Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2010:BO3912

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
15-10-2010
Datum publicatie
12-11-2010
Zaaknummer
172830 - KG ZA 10-418
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Voorrecht op zeeschip ex art. 8:211 sub b BW. Derdenverzet. Voorzieningenrechter bepaalt dat aan de dagvaarding ex art. 538 Rv. geen schorsende werking meer toekomt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
S&S 2011/89
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK HAARLEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 172830 / KG ZA 10-418

Vonnis in kort geding van 15 oktober 2010

in de zaak van

[EISER],

zonder bekende woon- of verblijfplaats in Nederland,

eiser,

advocaat mr. M.P.M. Fruytier te Amsterdam,

tegen

de rechtspersoon naar buitenlands recht

FRAMROAD LTD.,

gevestigd te Road Town, Tortola, Britse Maagdeneilanden,

gedaagde,

advocaat mr. R.P. van Campen te Amsterdam.

Partijen zullen hierna [eiser] en Framroad genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding

- de mondelinge behandeling

- de pleitnota van [eiser]

- de pleitnota van Framroad.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Op 1 juni 2002 is [eiser] bij H.W. [A] (hierna: [A]) in dienst getreden als schipper/bootsman op het zeiljacht s.y. Pamina (hierna: de Pamina). De Pamina is eigendom van Framroad en is te boek gesteld op de Britse Maagdeneilanden. De Pamina ligt afgemeerd in de Isaac Baarthaven te Zaandam. Framroad heeft [A] op 4 oktober 1999 toestemming gegeven om de Pamina te gebruiken en met het schip te varen.

2.2. Bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis in kort geding van 19 februari 2004 heeft de kantonrechter in deze rechtbank [A] veroordeeld tot, kort gezegd, doorbetaling van het loon van [eiser], tot betaling van achterstallige vakantiebijslag, voorgeschoten reparatiekosten, buitengerechtelijke kosten, één en ander vermeerderd met wettelijke rente. Dit vonnis is op 1 maart betekend aan het schip en aan [A] door publicatie in een krant. Op 2 maart 2004 heeft [eiser] ten laste van [A] executoriaal beslag doen leggen op de Pamina.

2.3. Op 20 april 2004 heeft [eiser] ten laste van [A] conservatoir beslag doen leggen op de Pamina ter verzekering van een vordering van [eiser] ter zake van loonbetaling.

2.4. Bij beschikking van 26 april 2004 heeft de kantonrechter te Zaandam de arbeidsovereenkomst tussen [eiser] en [A] ontbonden per 1 mei 2004. Op 4 augustus is deze beschikking betekend aan [A] en Framroad.

2.5. Bij vonnis van 22 juli 2004 heeft de kantonrechter, onder meer, [A] veroordeeld tot betaling aan [eiser] van salaris van 1 juli 2003 tot 1 mei 2004, vakantiegeld van 1 juni 2002 tot 1 maart 2004 en vergoeding van 38,66 niet-genoten vakantiedagen. Dit vonnis is op 4 augustus 2004 aan [A] en Framroad betekend. Tegen dit vonnis is geen rechtsmiddel aangewend.

2.6. Bij dagvaarding van 22 augustus 2005 heeft Framroad bij deze rechtbank een kort geding aanhangig gemaakt. Zij vorderde daarin opheffing van het door [eiser] gelegde executoriaal en conservatoir beslag, subsidiair beperking van die beslagen tot het bedrag waarvoor onder gelding van artikel 8:211 sub b BW een voorrecht bestaat. De voorzieningenrechter heeft de vordering van Framroad bij vonnis van 27 september 2005 afgewezen.

2.7. Bij dagvaarding, uitgebracht aan [eiser] op 15 maart 2006, is Framroad op de voet van artikel 538 Rv. in derdenverzet gekomen tegen de door [eiser] aangevangen tenuitvoerlegging van de tegen [A] gewezen vonnissen op de Pamina. Deze procedure is vervolgens op de parkeerrol geplaatst.

2.8. Framroad heeft van het onder 2.6 genoemde vonnis in kort geding geappelleerd. Bij arrest van 16 november 2006 heeft het gerechtshof Amsterdam het vonnis van de voorzieningenrechter vernietigd, de beslagen opgeheven en het meer of anders gevorderde afgewezen. De Hoge Raad heeft bij arrest van 23 januari 2009 het arrest van het gerechtshof Amsterdam vernietigd en de zaak verwezen naar het gerechtshof ’s-Gravenhage.

