Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2010:BO1654

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
27-07-2010
Datum publicatie
25-10-2010
Zaaknummer
162151-09-3322
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

huwelijksvermogensrecht. Op grond van de hiervoor genoemde omstandigheden stelt de rechtbank vast dat de man tot nu toe zijn medewerking aan de vaststelling van de verdeling van de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap heeft onthouden, doordat hij de daartoe noodzakelijke gegevens niet, althans in volstrekt onvoldoende mate heeft verstrekt en beslissingen van de rechtbank in dat verband heeft genegeerd. Om die reden ziet de rechtbank aanleiding de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap te verdelen op basis van schatting, als na te melden. Het standpunt van de man dat vanwege de complexiteit van de zaak thans geen verdeling kan worden vastgesteld wordt verworpen. De man heeft immers ruimschoots de gelegenheid gehad om de rechtbank inzicht te verschaffen omtrent de samenstelling en de waarde van de gemeenschap.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FJR 2011, 21 met annotatie van mr. C. de Bie-Koopman
JPF 2011/146
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector civiel

familie- en jeugdrecht

echtscheiding/tegenspraak

zaak-/rekestnr.: 162151/09-3322

beschikking van de meervoudige kamer voor familiezaken van 27 juli 2010

in de zaak van:

[naam vrouw],

wonende te [plaats],

hierna te noemen: de vrouw,

advocaat mr. O.J.V. van Beekhof, kantoorhoudende te Naarden,

tegen

[naam man],

wonende te [plaats],

hierna te noemen: de man.

advocaat mr. W.T. Doyer, kantoorhoudende te Haarlem.

1 Procedure

1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de beschikking van deze rechtbank van 19 januari 2010;

- de brief, met bijlagen, van de advocaat van de man van 18 maart 2010;

- de brief, met bijlagen, van de advocaat van de vrouw van 12 mei 2010;

- het wijzigingsverzoek van de advocaat van de vrouw van 12 mei 2010;

- de reactie op dit verzoek van de advocaat van de man van 28 juni 2010;

- het wijzigingsverzoek, met bijlage, van de advocaat van de vrouw van 1 juli 2010.

1.2 De voortgezette behandeling van de zaak heeft plaatsgevonden op de zitting van 8 juli 2010 in aanwezigheid van partijen, de vrouw bijgestaan door mr. Van Beekhof en de man door mr. Doyer.

2 Verdere beoordeling

2.1 Bij beschikking van 19 januari 2010 is onder meer tussen partijen de echtscheiding uitgesproken, het voortgezet gebruik van de echtelijke woning aan de vrouw toegewezen, en heeft de rechtbank bepaald dat de man alle op de woning toeziende lasten zal voldoen in een bepaalde periode en dat hij aan de vrouw als uitkering in haar levensonderhoud zal voldoen

€ 10.898 netto per maand, zolang de vrouw nog in de echtelijke woning verblijft en € 14.398 netto per maand zodra de vrouw de echtelijke woning heeft verlaten. De rechtbank heeft de zaak met betrekking tot de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap, de pensioenverevening en de proceskosten aangehouden. De rechtbank heeft bepaald dat de man uiterlijk op 18 maart 2010 een voorstel tot verdeling dient te over te leggen en dat de vrouw binnen acht weken na ontvangst hierop kan reageren.

2.2 Bij brief van 18 maart 2010 heeft de man de volgende stukken overgelegd:

- een brief van [naam] accountants & belastingadviseurs b.v. (hierna; [naam]) van 17 maart 2010 betreffende de vermogensopstelling van de man;

- de jaarrekening 2008 van [naam onderneming A], waarbij is opgemerkt dat de man een vordering heeft op zijn AG;

- de jaaropgave 2007 van de inkomsten uit [naam onderneming B];

- de jaaropgave 2007 van de inkomsten van [naam onderneming B];

- de jaaropgave 2008 van de inkomsten uit [naam onderneming B]

- voorlopige opgave vermogen van de man;

- saldo per 31 december 2008 van de bankrekening bij [naam bank];

- saldo per 31 december 2008 van de bankrekening bij [naam bank];

- Statuten Stichting [naam], waarin de nalatenschap is ondergebracht;

- Beistatuten Stichting [naam];

- Fiscaal rapport 2006, zonder buitenlands vermogen;

- Fiscaal rapport 2007, zonder buitenlands vermogen.

De man heeft geen voorstel tot verdeling gedaan. De man heeft voornoemde stukken niet voorzien van enige toelichting.

2.3 Bij brief van 12 mei 2010 heeft de vrouw haar reactie aan de rechtbank doen toekomen. Zij heeft ten eerste aangevoerd dat de man wederom niet alle stukken heeft overgelegd, zodat zij nogmaals verzoekt om de man een dwangsom op te leggen van

€ 10.000 voor iedere dag dat de man de beschikking van de rechtbank van 19 januari 2010 onder 3.6 niet nakomt.

