Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2010:BO0849

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
13-10-2010
Datum publicatie
18-10-2010
Zaaknummer
395041 - CV EXPL 08-10203
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verordening (EG) nr. 261/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten.

Euclaim vordert van Transavia ingevolge artikel 4 lid 3 juncto artikel 7 van de verordening betaling van € 800,00 als compensatie in verband met de instapweigering van passagiers voor een vlucht vanuit Kos naar Amsterdam.

Transavia heeft de passagiers vier dagen voor de vlucht gemeld dat zij met een vlucht van een later tijdstip zouden vliegen. De passagiers hebben zich niet voor de oorspronkelijke vlucht gemeld. De vordering wordt afgewezen omdat geen sprake is van een instapweigering als bedoeld in artikel 2 sub j en artikel 4 van de verordening.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
S&S 2011/92
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector kanton

Locatie Haarlem

zaak/rolnr.: 395041 / CV EXPL 08-10203

datum uitspraak: 13 oktober 2010

VONNIS VAN DE KANTONRECHTER

inzake

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid EUCLAIM BV

te Brummen

eiseres

hierna te noemen: EUclaim

gemachtigde: Wiggers van Meggelen Gerechtsdeurwaarders & Incasso

tegen

de commanditaire vennootschap met een beherende vennoot

TRANSAVIA AIRLINES CV

te Luchthaven Schiphol

gedaagde

hierna te noemen: Transavia

gemachtigde: mr. R.L.S.M. Pessers

De procedure

EUclaim heeft Transavia gedagvaard op 14 augustus 2008. Transavia heeft schriftelijk geantwoord. Nadat de kantonrechter had beslist dat de zaak zich niet leent voor een comparitie van partijen na antwoord, heeft EUclaim schriftelijk op het antwoord gereageerd, waarna Transavia nog een schriftelijke reactie heeft gegeven. De kantonrechter heeft de zaak vervolgens bij rolbeschikking van 22 april 2009 aangehouden in afwachting van een arrest in de zaak C-525/08 ([XXX] / Condor Flugdienst GmbH). Nadat die zaak is ingetrokken hebben partijen een akte in het geding gebracht.

De feiten

1. [AAA] en [BBB] (hierna: de passagiers) hebben een pakketreis bij Neckerman geboekt. Onderdeel van die reis was personenvervoer door de lucht met Transavia. Transavia zou de passagiers tegen betaling op 3 juli 2007 met vlucht HV 762 om 12:12 uur lokale tijd per vliegtuig van Kos naar Amsterdam vervoeren. De afstand van deze vlucht is 2.454 km.

2. Op 29 juni 2007 heeft Neckerman de passagiers schriftelijk ingelicht dat zij niet met vorenstaande vlucht zouden vliegen, maar met een vlucht op diezelfde datum van

21:40 uur.

3. De passagiers hebben zich niet gemeld voor vlucht HV 762 en zijn met de vlucht van 21:40 uur naar Amsterdam gevlogen.

De vordering

EUclaim vordert (samengevat) veroordeling van Transavia tot betaling van

€ 978,50 (bestaande uit € 800,00 aan hoofdsom, € 178,50 aan buitengerechtelijke incassokosten). EUclaim stelt daartoe onder meer het volgende.

EUclaim heeft de aanspraken van de passagiers jegens Transavia bij onderhandse akte van 13 juli 2008 overgedragen gekregen. EUclaim heeft op 22 juli 2008 de mededeling van cessie aan Transavia gezonden.

Op de tussen EUclaim en Neckerman gesloten overeenkomst is de Verordening (EG) nr. 261/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 11 februari 2004 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake compensatie en bijstand aan luchtreizigers bij instapweigering en annulering of langdurige vertraging van vluchten en tot intrekking van verordening (EG) nr. 295/91 (PbEG 2004, L 46/1) (hierna: de verordening) van toepassing.

De passagiers is het instappen geweigerd, zodat zij op grond van artikel 4 lid 3 juncto artikel 7 van de verordening recht hebben op compensatie. De luchtvaartmaatschappij die de vlucht uitvoert, Transavia, is op grond van de bepalingen van de verordening aanspreekbaar, ook zonder dat tussen partijen een overeenkomst bestaat. Nu de afstand van de vlucht 2.454 km bedroeg dient de compensatie € 400,00 per persoon te bedragen. Door ondanks aanmaning met betaling in gebreke te blijven is Transavia de buitengerechtelijke kosten en de wettelijke rente verschuldigd.

