Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2010:BO3909

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
13-10-2010
Datum publicatie
12-11-2010
Zaaknummer
171925 - HA ZA 10-1043
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vervroegde onteigening. De provincie heeft voldoende pogingen gedaan om het te onteigenen minnelijk te verwerven. Geen sprake van schending van artikel 17 Onteigeningswet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK HAARLEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 171925 / HA ZA 10-1043

Vonnis van 13 oktober 2010 (bij vervroeging)

in de zaak van

de publiekrechtelijke rechtspersoon

PROVINCIE NOORD-HOLLAND,

zetelend te Haarlem,

eiseres,

advocaat mr. E.J. Snijders- Storm te Den Haag,

tegen

[GEDAAGDE],

wonende te Hoofddorp, gemeente Haarlemmermeer,

gedaagde,

advocaat mr. F.A. Mulder te Haarlem.

Partijen zullen hierna de provincie en [gedaagde] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding

- de brief van de zijde van de provincie met bijlagen van 29 juli 2010 met daarbij gevoegd een afschrift van de overbetekeningsexploten

- de conclusie van antwoord

- de nadere akte inclusief indienen producties en vermindering eis van de zijde van de provincie

- de antwoordakte van de zijde van [gedaagde]

- de nadere akte van de zijde van de provincie.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Bij Koninklijk Besluit van 15 maart 2010 (nr. 10.000658, Stcrt. 9 april 2010, nr. 5605) (hierna: het KB), is op grond van artikel 72a van de Onteigeningswet (hierna: Ow), een aantal onroerende zaken ten algemenen nutte en ten name van de provincie ter onteigening aangewezen, welke onroerende zaken zijn aangeduid op de grondtekeningen die ter inzage hebben gelegen, zulks ten behoeve van de omlegging van de provinciale weg N201 vanaf de Kruisweg ter hoogte van HOV-viaduct ‘De Hoek’ tot de Aalsmeerderweg, een parallelstructuur A4 vanaf de Bennebroekerweg tot de Kruisweg, alsmede de aansluiting van de Bennebroekerweg op de A4, met bijkomende werken, in de gemeente Haarlemmermeer.

2.2. Bij het KB is onder meer ter onteigening aangewezen een gedeelte van de onroerende zaak, kadastraal bekend gemeente Haarlemmermeer, sectie AL, nummer 1329, totaal groot 04.12.10 hectare (terrein (grasland)). Het betreft grondplannummer 18: oppervlakte 00.66.40 ha.

2.3. In het KB is [gedaagde] aangewezen als eigenaar van het bovengenoemde perceelsgedeelte en ook in de kadastrale registratie staat hij als zodanig vermeld.

2.4. Het perceel is belast met een recht van hypotheek ten gunste van de coöperatie Coöperatieve Rabobank “Haarlemmermeer” U.A., thans de coöperatie Coöperatieve Rabobank Regio Schiphol U.A. Aan haar is de dagvaarding op 23 juli 2010 betekend.

2.5. Op (een deel van) het perceel waarvan het te onteigenen deel uitmaakt is gevestigd een opstalrecht ten behoeve van de nutsvoorziening ten name van de Staat der Nederlanden (Ministerie van Defensie), zetelend te Den Haag, en een opstalrecht ten behoeve van de nutsvoorzieningen ten name van de Staat der Nederlanden (Ministerie van Verkeer en Waterstaat), zetelend te Den Haag. Aan beiden is de dagvaarding toegezonden bij brief van 22 juli 2010.

2.6. Door het te onteigenen perceelsgedeelte loopt een gasleiding van de Nederlandse Gasunie N.V. die in verband met de realisering van het werk zal moeten worden verlegd. Bij brief van 22 juli 2010 is de dagvaarding aan de Nederlandse Gasunie N.V. toegezonden.