2.9. Het hof ’s-Gravenhage heeft bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard arrest van 18 mei 2010 het vonnis van de voorzieningenrechter van 27 september 2005 vernietigd voor zover daarbij het subsidiair gevorderde werd afgewezen en in zoverre opnieuw rechtdoende:

- de vorderingen tot zekerheid waarvan op 2 maart 2004 executoriaal beslag werd gelegd beperkt tot:

het achterstallige salaris van juli 2003 t/m februari 2004 € 17.040,00 netto

de achterstallige vakantiebijslag € 1.278,00 netto

de wettelijke rente ex artikel. 6:119 BW over deze bedragen vanaf de respectieve vervaldagen tot aan de dag van de algehele voldoening;

- de vorderingen ter zekerheid waarvan op 20 april 2004 conservatoir beslag is gelegd, welk beslag op 4 augustus 2004 is overgegaan is executoriaal beslag beperkt tot:

het achterstallige salaris van 1 juli 2003 tot 1 mei 2004 € 19.100,00 netto

het achterstallig vakantiegeld € 1.278,00 netto

28 niet-genoten vakantiedagen € 2.114,84 netto

de wettelijke rente ex artikel 6: 119 BW over deze bedragen vanaf de respectieve vervaldagen tot aan de dag van de algehele voldoening.

Het vonnis van de voorzieningenrechter werd voor het overige bekrachtigd en Framroad werd veroordeeld in de kosten van het geding.

3. Het geschil

3.1. [eiser] vordert dat de voorzieningenrechter, bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad

a) de schorsende werking ex artikel 538 Rv aan de dagvaarding d.d.15 maart 2006 zal

ontzeggen, althans Framroad zal veroordelen om de executie van het vonnis d.d. 22 juli

2004, althans 19 februari 2004, beperkt tot de bedragen zoals vastgesteld in het arrest

van hof ‘s-Gravenhage van 18 mei 2010 te gehengen en te gedogen,

b) zal bepalen dat de reeds door [eiser] ingezette executie van het aan Framroad

toebehorende zeeschip Pamina binnen twee dagen na betekening van het in deze te

wijzen vonnis mag worden voorgezet tot een bedrag van:

- loonsom in hoofdsom groot € 22.492,84

- rente berekend over de hoofdsom t/m 15 september 2010 € 7.593,58

- beslagkosten zoals toegewezen in het kort geding hij de rechtbank Haarlem

sector kanton d.d. 22 juli 2004 van: € 2.357,56

wettelijke rente over deze beslagkosten t/m 15 september 2010: € 768,11

- proceskosten kort geding bij de rechtbank Haarlem sector civiel

d.d. 19 februari 2004:

proceskosten (waarvan 360,-- aan salaris): € 603,16

wettelijke rente over deze kosten t/m 15 september 2010 € 209,86

- proceskosten bodemprocedure bij de rechtbank Haarlem sector kanton

d.d. 22 juli 2004

exploot: € 70,40

vastrecht € 190,00

salaris: € 545,00

€ 805,40

wettelijke rente over deze kosten t/m 15 september 2010 € 262,41

Totaal: € 35.092.92 (hoofdsom, rente, beslag- en proceskosten inclusief wettelijke

rente t/m 15 september 2010);

c) zal bepalen dat [eiser] de executie mag aanvangen van het aan Framroad

toebehorende zeeschip Pamina binnen twee dagen na betekening van het in deze te

wijzen vonnis voor de bedragen waartoe zij zelf is veroordeeld te weten:

- proceskosten kort geding rechtbank Haarlem sector civiel d.d. 22 september 2005:

vast recht € 244,00

salaris procureur € 527,00

€ 771,00

wettelijke rente over deze kosten t/m 15 september 2010 € 205,37

- proceskosten van cassatie bij de Hoge Raad d.d. 23 januari 2009:

aan verschotten € 465,49

salaris € 2.600,00

€ 3.065,49

wettelijke rente over deze kosten t/m 15 september 2010 € 209,79

- proceskosten van het Hof ‘s-Gravenhage d.d. 18 mei 2010

exploot na verwijzing € 97,95

griffierecht € 371,00

salaris advocaat € 2.682,00

€ 3.150,95

wettelijke rente t/m 15 september 2010 € 31,08

Totaal: € 7.433,68,-

d) bovenstaande bedragen vermeerderd met de wettelijke rente vanaf de dag van dagvaarding (15 september 2010) tot aan de dag der algehele voldoening,

e) althans Framroad zal veroordelen zoveel als mogelijk in lijn met het hierboven

gevorderde,

f) voorts (opnieuw) Framroad zal veroordelen in de aanvullende kosten van executie

welke [eiser] moet maken als gevolg van de schorsing van de executie naar

aanleiding van de procedure ex 538 Rv, vooralsnog te begroten op € 6000,-,

g) met veroordeling van Framroad in de kosten van dit geding.