De vrouw heeft voorts van haar zijde een voorstel tot verdeling gedaan. De vrouw heeft de waarde van het tussen partijen te verdelen vermogen (exclusief de inboedel) geschat op

€ 5.000.000 en acht het redelijk dat haar aandeel wordt vastgesteld op € 2.500.000. De vrouw verzoekt de rechtbank te bepalen dat deze waarde wordt vastgesteld en dat de man jegens de vrouw gehouden is binnen een maand na de datum van deze beschikking aan haar het bedrag van € 2.500.000 te voldoen, alsmede te bepalen, althans voor het recht te verklaren, dat partijen aldus volledig jegens elkaar gekweten zijn en dat de man in zijn onderlinge verhouding tot de vrouw gehouden is de gehele schuld jegens de fiscus te dragen.

2.4 De man heeft bij brief van 28 juni 2010 op dit wijzigingsverzoek gereageerd. Volgens de man zijn de eerdere verzoeken van de vrouw tot oplegging van een dwangsom door de rechtbank afgewezen, waaronder laatstelijk in kort geding, zodat de vrouw nu niet opnieuw om een dwangsom kan vragen.

De man heeft voorts een reactie op het voorstel van de vrouw gegeven en daarbij verklaard dat zijn vermogensbeschrijving ten behoeve van de belastingdienst in het kader van zijn gebruikmaking van de zogenaamde inkeerregeling vertraging heeft opgelopen. Hij heeft in dat verband overgelegd een door [naam accountant] opgestelde vermogensbeschrijving over de jaren 2007 tot en met 31 december 2010.

2.5 De vrouw heeft naar aanleiding van de laatste stukken van de man haar verzoek gewijzigd cq aangevuld in die zin dat zij voor een aantal bestanddelen van de huwelijksgemeenschap opteert voor het inschakelen van een deskundige of het horen van getuigen.

2.6 De man heeft ter zitting verklaard dat hij ten behoeve van de inkeerregeling nog bezig is met het verzamelen van stukken over zijn buitenlands vermogen. Volgens hem heeft [naam accountant] uitstel gevraagd bij de belastingdienst voor indiening van stukken en is hem uitstel verleend tot eind augustus. De man heeft voorts verklaard dat hij in december 2009, nadat de onderhandeling tussen hem en de vrouw op niets was uitgelopen, de beslissing heeft genomen om in verband met zijn buitenlands vermogen gebruik te maken van de inkeerregeling bij de belastingdienst. De man heeft aangevoerd dat er gezien de complexiteit van de zaak thans geen verdeling kan worden vastgesteld.

2.7 De rechtbank overweegt het volgende. De man heeft in zijn verweerschrift van 10 september 2009 reeds aangegeven dat hij bezig was om gegevens te verzamelen en dat hij verwachtte eind 2009 een volledig overzicht te hebben ontvangen van zijn accountant. De man heeft niet voldaan aan de tussenbeschikking van 12 oktober 2009, waarbij hij is veroordeeld om de daarin genoemde stukken te overleggen. Hij heeft evenmin gevolg gegeven aan de beschikking van 19 januari 2010 waarin was bepaald dat hij uiterlijk 18 maart 2010 een voorstel tot verdeling, onderbouwd met stukken, diende over te leggen. De beslissing van de man om gebruik te maken van de inkeerregeling, nog daargelaten dat deze beslissing voor zijn rekening en risico komt, laat onverlet dat de man in staat moet zijn om een overzicht van de omvang van de huwelijksgemeenschap in het geding te brengen dan wel om stukken te kunnen over te leggen.

Zelfs die gegevens, waarvan duidelijk is dat die hem direct ter beschikking staan, heeft de man niet in het geding gebracht. Het betreft hier bijvoorbeeld twee hypotheken, die zijn genoemd in de door hem overgelegde vermogensbeschrijving (betreffen een schuld aan de heer [naam], de accountant van de familie van de man, en een schuld aan de moeder van de man).

Op grond van de hiervoor genoemde omstandigheden stelt de rechtbank vast dat de man tot nu toe zijn medewerking aan de vaststelling van de verdeling van de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap heeft onthouden, doordat hij de daartoe noodzakelijke gegevens niet, althans in volstrekt onvoldoende mate heeft verstrekt en beslissingen van de rechtbank in dat verband heeft genegeerd. Om die reden ziet de rechtbank aanleiding de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap te verdelen op basis van schatting, als na te melden. Het standpunt van de man dat vanwege de complexiteit van de zaak thans geen verdeling kan worden vastgesteld wordt verworpen. De man heeft immers ruimschoots de gelegenheid gehad om de rechtbank inzicht te verschaffen omtrent de samenstelling en de waarde van de gemeenschap. De door de vrouw gedane voorstellen met benoeming van taxateur, deskundige en/of getuigen in haar laatste wijzigingsverzoek zullen evenmin worden gevolgd, omdat de vrouw daarbij met na te melden beslissingen geen belang heeft.