2.7. De provincie heeft op 16 juni 2010 op de voet van art. 54a en volgende Ow ter griffie van deze rechtbank een verzoekschrift ingediend, strekkende tot opneming van de ligging en de gesteldheid van het te onteigenen voor de aanvang van het geding. Bij beschikking van 20 augustus 2010 (zaak-/rolnummer 170694 / HA RK 10-67) heeft de rechtbank drie deskundigen en een rechter-commissaris benoemd en is tevens een datum voor de plaatsopneming bepaald.

2.8. Op 8 oktober 2010 heeft de plaatsopneming plaatsgevonden, waarvan proces-verbaal is opgemaakt.

3. De standpunten van partijen

3.1. De provincie vordert – na vermindering van eis – dat de rechtbank voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

bij vervroeging uit zal spreken, ingevolge Titel IIa van de Onteigeningswet, ten behoeve van de omlegging van de provinciale weg N201 vanaf de Kruisweg ter hoogte van HOV-viaduct ‘De Hoek’ tot de Aalsmeerderweg, een parallelstructuur A4 vanaf de Bennebroekerweg tot de Kruisweg, alsmede de aansluiting van de Bennebroekerweg op de A4, met bijkomende werken, in de gemeente Haarlemmermeer, de onteigening, vrij van alle lasten en rechten, van de onroerende zaak, die is aangeduid op de grondplantekeningen die ingevolge de wet ter inzage hebben gelegen binnen de gemeente Haarlemmermeer en die in het Koninklijk Besluit van 15 maart 2010 nader is vermeld als:

• een gedeelte van het perceel, kadastraal bekend gemeente Haarlemmermeer, sectie AL, nummer 1329, (totaal groot 04.21.10 hectare) (terrein (grasland)), ter grootte van 00.66.40 ha (grondplannummer 18);

en,

indien het aanbod door [gedaagde] wordt aanvaard:

a. de schadeloosstelling voor [gedaagde] vast zal stellen op € 67.010,-- voor alle schaden en kosten hoe ook genaamd, te vermeerderen met een bedrag van € 1.240,-- voor de kosten van deskundige bijstand,

b. zal bepalen dat de provincie het bijkomend aanbod als vermeld in de dagvaarding sub 7 gestand zal doen,

althans indien het aanbod niet wordt aanvaard:

c. het voorschot op de schadeloosstelling voor [gedaagde] zal bepalen op 90 % van het aangeboden bedrag, derhalve op 90 % van € 67.010,-- te weten € 60.309,--,

d. zal bepalen dat de provincie het bijkomend aanbod als vermeld in de dagvaarding sub 7 gestand zal doen,

e. zal bepalen dat geen zekerheid voor de voldoening van de schadevergoeding nodig is, tenzij deze wordt verlangd en in dat laatste geval de wijze waarop de zekerheid zal worden gesteld zal vermelden,

en voorts:

f. zal bepalen dat het in de procedure met rekestnr. 170694 / HA RK 10-67 uit te brengen voorlopig oordeel heeft te gelden als (concept)deskundigenrapport in de onderhavige procedure, en

g. ingevolge artikel 54j, lid 2 van de Onteigeningswet de data voor nederlegging van het (concept)deskundigenrapport vast zal stellen,

alles kosten rechtens.

3.2. [gedaagde] voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De overwegingen

4.1. [gedaagde] heeft primair het verweer gevoerd dat de provincie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, omdat na de totstandkoming van het KB onvoldoende pogingen zijn gedaan om het onteigende minnelijk te verwerven. Volgens [gedaagde] heeft de provincie de onderhandelingen ná het KB ten onrechte als formaliteit beschouwd door tussen het KB en het laatste aanbod van 21 mei 2010 geen poging meer te doen tot minnelijke verwerving en had er voorafgaand aan dat aanbod eerst nog een gesprek tussen partijen moeten plaatsvinden. Dit klemt temeer, omdat [gedaagde] het economische belang bij de gronden pas recentelijk heeft herkregen en er pas na het KB voor het eerst met [gedaagde] kon worden gesproken als materieel belanghebbende, aldus [gedaagde]. Bovendien verwijt [gedaagde] de provincie dat het aanbod van 21 mei 2010 niet meer voor onderhandeling vatbaar was, omdat dit het uiterste bod van de provincie was, terwijl [gedaagde] nog verder had willen onderhandelen.