3.2. Framroad voert verweer.

3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. Het door Framroad bij dagvaarding van 15 maart 2006 ingestelde derdenverzet heeft de tenuitvoerlegging op de Pamina van de loonvordering van [eiser] geschorst. In dit geding ligt ter beantwoording de vraag voor of er gronden zijn om die schorsende werking op te heffen.

4.2. Bij de beantwoording van die vraag stelt de voorzieningenrechter voorop dat aan [eiser] niet kan worden tegengeworpen dat hij de door Framroad ingezette verzetprocedure, die bij deze rechtbank op de parkeerrol is geplaatst, niet heeft vervolgd. Nadat het gerechtshof Amsterdam in het arrest van 16 november 2006 had geoordeeld dat [eiser] niet gerechtigd was zijn vordering op [A] te verhalen op de Pamina had het voor [eiser] immers geen zin in de procedure ex artikel 538 Rv. het tegendeel te bepleiten.

4.3. Framroad meent dat de onder 4.1 genoemde vraag ontkennend moet worden beantwoord. Zij voert daartoe in de eerste plaats aan dat in kort geding niet kan worden vooruitgelopen op uitkomst van de door haar bij dagvaarding van 17 augustus 2010 aanhangig gemaakte tweede cassatieprocedure. Framroad stelt zich in die procedure en in dit kort geding op het standpunt dat [eiser] zich niet meer op de Pamina kan verhalen. Volgens Framroad had [eiser] haar in rechte moeten betrekken binnen de in artikel 8:219 BW genoemde termijn van een jaar. Nu [eiser] dit heeft nagelaten is zijn bevoorrechte vordering op de Pamina volgens Framroad verjaard.

4.4. De voorzieningenrechter volgt Framroad niet in dit betoog. Artikel 8:219 BW bepaalt dat voorrechten als hier aan de orde teniet gaan door verloop van een jaar, tenzij de schuldeiser zijn vordering in rechte geldend heeft gemaakt. Het artikel stelt niet de eis, zoals Framroad meent, dat ook jegens de eigenaar van het schip binnen een jaar een beroep op het voorrecht moet worden gedaan. Framroad heeft in dit verband aangevoerd dat het niet zo kan zijn dat een eigenaar jarenlang onwetend is van procedures tussen bemanningsleden en vroegere werkgevers en dan plotseling geconfronteerd wordt met executie van zijn schip, zonder dat hij zich daartegen kan verweren. Daar staat evenwel tegenover dat van een bemanningslid niet kan worden gevergd dat hij, zoals in dit geval, om een loonvordering te kunnen incasseren de eigenaar van een schip en mogelijk een reeks van elkaar opvolgende eigenaren moet achterhalen, waarvoor een tijdrovend en kostbaar onderzoek noodzakelijk kan zijn. Een vordering uit arbeidsovereenkomst van bemanningsleden is niet voor niets bevoorrecht op een zeeschip.

4.5. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft [eiser] een voldoende zwaarwegend belang om de schorsende werking aan het verzet te ontnemen. Het hof Den Haag heeft in het arrest van 18 mei 2010 beslist dat de vorderingen ter zake van salaris, vakantiegeld en niet-genoten vakantiedagen, beperkt tot een tijdvak van twaalf maanden, en de wettelijke rente hierover, zijn aan te merken als vorderingen in de zin van artikel 8:211 aanhef en sub b BW en verhaalbaar zijn op de Pamina. De verhaalbaar geoordeelde vorderingen van [eiser] betreffen achterstallig salaris en vakantiegeld van 2003 en 2004. Het zwaarwegende belang van [eiser] vloeit voort uit het aanzienlijke tijdsverloop sinds het ontstaan van zijn aanspraken. Dat [eiser] deze vorderingen op de Pamina mag verhalen is voorts – ondanks het ingestelde cassatieberoep - dermate zeker dat aan het door Framroad gestelde restitutierisico niet al te veel gewicht toekomt.

