Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2010:BO1414

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
15-10-2010
Datum publicatie
22-10-2010
Zaaknummer
AWB 09 / 5381
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Planschade.

De rechtbank stelt vast dat het streekplan evident een concreet beleidsvoornemen is. Uit de tekst van het streekplan blijkt voorts onomstotelijk dat nieuwe woningbouw aan De Haal wordt uitgesloten. Vanaf het moment van terinzagelegging van het streekplan op 1 december 1989 had eiser derhalve kunnen en moeten weten dat de mogelijkheid bestond dat de bouwmogelijkheid welke rustte op zijn perceel zou komen te vervallen bij de vaststelling van een nieuw planologisch regime. Het nalaten om te handelen lag vanaf dat moment dan ook in de risicosfeer van eiser. Het feit dat eiser niet over het streekplan is geïnformeerd door verweerder, doet niet af aan de kenbaarheid daarvan voor eiser. Ook het feit dat verweerder bij het ontwerp van het nieuwe bestemmingsplan dit onderdeel van het streekplan over het hoofd heeft gezien, dan wel hier anders mee om wilde gaan, maakt dat niet anders. Ook beroep op vertrouwensbeginsel treft geen doel.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 09 - 5381

uitspraak van de meervoudige kamer van 15 oktober 2010

in de zaak van:

[naam eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

gemachtigde: mr. C.F.J.M. Nelemans, advocaat te Nieuw-Vennep,

tegen:

de raad van de gemeente Oostzaan,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 8 december 2008 heeft verweerder een verzoek van eiser om vergoeding van planschade afgewezen.

Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 28 januari 2009 bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 14 september 2009 heeft verweerder het bestreden besluit ge¬hand¬haafd. Daarbij heeft verweerder verwezen naar het advies van de adviescommissie bezwaarschriften.

Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 29 oktober 2009 beroep ingesteld.

Verweerder heeft op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden en een verweerschrift ingediend.

Het beroep is behandeld ter zitting van 3 september 2010, alwaar eiser in persoon is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde voornoemd. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door E.C.R. Bressers, werkzaam bij de gemeente Oostzaan. Aanwezig was voorts [naam], werkzaam bij de gemeente Oostzaan en door eiser opgeroepen als getuige.

2. Overwegingen

2.1 Ingevolge artikel 49 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO), zoals die wet luidde ten tijde van belang en voor zover thans van belang, kent de gemeenteraad, voor zover een belanghebbende ten gevolge van een bestemmingsplan schade lijdt of zal lijden, welke redelijkerwijs niet of niet geheel te zijnen laste behoort te blijven en waarvan de vergoeding niet of niet voldoende door aankoop, onteigening of anderszins is verzekerd, hem op zijn verzoek een naar billijkheid te bepalen schadevergoeding toe.

2.2 Eiser heeft in juli 1988 het perceel [perceel] in [plaats] gekocht. Hij heeft bij brief van 26 augustus 2005 verzocht om vergoeding van waardevermindering van het perceel ten gevolge van het op 6 mei 2004 onherroepelijk geworden bestemmingsplan “Buitengebied Noord, eerste partiële herziening” als gevolg waarvan de bouwmogelijkheid van het perceel is komen te vervallen.

2.3 Voorheen gold ter plaatse het “Uitbreidingsplan in hoofdzaak van de gemeente Oostzaan”. Op grond hiervan rustte op de gronden van het perceel van eiser de bestemming “Agrarische doeleinden”.

2.4 Het vigerende bestemmingsplan “Buitengebied Noord, eerste partiële herziening”, voor het eerst vastgesteld op 11 maart 2002, kent aan de gronden van het perceel de bestemming “Agrarische gebied met landschapswaarden” toe. De als zodanig aangewezen gronden zijn gelet op artikel 8, eerste lid, van de planvoorschriften uitsluitend bestemd voor cultuurgrond bij een agrarisch bedrijf, behoud en/of herstel van aanwezige dan wel daaraan eigen landschapswaarden van het waterrijke veenweidegebied, alsmede voor recreatief medegebruik in de vorm van fiets-, wandel- en ruiterpaden en vaarroutes, met de daarbij behorende gebouwen, bouwwerken, geen gebouw zijnde en andere werken. Op grond van artikel 8, derde lid, onder a, van de planvoorschriften mogen gebouwen uitsluitend binnen de op de plankaart aangegeven agrarische bouwvlakken worden gebouwd. Op het perceel van eiser zijn geen agrarische bouwvlakken ingetekend.

2.5 Op 12 mei 1998 hebben gedeputeerde staten van Noord-Holland (hierna: gedeputeerde staten) goedkeuring onthouden aan het deel van het bestemmingsplan “Buitengebied-Noord” waarin een bouwmogelijkheid was gecreëerd voor onder andere het perceel van eiser. Op 23 juni 1998 is dit besluit in werking getreden

Bij uitspraak van 7 juli 2000 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling) het hiertegen gerichte beroep ongegrond verklaard.

2.6 Het Streekplan Waterland (hierna: het streekplan) is vanaf 1 december 1989 tot en met 22 maart 1990 ter inzage gelegd en op 18 september 1990 vastgesteld. In het streekplan is het volgende opgenomen:

“In de noordelijke uitloper van Oostzaan, bekend als Noordeinde, de Haal en de Heul wordt nieuwe woningbouw of bedrijvigheid uitgesloten, anders dan in het kader van de dorpsvernieuwing”.

2.7 Verweerder heeft zijn besluit gebaseerd op het advies van de Stichting Adviesbureau Onroerende Zaken (hierna: de SAOZ) van juli 2006, aangevuld op 16 mei 2008. Volgens het advies heeft eiser het risico aanvaard van de op dat moment op termijn zekere bestemmingswijziging van zijn perceel, zodat het verzoek dient te worden afgewezen.