4.2. Dit verweer kan niet worden gevolgd. In zijn arrest van 8 april 1998 (NJ 1999, 24) heeft de Hoge Raad ten aanzien van artikel 17 Ow overwogen dat dit artikel vereist dat de poging om het te onteigenen goed in der minne te verwerven moet worden ondernomen in de periode tussen het Koninklijk Besluit en het uitbrengen van de dagvaarding. Volgens de Hoge Raad mag bij het antwoord op de vraag of de onteigenende partij aan dat voorschrift heeft voldaan mede acht worden geslagen op hetgeen zich voorafgaand aan het definitief worden van het onteigeningsbesluit met betrekking tot de verkrijging in der minne tussen partijen heeft afgespeeld en op het daaruit blijkende standpunt van de eigenaar.

4.3. In dit geval heeft de provincie onbetwist aangevoerd dat [A] (hierna: [A]) namens haar vanaf begin 2008, derhalve vóór het KB, met [gedaagde] en zijn toenmalige advocaat mr. E.M. van Zelm (hierna: mr. Van Zelm) heeft onderhandeld over de minnelijke verwerving van het te onteigenen perceelsgedeelte. In dat kader heeft [gedaagde] bij brieven van 19 juli 2008, 10 februari 2009 en 19 mei 2009 schriftelijke aanbiedingen ontvangen van [A] voor de koop van het te onteigenen perceelsgedeelte, waarbij in de brief van 19 mei 2009 een bedrag is geboden van € 51.000,-. Op 1 april 2008, 8 mei 2009 en 30 november 2009 hebben besprekingen plaatsgevonden met [gedaagde] en mr. Van Zelm. Dit heeft niet geleid tot overeenstemming tussen partijen.

Nadat het KB op 15 maart 2010 genomen was, heeft de provincie bij brief van haar advocaat van 21 mei 2010 aan [gedaagde] een laatste aanbod gedaan om te trachten het te onteigenen perceelsgedeelte van [gedaagde] te kopen, waarbij de provincie heeft aangeboden om daarvoor een bedrag van € 66.400,- te betalen. Naar aanleiding van dit aanbod heeft op 26 mei 2010 nog een bespreking plaatsgevonden tussen [A], [gedaagde] en diens advocaat mr. D. Winters. Partijen zijn daarbij niet tot een akkoord gekomen.

4.4. Uit het voorgaande blijkt dat de provincie voorafgaand aan het KB reeds verschillende pogingen heeft gedaan om het perceel grond bij minnelijke overeenkomst te verkrijgen en dat dit niet tot het beoogde resultaat heeft geleid. Gelet daarop heeft de provincie na het KB mogen volstaan met het voortzetten van de onderhandelingen door het doen van het aanbod bij brief van 21 mei 2010 en de daaropvolgende mondelinge bespreking van dat aanbod. Anders dan [gedaagde] kennelijk meent, bestaat er geen grond voor het oordeel dat de provincie voorafgaand aan haar schriftelijke aanbod van 21 mei 2010 eerst nog een gesprek met [gedaagde] had moeten voeren. Het feit dat [gedaagde] heeft aangevoerd dat de bespreking van 26 mei 2010 pas de eerste bespreking was waarbij hij als materieel belanghebbende betrokken was, omdat hij de economische eigendom van het te onteigenen perceelsgedeelte op enig moment bij koopovereenkomst heeft overgedragen aan een projectontwikkelaar en deze eerst in het voorjaar van 2010 weer heeft teruggekregen nadat de koopovereenkomst met de projectontwikkelaar was ontbonden, maakt dat niet anders. Voor zover [gedaagde] heeft bedoeld te betogen dat het opnieuw verkrijgen van de economische eigendom een nieuwe onderhandelingsverplichting voor de provincie betekende, faalt dit betoog. De verplichting om te onderhandelen over verkrijging in der minne geldt uitsluitend tegenover de in het KB aangewezen eigenaar dan wel de in het KB aangewezen rechthebbende (Hoge Raad 30 september 1998, LJN:AD2946). Nu in het KB uitsluitend [gedaagde] is aangewezen als eigenaar, rustte op de provincie enkel de plicht om met hem te onderhandelen. Niet in geschil is dat de onderhandelingen voorafgaand aan het KB en ook daarna steeds hebben plaatsgevonden met [gedaagde] zelf, zodat hij daar steeds bij betrokken is geweest en de provincie in zoverre heeft voldaan aan het bepaalde in artikel 17 Ow.