4.6. Framroad heeft nog aangevoerd dat zij partij is bij een procedure tegen de bouwer van de Pamina waarin ontbinding van het bouwcontract wordt gevorderd in verband met aan het schip geconstateerde gebreken en constructiefouten. Framroad wijst erop dat als nu tot executie wordt overgegaan zij aanzienlijke schade zal lijden omdat zij de Pamina dan niet meer zal kunnen terugleveren aan de bouwer. Wat hiervan zij, [eiser] heeft onweersproken aangevoerd dat hij heeft geprobeerd zijn vorderingen te verhalen op [A], maar dat hij geen vermogenbestanddelen van [A] heeft kunnen traceren waarop verhaal mogelijk was. Daardoor heeft [eiser] zich genoodzaakt gezien zijn vorderingen te verhalen op de Pamina die eigendom is van Framroad. Waarom [A] niet aan zijn verplichtingen jegens zijn voormalige schipper [eiser] voldoet is niet duidelijk. Blijkens een door [eiser] overgelegd proces-verbaal van een zitting bij het hof Den Haag heeft mr. Van Campen aldaar verklaard dat Framroad niet meer is dan een postbus, beheerd door een trustkantoor. [eiser] heeft voorts afschriften van brieven van [A] in het geding gebracht, waaruit blijkt dat [A] gebruik maakt van briefpapier met in het briefhoofd Heinz-Willy [A], Framroad Ltd. Op basis van de door [eiser] overgelegde producties is daarom vooralsnog voldoende aannemelijk dat [A] bij Framroad de touwtjes in handen heeft. Bij die stand van zaken moet het verweer dat Framroad schade zal lijden doordat executie van het schip teruglevering onmogelijk zal maken worden verworpen. [A] en Framroad kunnen die executie immers eenvoudig voorkomen door de vorderingen van [eiser], ten belope van een fractie van de waarde van de Pamina, te voldoen.

4.7. Bij een verdere afweging van de wederzijdse belangen komt de voorzieningenrechter tot het oordeel dat, zolang het hof Den Haag niet had gesproken, er geen aanleiding was om de schorsende werking van de verzetdagvaarding op te heffen. Thans, na het uitvoerig gemotiveerde arrest van het hof Den Haag, is er geen goede grond meer aanwezig om [eiser] ook de nieuwe cassatieprocedure te laten afwachten voordat hij tot executie van zijn uit 2003 en 2004 stammende loonvorderingen kan overgaan.

4.8. Het voorgaande voert ertoe dat de schorsende werking van het verzet zal worden opgeheven. Framroad zal worden veroordeeld de executie van de loonvordering, vermeerderd met rente, op de Pamina te gehengen en te gedogen. De beslag- en proceskosten die zijn gevallen in de procedures tegen [A] zijn naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter niet bevoorrecht. [eiser] zal die posten moeten inbrengen in een rangregeling. Voor de proceskosten waarin Framroad is veroordeeld heeft [eiser] al een executoriale titel. Dat onderdeel van de vordering is niet voor toewijzing vatbaar.

De vordering betreffende de aanvullende kosten van executie zal evenmin worden toegewezen, nu de kosten van uitwinning op de voet van artikel 8:210 BW uit de opbrengst dienen te worden voldaan boven alle andere vorderingen.

4.9. Framroad zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiser] worden begroot op:

- dagvaarding EUR 87,93

- vast recht 263,00

- salaris advocaat 816,00

Totaal EUR 1.166,93

5. De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1. bepaalt dat aan de op 15 maart 2006 door Framroad aan [eiser] en [A] uitgebrachte dagvaarding geen schorsende werking ex 538 Rv. meer toekomt,

5.2. bepaalt dat de door [eiser] ingezette executie van het aan Framroad toebehorende zeeschip Pamina binnen twee dagen na betekening van dit vonnis mag worden voortgezet tot het bedrag van de loonsom ad EUR 22.492,84 en de rente daarover ad EUR 7.593,58 per 15 september 2010, vermeerderd met de wettelijke rente over de hoofdsom vanaf 15 september 2010 tot aan de dag der algehele voldoening,

5.3. veroordeelt Framroad in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op EUR 1.166,93,

5.4. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.5. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. Th.S. Röell en in het openbaar uitgesproken op 15 oktober 2010.?