Het verweer

Transavia betwist de vordering. Zij voert daartoe onder meer het volgende aan.

Primair voert Transavia aan dat er geen sprake is van een rechtsgeldige cessie. Er is geen sprake van overdracht, maar van een incassoregeling. Daarmee valt de cessie onder het fiduciaverbod ex artikel 3:84 lid 3 BW.

Subsidiair voert Transavia aan dat er geen sprake is van instapweigering. De passagiers hebben immers geen bevestigde boeking voor vlucht HV 762 bij Transavia. Ook hebben de passagiers zich niet gemeld voor die vlucht, zodat niet aan de definitie van instapweigering is voldaan.

Meer subsidiair voert Transavia aan dat de passagiers Neckerman dienen aan te spreken, indien zij menen dat de reisovereenkomst niet juist is nagekomen.

Transavia betwist de buitengerechtelijke incassokosten verschuldigd te zijn nu gesteld noch gebleken is dat de door EUclaim verrichte werkzaamheden meer hebben omvat dan de verzending van een aanmaning.

De beoordeling van het geschil

1. Hoewel de onderhavige procedure tussentijds is aangehouden in afwachting van een arrest in de zaak C-525/08 ([XXX] / Condor Flugdienst GmbH), ziet de kantonrechter geen aanleiding om – nu die vragen zijn ingetrokken – zelf over te gaan tot het stellen van prejudiciële vragen, zoals Transavia heeft voorgesteld. De tekst van de verordening en de toelichting daarop zijn naar het oordeel van de kantonrechter voldoende duidelijk om de voorliggende zaak af te kunnen doen.

2. Het verweer dat EUclaim niet-ontvankelijk is wordt verworpen. Of in het onderhavige geval sprake is van overdracht van een vordering of overdracht ter incasso kan in het midden blijven, nu in ieder geval sprake is van lastgeving doordat de passagiers aan EUclaim de last hebben gegeven hun vordering op eigen naam te innen. EUclaim is aldus ontvankelijk in haar vordering.

3. Transavia voert voorts aan dat er geen sprake is van een instapweigering als bedoeld in artikel 2 onder j van de verordening. Dat verweer slaagt. Gelet op het bepaalde in artikel 2 sub j en artikel 3 lid 2 van de verordening is immers van een instapweigering sprake in het geval dat de passagier zich heeft gemeld op de in artikel 3 lid 2 sub a van de verordening genoemde wijze. De passagiers hebben zich echter niet op die wijze gemeld. Het enkele feit dat de passagiers zijn overgeplaatst naar een andere vlucht overeenkomstig artikel 3 lid 2 sub b van de verordening, brengt weliswaar mee dat de verordening van toepassing is (artikel 3 ziet op de werkingssfeer van de verordening), doch niet dat sprake is van een instapweigering als bedoeld in artikel 2 sub j en artikel 4 van de verordening. Gesteld noch gebleken is dat de passagiers tegen hun wil de toegang tot de vlucht HV 762 is geweigerd. De passagiers waren vier dagen voor vertrek op de hoogte gesteld van de voorgenomen overplaatsing, waarbij hen een alternatief is geboden, dat zij kennelijk hebben aanvaard. Dat de passagiers hebben geprotesteerd tegen het latere vertrek is niet gesteld. Overigens is ook niet feitelijk toegelicht welk nadeel of overlast de passagiers door de omboeking zouden hebben geleden.

4. Eén en ander leidt tot de conclusie dat de vordering moet worden afgewezen. De proceskosten komen voor rekening van EUclaim omdat deze in het ongelijk wordt gesteld.

Beslissing

De kantonrechter:

- wijst de vordering af;

- veroordeelt EUclaim tot betaling van de proceskosten, die aan de kant van Transavia tot en met vandaag worden begroot op € 250,00 aan gemachtigdensalaris.

Dit vonnis is gewezen door mr. C.A. Boom en uitgesproken op de openbare terechtzitting van bovengenoemde datum.