4.5. Evenmin kan [gedaagde] worden gevolgd in zijn standpunt dat het bod van de provincie van 21 mei 2010 geen uiterste bod had mogen zijn. In aanmerking genomen de eerdere vergeefse onderhandelingspogingen en het feit dat het laatste aanbod van de provincie van € 66.400,- bij de brief van 21 mei 2010 beduidend hoger was dan het bedrag van € 51.000,- dat voorafgaand aan het KB was aangeboden, is de rechtbank van oordeel dat de provincie met het laatste bod een serieuze poging heeft gedaan tot verkrijging van het te onteigenen perceelsgedeelte buiten rechte. Ook uit de bewoordingen in voornoemde brief van 21 mei 2010 blijkt dat het op dat moment de intentie van de provincie is geweest om het perceelsgedeelte op minnelijke wijze te verkrijgen. Zo staat daarin onder meer:

Ik [advocaat van de provincie, toev. rechtbank] benadruk echter dat het uitdrukkelijk niet de bedoeling van de provincie is om hiermee de gedane voorstellen in te trekken, dan wel lopende onderhandelingen te doorkruisen. Bereiken partijen op grond van het bovenstaande alsnog overeenstemming, dan zal de vervroegde opneming geen doorgang behoeven te vinden.

Het voorgaande in aanmerking genomen heeft de provincie zich voldoende moeite getroost om het perceel in der minne te verkrijgen en stond het haar vrij om het bod van 21 mei 2010 als uiterste bod te beschouwen.

4.6. Concluderend is de rechtbank van oordeel dat de provincie voldoende pogingen heeft gedaan om met [gedaagde] in der minne tot overeenstemming te komen en dat geen sprake is van schending van het bepaalde in artikel 17 Ow.

4.7. Subsidiair heeft [gedaagde] het aanbod van schadeloosstelling verworpen, nu hij door aanvaarding van dit aanbod niet volledig schadeloos wordt gesteld. [gedaagde] heeft daarbij verzocht het voorschot te bepalen op 90 % van de aangeboden schadeloosstelling en te bepalen dat de provincie haar aanbod over de reparatie van de drainage gestand zal doen, met veroordeling van de provincie in de kosten van deze procedure.

4.8. Nu blijkens de inhoud van de stukken alle op de onderhavige onteigening betrekking hebbende wettelijke voorschriften in acht zijn genomen en [gedaagde] als subsidiair standpunt de aangeboden schadeloosstelling niet heeft aanvaard, is de vordering tot een vervroegde uitspraak over de onteigening voor toewijzing vatbaar.

4.9. Overeenkomstig het bepaalde in artikel 54j Ow zal de rechtbank zich laten voorlichten door deskundigen voor begroting van de schadeloosstellingen. In verband daarmee stelt de rechtbank vast dat bij beschikking van deze rechtbank van 20 augustus 2010 met zaak-/rolnummer 170694 / HA RK 10-67 op de voet van artikel 54a Ow, op verzoek van de provincie, de benoeming van drie deskundigen alsmede de opneming door deze deskundigen is bepaald op 8 oktober 2010. Gelet hierop bepaalt de rechtbank dat het uit te brengen voorlopig oordeel zal gelden als een concept deskundigenrapport. Met betrekking tot de nederlegging van het deskundigenrapport zal de rechtbank het volgende bepalen. De uiterlijke datum voor nederlegging van een concept van het deskundigenrapport is bij gelegenheid van de gehouden plaatsopneming bepaald op 1 februari 2011. Partijen zullen gedurende een maand na de te bepalen datum de gelegenheid krijgen om op dit concept te reageren. De datum van nederlegging ter griffie van het definitieve deskundigenrapport zal worden bepaald op 2 maanden na de datum van nederlegging van het concept als hiervoor bedoeld.