2.8 De rechtbank zal bij deze stand van zaken de (wijze van) verdeling vaststellen overeenkomstig de voorstellen van de vrouw in haar brief van 12 mei 2010. De vrouw heeft in deze brief aangeven dat de huwelijksgemeenschap van partijen een waarde vertegenwoordigt van € 5.000.000 en uit de volgende bestanddelen bestaat:

a) het aandeel van de man ad 25% in ‘[naam onderneming] en het aandeel van de man van 50% in ‘het bedrijf te [plaats]. De vrouw schat de waarde van het aandeel van de man in beide ondernemingen op € 2.000.000;

b) het aandeel van de man in de erfenis van zijn in 1990 overleden vader. Volgens de vrouw bestond dit aandeel alleen al voor wat betreft liquide middelen uit een bedrag ad circa CHF 4 miljoen, afgerond € 2,6 miljoen;

c) de echtelijke woning te [plaats] met een door de vrouw geschatte overwaarde van circa € 2.000.000;

d) zeiljacht de “[naam]” met een door de vrouw geschatte waarde van € 200.000;

e) zeiljacht de “[naam]”met een door de vrouw geschatte waarde van € 200.000;

f) een woning te [plaats] op naam van partijen, waaraan de man volgens de vrouw circa € 215.000 heeft meebetaald;

g) drie auto’s: een [merk] uit 2004, een [merk] en een [merk] uit 2008, waarvan de vrouw de totale waarde van de auto’s schat op € 40.000;

h) de door partijen aangehouden betaal-, spaar- en/of beleggingsverzekeringen dan wel polissen van levensverzekering cq lijfrente, waaruit het vermogen tot sparen op te maken valt. Het salaris van de man uit hoofde van zijn functie binnen de familieonderneming(en) te [plaats] en [land] bedroeg volgens de vrouw € 92.400 per jaar en daarnaast genoot hij volgens de vrouw een jaarlijks gemiddelde winstuitkering ad circa € 110.000 vanuit deze ondernemingen. De vrouw schat het overgespaarde vermogen in op € 200.000;

i) de inboedel van partijen;

j) de door de fiscus nog te heffen belasting op het door de man niet opgegeven (buitenlands) vermogen.

Ter zitting heeft de vrouw verklaard dat zij geen prijs stelt op toedeling van de echtelijke woning.

De rechtbank zal, uitgaande van voornoemde gegevens, bepalen dat de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap geheel aan de man wordt toegedeeld exclusief de inboedel, waarbij de man aan de vrouw binnen een maand na de datum van deze beschikking haar aandeel van € 2.500.000 zal betalen. De inboedel wordt aldus verdeeld dat ieder daarvan houdt wat hij thans in bezit heeft, zonder nadere verrekening wegens over- of onderbedeling. Na uitvoering van deze verdeling zullen partijen niets meer van elkaar te vorderen hebben. De man is jegens de vrouw gehouden de schuld aan de fiscus te dragen. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank het verzoek van de vrouw om de man een dwangsom op te leggen zolang hij de beschikking van 19 januari 2010 niet nakomt afwijzen.

Pensioenverevening

2.8 De vrouw heeft verzocht te bepalen dat de man, ten behoeve van de toepassing van de Wet verevening pensioenrechten bij scheiding, inzage dient te geven in de door hem opgebouwde pensioenrechten en te bepalen dat de man gehouden is alle jaarstukken van de door hem (indirect) gedreven ondernemingen (in binnen- en buitenland) over te leggen over de jaren 2005 tot en met 2009, waaronder die van de familieondernemingen te [plaats] en [land]. Ter zitting heeft de man aangegeven dat hij waarschijnlijk pensioen heeft opgebouwd in de onderneming [naam] in [land]. De rechtbank zal bepalen dat de man binnen twee maanden na datum van deze beschikking aan de vrouw gegevens verstrekt welke pensioenaanspraken door de man zijn opgebouwd en waar hij deze heeft opgebouwd.

Proceskosten

2.9 De vrouw heeft verzocht te bepalen dat de man gehouden is de proceskosten te voldoen, omdat zij onnodig extra kosten heeft moeten maken door de proceshouding van de man. Nu de vrouw haar stelling niet heeft onderbouwd en de proceshouding van de man niet heeft geleid tot andere dan de gebruikelijke proceshandelingen in een echtscheidingsprocedure, ziet de rechtbank geen aanleiding om af te wijken van de gebruikelijke compensatie van de proceskosten tussen ex-echtelieden, zodat iedere partij de eigen kosten zal dragen.

3 Beslissing

De rechtbank:

3.1 Gelast (de wijze van) verdeling zoals onder rechtsoverwegingen 2.7 en 2.8 is weergeven en veroordeelt de man om binnen één maand na de datum van deze beschikking te betalen een bedrag van € 2.500.000 (zegge: tweeëneenhalf miljoen euro).

3.2 Gelast de man om binnen twee maanden na heden aan de vrouw opgave te doen welke pensioenaanspraken door de man zijn opgebouwd en waar hij deze heeft opgebouwd.

3.3 Verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad.

3.4 Wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. M. Flipse, voorzitter en mrs. M.J. Smit en P.R. de Geus, leden van deze kamer, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van mr. J.E. Lee, griffier, op 27 juli 2010.

Tegen deze beschikking kan – voor zover er definitief is beslist – door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam. De verzoekende partij en/of de zich verwerende partij dient het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen.