Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2010:BO2155

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
04-10-2010
Datum publicatie
29-10-2010
Zaaknummer
15/840019-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De meervoudige strafkamer van de rechtbank Haarlem heeft verdachte terzake van het medeplegen van witwassen veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van tien weken. Een geldbedrag van 24.850 euro dat in beslag genomen was, is door de rechtbank verbeurdverklaard.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector Strafrecht

Locatie Schiphol

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/840019-09

Uitspraakdatum: 4 oktober 2010

Verstek

Strafvonnis

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 20 september 2010 in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

wonende te [adres].

1. Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 14 januari 2009, te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, een voorwerp, te weten een geldbedrag van in totaal (ongeveer) 24.850,00 euro, heeft verworven, voorhanden heeft gehad, heeft overgedragen en/of omgezet, althans van een voorwerp, te weten voornoemd geldbedrag, gebruik heeft gemaakt, terwijl hij en/of zijn mededader(s) wist(en), althans redelijkerwijs had(den) moet(en) vermoeden, dat bovenomschreven voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf.

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit en gevorderd dat verdachte ter zake daarvan zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier (4) maanden, waarvan twee (2) maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

Ten aanzien van het beslag heeft de officier van justitie de verbeurdverklaring van het in beslag genomen geldbedrag van € 24.850 gevorderd.

4. Bewijs

4.1. Redengevende feiten en omstandigheden

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit op grond van de navolgende bewijsmiddelen.

Op 14 januari 2009 vindt op de luchthaven Schiphol, gelegen in de gemeente Haarlemmermeer, bij gate G-03 een douanecontrole plaats van passagiers reizende naar Turkije. Tijdens de controle is ook een man, genaamd [mededader], gecontroleerd. De man heeft zowel in zijn laptoptas als in zijn jas een enveloppe met daarin een stapel eurobiljetten. In totaal gaat het om een bedrag van € 24.850,00. Dit bedrag – dat in beslag is genomen en is samen gesteld uit 69 biljetten van € 50,00, 14 biljetten van € 100,00 en 40 biljetten van

€ 500,00 – is overgedragen aan de FIOD-ECD. Bij de gate was de douane duidelijk aanwezig met een mobiel aangiftepunt en manshoge voorlichtingsposters waarop was te lezen, dat passagiers aangifte moeten doen van (het in bezit hebben van) € 10.000 of meer bij het verlaten of binnenkomen van de Europese Unie. [mededader] had een dergelijke aangifte niet gedaan.

Uit onderzoek bleek dat [mededader] ook op 26 december 2008 op Schiphol was gecontroleerd, wederom als vertrekkende passagier richting Turkije. Ook toen had hij een aanzienlijk geldbedrag bij zich, te weten een bedrag van € 59.380,00, bestaande uit onder meer 547 biljetten van € 50,00 en 300 biljetten van € 100,00 en 4 biljetten van € 500,00. [mededader] had ook toen geen aangifte gedaan. Door de douane is hij toen uitdrukkelijk op de aangifteverplichting gewezen. De rechtbank leidt uit dit laatste af dat [mededader] op 14 januari 2009 bekend moet zijn geweest met de aangifteverplichting.

[mededader] heeft zowel ten aanzien van het geldbedrag van € 24.850,00 als ten aanzien van het geldbedrag van € 59.830,00 verklaard, dat hij dit van verdachte heeft gekregen. Verdachte zou hem deze gelden hebben gegeven in verband met (de aankoop en/of inrichting (door hem) van) een huis in Turkije.

Op 14 januari 2009 had [mededader] twee geldopnamebonnen bij zich, te weten een bon van een opname op 13 januari 2009 van € 20.000,00 van een rekeningnummer ten naam gesteld van de verdachte en eindigend op 827, en een bon van een opname op 2 mei 2008 van

€ 4.500,00 van eveneens een rekeningnummer op naam van de verdachte en ook eindigend op 827. Op 26 december 2008 had [mededader] (een kopie van) laatstgenoemde bon eveneens bij zich. [mededader] verklaarde toen tegen de douane: “De persoon die mij het geld heeft gegeven vertelde mij dat ik met de pinbonnetjes geen problemen zou krijgen bij de Douane.” De rechtbank merkt op dat het opmerkelijk is dat de geldopname van € 4.500,00 kennelijk gerelateerd wordt aan zowel het geldbedrag dat hij bij zich had op 26 december 2008 als het bedrag dat hij bij zich had op 14 januari 2008.

Naar aanleiding van het bovenstaande is onderzoek gedaan naar degene van wie [mededader] het geldbedrag van € 24.850,00 (14 januari 2009) had gekregen, te weten verdachte.