4.10. De rechtbank zal het voorschot op de schadeloosstelling, overeenkomstig de vordering van de provincie en het verzoek van [gedaagde] vaststellen op 90 % van het aangeboden bedrag, derhalve op 90 % van € 67.010,-, te weten, € 60.309,-. Voorts zal de provincie, overeenkomstig haar vordering, worden veroordeeld het bijkomend aanbod als vermeld in de dagvaarding sub 7 gestand te doen. Nu [gedaagde] heeft aangegeven dat hij geen zekerheid verlangt voor het resterende deel van de schadeloosstelling zal daarvoor geen som als bedoeld in artikel 54i Ow worden vastgesteld.

4.11. Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. spreekt uit de vervroegde onteigening ingevolge Titel IIa Ow, ten name van de provincie ten behoeve van de omlegging van de provinciale weg N201 vanaf de Kruisweg ter hoogte van HOV-viaduct ‘De Hoek’ tot de Aalsmeerderweg, een parallelstructuur A4 vanaf de Bennebroekerweg tot de Kruisweg, alsmede de aansluiting van de Bennebroekerweg op de A4, met bijkomende werken, in de gemeente Haarlemmermeer, vrij van alle lasten en rechten, van de onroerende zaak, die is aangeduid op de grondplantekeningen die ingevolge de wet ter inzage hebben gelegen binnen de gemeente Haarlemmermeer en die in het Koninklijk Besluit van 15 maart 2010 nader is vermeld als:

• een gedeelte van het perceel, kadastraal bekend gemeente Haarlemmermeer, sectie AL, nummer 1329 (totaal groot 04.21.10 hectare) (terrein (grasland)), ter grootte van 00.66.40 ha (grondplannummer 18),

5.2. bepaalt het door de provincie als onteigenende partij te betalen voorschot op de schadeloosstelling op € 60.309,- (zestigduizend driehonderdnegen euro), rechtstreeks te betalen aan [gedaagde],

5.3. veroordeelt de provincie om het bijkomend aanbod zoals vermeld in de dagvaarding sub 7 gestand te doen, te weten om op kosten van de provincie de door aanleg van het werk doorgesneden drainage op het overblijvende perceel te herstellen,

5.4. bepaalt dat het voorlopig oordeel van de bij beschikking van 20 augustus 2010 van deze rechtbank met zaak-/rolnummer 170694 / HA RK 10-67 benoemde drie deskundigen zal gelden als een concept deskundigenrapport ter begroting van de schade in onderhavige procedure,

5.5. bepaalt dat het definitieve deskundigenrapport uiterlijk 2 maanden na de neerlegging van het concept deskundigenrapport in de procedure met zaak-/rolnummer 170694 / HA RK 10-67 op 1 februari 2011 ter griffie van de rechtbank dient te worden neergelegd,

5.6. verklaart dit vonnis in zoverre uitvoerbaar bij voorraad,

5.7. wijst het in de gemeente Haarlemmermeer verschijnende Haarlems Dagblad aan als nieuwsblad waarin overeenkomstig artikel 54 Ow een uittreksel van dit vonnis geplaatst dient te worden,

5.8. houdt iedere verdere beslissing, waaronder die omtrent de kosten, aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. S. Sicking, mr. E.L. Grosheide en mr. W.S.J. Thijs en in het openbaar uitgesproken op 13 oktober 2010.?