2.8 In geschil is de vraag of verweerder op goede gronden heeft geoordeeld dat eiser het risico heeft aanvaard dat de bouwmogelijkheid die op zijn perceel rustte zou komen te vervallen.

2.9 Eiser betoogt dat er geen sprake is van passieve risicoaanvaarding van zijn kant, nu hij concrete pogingen heeft gedaan om te komen tot realisering van de bouwmogelijkheden die op het perceel rustten. Daartoe voert hij aan dat hij diverse malen besprekingen heeft gehad met ambtenaren van verweerder en ontwerpen heeft laten maken van de stolpboerderij die hij wenste te realiseren. De reden dat hij geen concrete bouwaanvraag heeft ingediend was gelegen in het feit dat ambtenaren, in het bijzonder [namen], hem adviseerden dat – nog – niet te doen. Hij stelt zich op het standpunt dat hij daar in redelijkheid op mocht vertrouwen.

2.10 Eiser betoogt bovendien dat geen sprake is van een situatie die hem kan worden verweten. Ook verweerder ging, bij het ontwerp van het nieuwe bestemmingsplan “Buitengebied Noord”, uit van een bouwmogelijkheid op zijn perceel. Pas bij de onthouding van goedkeuring van dat onderdeel door gedeputeerde staten en de uitspraak van de Afdeling van 7 juli 2000 is kenbaar geworden dat het streekplan, dat op 18 september 1990 van kracht werd, zich tegen het handhaven van een bouwmogelijkheid op zijn perceel verzette.

2.11 Verweerder stelt zich op het standpunt dat passieve risicoaanvaarding dient te worden aangenomen vanwege het stilzitten van eiser gedurende de periode gelegen tussen de terinzagelegging van het streekplan eind 1989 tot het moment dat het voorbereidingsbesluit is genomen, medio 1995.

2.12 Bij beantwoording van de vraag of er sprake is van aanvaarding door eiser van het risico dat de bouwmogelijkheden op het perceel zouden vervallen, is van belang of de voortekenen van de voor hem nadelige planwijziging reeds enige tijd zichtbaar waren. Om risicoaanvaarding te mogen aannemen, is het, zoals de Afdeling heeft overwogen in haar uitspraak van 11 mei 2000 in de zaak met nr. 199902237/1 (BR 2001, p. 228), voldoende dat er, bezien vanuit de positie van een redelijk denkende en handelende eigenaar, aanleiding bestond om rekening te houden met de kans dat de planologische situatie op het perceel in een voor hem negatieve zin zou gaan veranderen. Daarbij dient rekening te worden gehouden met concrete beleidsvoornemens die openbaar zijn gemaakt.

2.13 De rechtbank stelt vast dat het streekplan evident een concreet beleidsvoornemen is. Uit de tekst van het streekplan blijkt voorts onomstotelijk dat nieuwe woningbouw aan [locatie] wordt uitgesloten. Vanaf het moment van terinzagelegging van het streekplan op 1 december 1989 had eiser derhalve kunnen en moeten weten dat de mogelijkheid bestond dat de bouwmogelijkheid welke rustte op zijn perceel zou komen te vervallen bij de vaststelling van een nieuw planologisch regime. Het nalaten om te handelen lag vanaf dat moment dan ook in de risicosfeer van eiser. Het feit dat eiser niet over het streekplan is geïnformeerd door verweerder, doet niet af aan de kenbaarheid daarvan voor eiser. Ook het feit dat verweerder bij het ontwerp van het nieuwe bestemmingsplan dit onderdeel van het streekplan over het hoofd heeft gezien, dan wel hier anders mee om wilde gaan, maakt dat niet anders.

2.14 De rechtbank volgt eiser niet in zijn betoog dat hij, gelet op uitlatingen van ambtenaren van verweerder, de daadwerkelijke indiening van een bouwaanvraag in redelijkheid heeft kunnen uitstellen, dan wel dat hij erop mocht vertrouwen dat ook onder een nieuw planologisch regime een bouwmogelijkheid op zijn perceel zou blijven rusten.

Ter zitting is door eiser verklaard dat de gesprekken met ambtenaar [naam] – al dan niet samen met [naam] – met name plaatsvonden in de periode tussen 1993 en 1995. Reeds omdat deze gesprekken plaatsvonden na terinzagelegging, en zelfs na vaststelling van het streekplan, kan aan mogelijke uitlatingen aan de zijde van[naam] en[naam] tijdens deze overleggen niet de door eiser gewenste betekenis worden toegekend. Een beroep op toezeggingen gedaan na medio 1995 kan in ieder geval niet slagen, nu vanaf dat moment een voorbereidingsbesluit gold en reeds hierom voor eiser niet het beoogde resultaat kon worden bereikt. Eiser kan zich op de beweerde uitlatingen dan ook niet beroepen en hem moet derhalve worden aangerekend dat hij niet tijdig een bouwaanvraag heeft ingediend teneinde gebruik te maken van de bouwmogelijkheden welke besloten lagen in het oude planologische regime, “Uitbreidingsplan in hoofdzaak van de gemeente Oostzaan”.

2.15 Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen is het beroep ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De rechtbank:

verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Janse van Mantgem, voorzitter van de meervoudige kamer, en mr. G. Guinau en mr. drs. L. Beijen, leden, in tegenwoordigheid van mr. Y.R. Boonstra-van Herwijnen, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 15 oktober 2010.

afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, Postbus 20019, 2500 EA Den Haag. Het hoger beroep dient te worden ingesteld door het indienen van een beroepschrift binnen zes weken onmiddellijk liggend na de dag van verzending van de uitspraak door de griffier.