen. De rechtbank verwerpt deze benadering van eiser omdat doel en strekking van de Wet WOZ meebrengen dat de waarde van een onroerende zaak voor elk tijdvak opnieuw wordt bepaald aan de hand van marktgegevens van vergelijkingsobjecten die rond de waardepeildatum zijn verkocht. Aan de verhouding tussen voor twee opvolgende tijdvakken vastgestelde waarden komt in dat kader in het algemeen geen zelfstandige betekenis toe. Eiser heeft met die, overigens niet nader onderbouwde, algemene prijsontwikkeling op de woningmarkt dan ook niet aannemelijk gemaakt dat de waarde van zijn woning € 518.000 plus twee tot vier procent bedraagt. Hij heeft ook geen ander bewijs als bijvoorbeeld marktgegevens van andere woningen overgelegd, die vergelijkbaar kunnen worden geacht met zijn woning en verkocht zijn rond de waardepeildatum. Anders dan eiser betoogt, kan dat bewijs ook niet worden ontleend aan de uitspraak van de rechtbank van 3 november 2009. De in die uitspraak genoemde marktgegevens en die uitspraak hadden immers betrekking op de waardepeildatum 1 januari 2007. De rechtbank achtte die marktgegevens bovendien juist onvoldoende om daaruit op de gebruikelijke wijze de waarde van de woning van eiser af te leiden. Dat de rechtbank op basis van die gegevens toen toch tot een alternatieve waardevaststelling is gekomen, betekent niet dat daaruit de waarde voor de thans voorliggende waardepeildatum voortvloeit.

Nu noch verweerder, noch eiser de door hen verdedigde waarden aannemelijk hebben gemaakt is het beroep gegrond, zijn de waarde van de woning alsmede de daarop gebaseerde aanslag te hoog vastgesteld, en zal de rechtbank de waarde gelet op hetgeen partijen over en weer hebben aangevoerd in goede justitie vaststellen op € 570.000.

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling, nu eiser ter zitting heeft bevestigd geen kosten te hebben gemaakt, die volgens het Besluit proceskosten bestuursrecht voor vergoeding in aanmerking komen.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.H.M. Bruin, rechter, in tegenwoordigheid van mr. P.T. van Arnhem, griffier, en in het openbaar uitgesproken op 3 november 2010.

Afschrift verzonden aan partijen op:

De rechtbank heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van het proces-verbaal in geanonimiseerde vorm.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd.

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.