Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2010:BO2394

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
08-07-2010
Datum publicatie
18-11-2010
Zaaknummer
08/7926 en 08/7930
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Afvalstoffenheffing gemeente Zandvoort: heffingsmaatstaf gekoppeld aan gegevens gemeentelijke basisadministratie. Onderdeel 1.3 van de Tarieventabel moet als onverbindende rechtsregel buiten toepassing blijven.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Belastingblad 2011/39
V-N 2011/40.12 met annotatie van Redactie
FutD 2010-2700
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer

Zaaknummers: AWB 08/7926 en 08/7930

Uitspraakdatum: 8 juli 2010

Uitspraak in de gedingen tussen

X, wonende te Z, eiseres,

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Zandvoort, verweerder.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Verweerder heeft aan eiseres voor het tijdvak 1 mei 2007 tot 1 januari 2008 en voor het tijdvak 1 januari 2008 tot 1 januari 2009 voor het object x te Z aanslagen (aanslagnummers p en q) afvalstoffenheffing opgelegd naar het tarief bij gebruik door meer dan één persoon.

1.2. Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 18 november 2008 het bezwaar tegen de aanslag 2008 niet-ontvankelijk verklaard en bij uitspraak op bezwaar van 24 november 2008 de aanslag 2007 gehandhaafd.

1.3. Eiseres heeft tegen de uitspraken op bezwaar beroep ingesteld. Het beroep tegen de aanslag 2007 heeft de rechtbank geregistreerd onder nummer 08/7926 en het beroep tegen de aanslag 2008 onder nummer 08/7930.

1.4. Verweerder heeft op de zaken betrekking hebbende stukken overgelegd en verweerschriften ingediend.

1.5. Eiseres heeft zich in reactie op de verweerschriften nader schriftelijk uitgelaten. Een afschrift hiervan is aan verweerder verstrekt.

1.6. De rechtbank heeft verweerder verzocht naar de zitting een uittreksel uit de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens mee te nemen waaruit blijkt of perceel x al dan niet in die administratie voorkomt.

1.7. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 juni 2010. Namens eiseres is verschenen haar vader B. Namens verweerder is verschenen C.

2. Tussen partijen vaststaande feiten

2.1. Eiseres is eigenares van het appartement x te Z en woont daar sedert mei 2007 en ook in 2008. Het appartement is een perceel in de zin van de Verordening reinigingsheffingen 2007 van de gemeente Zandvoort (hierna: de Verordening) waar huishoudelijke afvalstoffen ontstaan en ten aanzien waarvan een verplichting voor de gemeente geldt tot het inzamelen van dat afval.

2.2. Eiseres heeft zich omstreeks mei 2007 tot de gemeente gewend om zich als bewoner op het adres x te doen inschrijven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens. Inschrijving heeft niet plaatsgevonden. Eiseres is nog steeds ingeschreven als wonend op het adres van haar vader aan b te Z.

2.3. Het appartement x is onderdeel van een complex recreatiewoningen. Op grond van het ter plaatse geldende bestemmingsplan is het verboden het appartement te gebruiken voor permanente bewoning. Tegen permanente bewoning treedt de gemeente Zandvoort handhavend op.

3. Geschil en standpunten van partijen

3.1. In geschil is of voor eiseres voor 2007 en 2008 het tarief voor gebruik door één persoon geldt, dat in beide jaren voor een volledig jaar € 180,70 bedraagt of het tarief voor gebruik door meer dan één persoon dat in beide jaren voor een volledig jaar € 246,84 bedraagt.

3.2. Eiseres voert aan dat voor haar het éénpersoonstarief geldt, omdat zij het appartement alleen bewoont. Zij wijst erop dat verweerder wel beweert dat zij zich als alleenwonend op het adres kan inschrijven, maar dat een inschrijving de facto niet mogelijk is omdat tegen de permanente bewoning van een voor recreatiedoeleinden bestemde woning door de gemeente handhavend wordt opgetreden en vervolgens x niet langer als haar woonadres in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens zal zijn vermeld. Eiseres concludeert tot gegrondverklaring van de beroepen, vernietiging van de uitspraken op bezwaar en vermindering van de belastingaanslagen tot aanslagen berekend naar het tarief voor gebruik door één persoon.

3.3. Verweerder voert aan dat hij de beroepsgronden van eiseres aldus opvat dat zij stelt alleen te wonen op x. Volgens verweerder kan die stelling eiseres niet baten. Hij wijst erop dat niemand op dat adres staat ingeschreven en dat hij het aantal personen dat gebruik maakt van perceel x op grond van de bepalingen van de Verordening daarom terecht heeft vastgesteld op twee. Hij concludeert tot ongegrondverklaring van beide beroepen.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. Tussen partijen is niet in geschil dat verweerder in de uitspraak op bezwaar tegen de aanslag 2008 ten onrechte ervan is uitgegaan dat het bezwaar na de wettelijke bezwaartermijn zou zijn gemaakt. Dat betekent dat eiseres in die uitspraak ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard, het beroep gegrond is en die uitspraak om die reden niet in stand kan blijven. Partijen hebben echter eenparig aan de rechtbank verzocht ook over het inhoudelijke geschilpunt over dat jaar uitspraak te doen, zodat terugwijzing van de zaak naar verweerder achterwege blijft.