Verdachte heeft tijdens een verhoor bevestigd dat hij zowel het bedrag van € 59.380,00 als het bedrag van € 24.850,00 aan [mededader] heeft gegeven en dat deze geldbedragen verband houden met (de aankoop en/of inrichting) van een door hem gekocht huis in Turkije.

Voorts heeft verdachte tijdens dit verhoor verklaard dat hij tot 1 juli 2008 werkzaam is geweest bij de Nederlandse Spoorwegen (NS) en dat hij op dit moment (datum van het verhoor: 16 januari 2009) een uitkering op grond van de Werkloosheidswet (Ww) geniet. Na zijn vertrek bij de NS had hij een aantal maandsalarissen meegekregen.

Uit een raadpleging van het systeem van de Belastingdienst is gebleken dat verdachte in de volgende jaren de volgende brutolonen heeft genoten:

- 2005 : € 35.110,00;

- 2006 : € 36.730,00;

- 2007 : € 38.174,00;

- 2008 : € 57.946,00.

De rechtbank is van oordeel dat in vergelijking met deze bedragen een geldbedrag van

€ 24.850,00 en een geldbedrag van € 59.380,00 (totaal: € 84.230,00) aanzienlijk zijn te noemen.

Uit het onderzoek naar verdachte bleek voorts dat hij de volgende bankrekeningen bij de ABN-AMRO bank op zijn naam had staan:

- [bankrekeningnummer 1] : Flexibel Kredietrekening (op naam van verdachte en/of zijn echtgenote);

- [bankrekeningnummer 2] : Privé rekening (op naam van alleen verdachte).

Uit de bankafschriften van deze rekeningen bleek – wat betreft de periodes rond de geldopnames waarvan [mededader] op 14 januari 2009 bonnen bij zich had – onder andere het volgende:

Rekeningnummer [bankrekeningnummer 1]

- 29 april 2008 (14.32 uur) : Storting van € 5.130,00;

- 29 april 2008 (14.35 uur) : Storting van € 7.000,00;

- 29 april 2008 (14.36 uur) : Storting van € 3.000,00;

- 29 april 2008 (14.38 uur) : Storting van € 2.150,00;

- 2 mei 2008 : Opname van € 10.000,00;

- 2 mei 2008 : Opname van € 4.500,00;

- 2 mei 2008 : Opname van € 3.200,00;

- 6 januari 2009 (15.45 uur) : Storting van € 9.160,00;

- 6 januari 2009 (15.48 uur) : Storting van € 6.890,00;

- 13 januari 2009 : Opname van € 20.000,00.

Rekeningnummer [bankrekeningnummer 2]

- 29 april 2008 (14.14 uur) : Storting van € 1.940,00;

- 29 april 2008 (14.17 uur) : Storting van € 5.100,00;

- 29 april 2008 (14.20 uur) : Storting van € 4.730,00;

- 29 april 2008 (14.22 uur) : Storting van € 4.930,00;

- 29 april 2008 (14.41 uur) : Storting van € 8.000,00;

- 2 mei 2008 : Opname van € 4.500,00;

- 2 mei 2008 : Opname van € 4.500,00;

- 2 mei 2008 : Opname van € 1.800,00;

- 2 mei 2008 : Opname van € 10.035,00.

De rechtbank is van oordeel dat het gezien verdachtes inkomenspositie op zijn zachtst gezegd zeer opmerkelijk is te noemen dat voormelde stortingen – tot enkele duizenden euro’s – kunnen zijn gedaan. Daarnaast valt op dat in een paar minuten tijd vele stortingen worden gedaan en dat vervolgens enkele dagen later aanzienlijke geldbedragen worden opgenomen.

Verdachte is tijdens een van zijn verhoren met de bovenstaande onderzoeksresultaten geconfronteerd. Op vragen daarover heeft verdachte verklaard dat hij van buren en vrienden geld heeft geleend. Van die leningen is niets op papier gezet, aldus verdachte. Voorts beroept verdachte zich ten aanzien van de vragen, wie die buren en vrienden zijn en, wat de reden voor de leningen (en de daaropvolgende stortingen en opnames) was, op zijn zwijgrecht. Ook op de vraag, waarom hij [mededader] de opnamebonnen heeft meegegeven, beroept verdachte zich op zijn zwijgrecht.