4.2. De Tarieventabel behorende bij de Verordening (hierna: Tarieventabel) van de gemeente Zandvoort, welke Verordening en Tarieventabel voor zowel 2007 als 2008 gelden, luidt, voor zover van belang:

“Hoofdstuk 1 Maatstaf en jaarlijkse tarieven afvalstoffenheffing

1.1 De belasting bedraagt per perceel per belastingjaar:

1.1.1 bij gebruik daarvan door ten hoogste één persoon € 180,70

1.1.2 bij gebruik daarvan door meer dan één persoon € 246,84

1.2 Het aantal personen dat gebruik maakt van een perceel wordt beoordeeld naar de situatie op 1 januari van het belastingjaar, of zo dit later is, bij de aanvang van de belastingplicht op basis van de gegevens volgens de gemeentelijke basisadministratie van de gemeente Zandvoort (GBA).

1.3. In afwijking van onderdeel 1.2 wordt, indien volgens de gegevens van de gemeentelijke basisadministratie van de gemeente Zandvoort bij het begin van het belastingjaar of, zo dit later is, bij de aanvang van de belastingplicht op een perceel niemand staat ingeschreven, terwijl er wel sprake is van

feitelijk gebruik van een perceel ten aanzien waarvan krachtens artikel 10.21 en 10.22 van de Wet milieubeheer een verplichting tot het inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen geldt, het aantal personen dat gebruik maakt van een perceel bepaald op twee.

1.4. In afwijking van onderdeel 1.2 wordt, indien een perceel niet voorkomt in de gemeentelijke basisadministratie van de gemeente Zandvoort terwijl het perceel wel aangemerkt dient te worden als een perceel ten aanzien waarvan krachtens artikel 10.21 en 10.22 van de Wet milieubeheer een verplichting tot het inzamelen van huishoudelijke afvalstoffen geldt, het aantal personen dat gebruik maakt van een perceel bepaald op twee.”

4.3. Ter zitting heeft verweerder toegelicht dat de gemeentelijke basisadministratie een administratie van persoonsgegevens is en geen administratie van perceelsgegevens. Dat betekent dat een perceel niet het onderwerp vormt van de gemeentelijke basisadministratie. Een perceel komt alleen voor in de gemeentelijke basisadministratie als op het aan het perceel toegekende adres een persoon ingeschreven staat of ingeschreven heeft gestaan. Slechts in dat geval kan worden gesteld dat een perceel voorkomt in de gemeentelijke basisadministratie als bedoeld in onderdeel 1.4 van de Tarieventabel. Ter zitting heeft verweerder – op verzoek van de rechtbank – een uitdraai van gegevens uit de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens overgelegd waarin is vermeld dat op het adres x te Z laatstelijk tot 9 augustus 2006 drie personen, anderen dan eiseres, waren ingeschreven als bewoners.

4.4. Partijen hebben in de van hen afkomstige stukken en ter zitting standpunten ingenomen over de vraag of inschrijving als (permanent) bewoner op het adres x mogelijk is.

Indien een persoon voldoet aan de eis van artikel 1 van de Wet gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens dat hij op x woont, of, indien hij op meer dan één adres woont, op x naar redelijke verwachting gedurende een half jaar de meeste malen zal overnachten, kan hij op grond van artikel 26 of 27 van die wet in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens op dat adres worden ingeschreven.

De rechtbank concludeert op grond van die wettelijke bepaling, mede gelet op de onder 4.3 bedoelde uitdraai en de door partijen verstrekte gegevens over het perceel, dat eiseres, die stelt (uitsluitend) op x te wonen, op dat adres kan worden ingeschreven. Inschrijving heeft evenwel niet plaatsgevonden. Hieruit volgt dat op haar situatie niet onderdeel 1.4, maar in beginsel onderdeel 1.3 in verband met 1.1.2 van de Tarieventabel van toepassing is. De aanslag is volgens de maatstaf en het tarief in de Tarieventabel in beide jaren dus naar het juiste bedrag, te weten naar gebruik door meer dan één persoon, vastgesteld. Dat oordeel wordt – gelet op de tekst van de Tarieventabel en de daarop ter zitting door verweerder gegeven toelichting – niet anders ook al zijn partijen het erover eens dat de afdeling burgerzaken van de gemeente Zandvoort aan eiseres, toen zij zich omstreeks mei 2007 wilde inschrijven op x, aan haar heeft geadviseerd dat niet te doen en in het geval er wel inschrijving had plaatsgevonden die inschrijving daarna weer ongedaan was gemaakt.

4.5. De rechtbank ziet echter – gelet op de beroepsgrond van eiseres dat zij het niet eens is met de wijze waarop de hoogte van de afvalstoffenheffing in de gemeente Zandvoort wordt bepaald – aanleiding te onderzoeken of de in onderdeel 1.3 van de Tarieventabel opgenomen heffingsmaatstaf de toetsing in rechte kan doorstaan. De Verordening kan die toetsing onder meer niet doorstaan als sprake is van een onredelijke of willekeurige heffingsmaatstaf die de wetgever bij het toekennen van de verordenende bevoegdheid aan de gemeente niet op het oog kan hebben gehad. Die situatie doet zich in onderhavig geval voor, om de hierna volgende redenen.

4.6. Verweerder heeft ter zitting toegelicht dat de gemeenteraad voor ogen stond dat bij de tariefstelling wordt gedifferentieerd tussen huishoudens die bestaan uit meer dan één persoon, en huishoudens die bestaan uit één persoon. Om vast te stellen of sprake is van een één- of meerpersoonshuishouden wenst de gemeente gebruik te maken van de gegevens in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens. Op zichzelf kan de gemeenteraad in redelijkheid de heffingsmaatstaf in beginsel koppelen aan gegevens in dat systeem. De uitwerking van die koppeling voor gevallen waarin blijkens de gegevens in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens niemand op een perceel staat ingeschreven, is echter niet aanvaardbaar. Dat in die situatie wordt uitgegaan van een fictie van gebruik door meer dan één persoon is onredelijk en levert een ongerechtvaardigde ongelijke behandeling op met andere éénpersoonshuishoudens die wel zijn ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie. Te meer, nu ter zitting is gebleken dat eiseres geen inschrijving op x zal kunnen bewerkstelligen en handhaven, omdat dit strijdt met het bestemmingsplan. Van haar kan gelet op deze omstandigheden ook niet worden verlangd te trachten inschrijving ten behoeve van de afvalstoffenheffing toch te bewerkstelligen. Dat betekent dat steeds toepassing van het meerpersoonstarief aan de orde zal zijn, ook als eiseres alleen gebruik maakt van het perceel. Voorts valt niet in te zien dat de heffingsambtenaar niet zou kunnen onderzoeken of sprake is van gebruik door één of meer personen opdat bij de bedoeling van de gemeentelijke wetgever kan worden aangesloten om te heffen naar de omvang van het huishouden, terwijl hij wel in staat blijkt te onderzoeken dat een perceel in gebruik is zonder dat er iemand op dat adres is ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie persoonsgegevens. Onderdeel 1.3 van de Tarieventabel moet daarom als onverbindende rechtsregel buiten toepassing blijven.

4.7. Tegenover de gemotiveerde verklaringen van eiseres dat zij het perceel alleen bewoont, heeft verweerder niet aannemelijk gemaakt dat sprake is van bewoning door meer dan één persoon. Hij heeft daar ook geen onderzoek naar verricht. Dat betekent dat op grond van onderdeel 1.1 in combinatie met 1.1.1 van de Tarieventabel op haar het éénpersoonstarief moet worden toegepast. Voor 2007 wordt het bedrag op grond van artikel 8, tweede lid van de Verordening, berekend over de periode vanaf 1 mei 2007en dus op 2/3 van het jaartarief. Voor 2008 is op haar situatie het jaartarief van toepassing.

4.8. De beroepen zijn ten aanzien van beide aanslagen gegrond. De uitspraken op bezwaar en de aanslagen kunnen niet ongewijzigd in stand blijven. De rechtbank zal de aanslagen in overeenstemming met het onder 4.7 overwogene verminderen.

5. Proceskosten

De rechtbank spreekt geen veroordeling van verweerder uit in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van de beroepen heeft moeten maken, omdat geen kosten zijn gesteld of gebleken die op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor vergoeding in aanmerking komen. Verweerder dient wel het in beide zaken tezamen eenmaal geheven griffierecht te vergoeden.

6. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart de beroepen gegrond;

- vernietigt de uitspraken op bezwaar;

- verminderd de aanslag afvalstoffenheffing 2007 tot € 120,46 en de aanslag 2008 tot € 180,70 en bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van de vernietigde uitspraken op bezwaar;

- gelast dat verweerder het door eiseres betaalde griffierecht van € 39 vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan op 8 juli 2010 en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken door mr. R.H.M. Bruin, voorzitter, mr. E. Polak en mr. M.H.L.C. Bijvoet, rechters, in tegenwoordigheid van mr. E.P. Van der Zalm, griffier.

Afschrift verzonden aan partijen op:

De rechtbank heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van de uitspraak in geanonimiseerde vorm.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.