Gelet op hetgeen hiervoor is weergegeven, in onderling verband en samenhang beschouwd, is de rechtbank van oordeel dat redelijkerwijs geen andere conclusie mogelijk is dan dat het geldbedrag van € 24.850,00 dat [mededader] op 14 januari 2009 bij zich had van misdrijf afkomstig is. Daarbij spelen, kort gezegd en samenvattend, met name de volgende omstandigheden een rol:

- de hoogte en de coupures van het geldbedrag;

- het contant aanwezig hebben van dit geldbedrag;

- het niet aangeven van dit geldbedrag bij de douane;

- de soortgelijke handeling op 26 december 2008 (€ 59.380,00), waarbij een zelfde geldopnamebon is getoond;

- de beschreven inkomenspositie van verdachte en de weergegeven stortingen en opnames van verdachtes

bankrekeningen,

en tot slot de omstandigheid dat verdachte, geconfronteerd met dit alles – waarop een ernstige verdenking van witwassen is gebaseerd – geen aannemelijke verklaring heeft gegeven voor de herkomst van het geld. De rechtbank gaat namelijk voorbij aan de – kennelijke – verklaring van verdachte dat hij dit geld van buren en/of vrienden heeft geleend. Aangezien daarvan niets op papier staat en verdachte, om niet toegelichte redenen, zich op verdere vragen daarover op zijn zwijgrecht heeft beroepen, is deze verklaring niet geloofwaardig. Voorts is de rechtbank van oordeel dat uit het bovenstaande tevens volgt dat verdachte en [mededader], die nauw en bewust hebben samengewerkt, van de illegale herkomst van het geld moeten hebben geweten.

4.2. Bewezenverklaring

Gezien het bovenstaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, in dier voege dat:

hij op 14 januari 2009 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, tezamen en in vereniging met een ander een voorwerp, te weten een geldbedrag van in totaal 24.850,00 euro, voorhanden heeft gehad, terwijl hij en zijn mededader wisten dat bovenomschreven voorwerp - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, heeft de rechtbank deze verbeterd. De verdachte is daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

Hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

5. Strafbaarheid van het feit

Het bewezen verklaarde is strafbaar en levert op:

Medeplegen van witwassen.

6. Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dus strafbaar.

7. Motivering van de sancties

7.1. Hoofdstraf

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezen verklaarde, de omstandigheden waaronder dit is begaan alsmede de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich samen met zijn mededader schuldig gemaakt aan het witwassen van een geldbedrag van ongeveer € 25.000,00. Verdachte en zijn mededader hebben een aanzienlijke hoeveelheid geld, waarvan zij wisten dat het van misdrijf afkomstig was, voorhanden gehad en geprobeerd te onttrekken aan het zicht van politie en justitie. Door opbrengsten van misdrijven aan het zicht van justitie te onttrekken en deze vervolgens zonder dat die illegale herkomst daarvan zichtbaar wordt in omloop te brengen, wordt de integriteit van het financieel en economisch verkeer ernstig aangetast. Bovendien bevordert het handelen van verdachte het plegen van delicten omdat zonder het verschaffen van een schijnbaar legale herkomst van criminele gelden – hetgeen verdachte heeft gedaan – het genereren van illegale winsten een stuk minder lucratief zou zijn.

De rechtbank rekent verdachte zijn handelen zwaar aan en is gelet op de aard en de ernst van dit handelen, met de officier van justitie, van oordeel dat oplegging van een gevangenisstraf een passende straf(modaliteit) is.

Hierbij heeft de rechtbank betrokken dat verdachte tegenover de Koninklijke Marechaussee geen openheid van zaken heeft gegeven aangaande het ten laste gelegde en dat hij ter zitting verstek heeft laten gaan. Mede daarom ziet de rechtbank geen aanleiding voor het opleggen van een werkstraf en een voorwaardelijke (gevangenis)straf.

Bij het bepalen van de duur van de op te leggen gevangenisstraf heeft de rechtbank rekening gehouden met de hoogte van het geldbedrag dat is witgewassen en het feit dat verdachte niet eerder is veroordeeld. Voorts heeft de rechtbank gekeken naar straffen welke in soortgelijke gevallen plegen te worden opgelegd.

Op grond van het vorenoverwogene is de rechtbank van oordeel dat een vrijheidsbenemende straf van na te noemen duur moet worden opgelegd.

7.2. Verbeurdverklaring

De rechtbank is van oordeel dat het in beslag genomen en niet teruggegeven geldbedrag van € 24.850,00 dient te worden verbeurd verklaard. Uit het onderzoek op de terechtzitting is immers gebleken dat het bewezen verklaarde feit met betrekking tot dit geldbedrag, dat aan verdachte toebehoort, is begaan.

8. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

33, 33a, 47 en 420bis van het Wetboek van Strafrecht.

9. Beslissing

De rechtbank:

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 4.2. weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezen verklaarde feit het hierboven onder 5. vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 10 (tien) weken.

Verklaart verbeurd:

een geldbedrag van € 24.850,00

(69 biljetten van € 50,00 en 14 biljetten van € 100,00 en 40 biljetten van € 500,00).

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. S. Jongeling, voorzitter,

mrs. E.P.W. van de Ven en A.J. Wolfs, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffiers J.A. Huismans en S. Hoeben,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 4 oktober 2010.

Mr. A.J. Wolfs is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.