Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2010:BN9834

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
02-09-2010
Datum publicatie
08-10-2010
Zaaknummer
172312 - KG ZA 10-389
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Burengeschil over hoog opgeschoten coniferen. Voor de beantwoording van de vraag of sprake is van een onrechtmatige situatie als bedoeld in artikel 5:42 BW, is van belang welke afstanden voor beplanting bij de grenslijn in de gemeente Haarlem zijn toegestaan. In artikel 12 van de Bomenverordening Haarlem is bepaald dat de geoorloofde afstand voor bomen 0,5 meter bedraagt, te rekenen vanaf het midden van de voet van de boom, en de geoorloofde afstand voor heesters en heggen nihil. Partijen verschillen van mening over de vraag of de onderhavige coniferen moeten worden gekwalificeerd als boom. Gedaagden stellen zich op het standpunt dat nu de wet zelf geen definitie geeft een boom, in dit geval de in artikel 1 van de Bomenverordening gegeven definitie gevolgd moet worden. Volgens deze definitie is sprake van een boom als de dwarsdoorsnede van de stam minimaal 20 centimeter bedraagt. Eiseres stelt echter dat de gemeente Haarlem niet de bevoegdheid heeft om een definitie te geven van een boom, nu de gemeente in artikel 5:42 BW alleen de bevoegdheid is gegeven om de toegestane afstanden tot de grenslijn te bepalen. De wetgever heeft het klaarblijkelijk aan de rechtspraak over willen laten om te bepalen wanneer sprake is van een boom.

De voorzieningenrechter is van oordeel dat de in artikel 1 van de Bomenverordening gegeven definitie van een boom niet in strijd komt met de bevoegdheden die de wetgever de gemeente in artikel 5:42 BW heeft gegeven, nu het mandaat het de gemeente mogelijk maakt om zowel de toegestane afstanden voor bomen als voor heesters en heggen te verkleinen tot nihil, waardoor de werking geheel aan artikel 5:42 BW kan worden ontnomen. Op grond hiervan moet het de gemeente ook zijn toegestaan in een verordening minder vergaande bepalingen dan nihilstelling op te nemen door op basis van eigen definities onderscheid te maken tussen bomen, heesters en heggen en daarvoor verschillende afstanden te bepalen. Vorenstaande brengt mee dat in dit geval de in de Bomenverordening gegeven definitie moet worden toegepast. Dit betekent dat de coniferen in dit geval geen bomen zijn, maar heesters dan wel heggen. Hiervoor geldt op grond van de Bomenverordening geen afstandsbeperking en derhalve ook geen hoogtebeperking als bedoeld in artikel 5:42 lid 3 BW. Van een onrechtmatige situatie is dan ook geen sprake. Dat de coniferen en de laurierstruik door hun hoogte anderszins onrechtmatige hinder veroorzaken, is voorts niet komen vast te staan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Prg. 2011/50
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK HAARLEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 172312 / KG ZA 10-389

Vonnis in kort geding van 2 september 2010

in de zaak van

[eiseres],

wonende te Haarlem,

eiseres,

advocaat mr. B.J. Sol,

tegen

1. [gedaagde sub 1],

wonende te Haarlem,

2. [gedaagde sub 2],

wonende te Haarlem,

gedaagden,

rechtsbijstandverlener mr. A.A. Alciyan.

Partijen zullen hierna [eiseres] en [gedaagden] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding

- de bij brief van 18 augustus 2010 van mr. Sol zijdens [eiseres] gevoegde producties

- de bij faxbericht van 24 augustus 2010 van mr. Alciyan zijdens [gedaagden] gevoegde producties

- de bij faxbericht van 25 augustus 2010 van mr. Alciyan zijdens [gedaagden] gevoegde productie

- de mondelinge behandeling

- de pleitnota van [eiseres]

- de pleitnota van [gedaagden]

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. [eiseres] woont in de haar in eigendom toebehorende woning aan de [a-laan 1 te Haarlem. [gedaagden] wonen in de hen in eigendom toebehorende woning aan de [a-laan 2] te Haarlem.

2.2. Zowel in de voor- als in de achtertuin van [gedaagden] staan nabij de erfgrens met [eiseres] coniferen. Aan de achterzijde staat tevens een laurierstruik nabij de erfgrens.

2.3. De Bomenverordening Haarlem houdt – voor zover hier van belang – het volgende in.

[…]

Artikel 1 Begripsomschrijvingen

In deze afdeling wordt verstaan onder:

[…]

b. boom: een houtachtig, opgaand gewas, zowel vitaal als afgestorven, met een dwarsdoorsnede van de stam van minimaal 20 centimeter op 1,3 meter hoogte boven het maaiveld.

[…]

Artikel 12 Afstand van de erfgrenslijn

De afstand als bedoeld in artikel 5:42 Burgerlijk Wetboek wordt vastgesteld op 0,5 meter voor bomen en op nihil voor heesters en heggen.

3. Het geschil

3.1. [eiseres] vordert bij vonnis voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad en op de minuut en op alle dagen en uren

primair: de rij bomen bestaande uit coniferen aan voor- en achterzijde tussen de woningen van partijen ter hoogte van de erfgrens te (doen) verwijderen, de laurierstruik in de achtertuin ter hoogte van de erfgrens te (doen) snoeien en gesnoeid te houden tot schuttinghoogte (twee meter) en voorts de op de grond van [eiseres] overhangende takken van de haag aan de achterzijde van de tuin van [gedaagden] te (doen) verwijderen, alles op verbeurte van een dwangsom van € 100,-- per dag, een gedeelte van een dag daaronder begrepen, zodra [gedaagden] na betekening van het vonnis in gebreke blijft aan dit vonnis te voldoen, zulks tot een maximum van € 25.000,--;

subsidiair: de rij bomen aan de voor- en achterzijde tussen de woningen van partijen ter hoogte van de erfgrens te (doen) snoeien en gesnoeid te houden tot schuttinghoogte (twee meter) op verbeurte van een dwangsom van € 100,-- per dag, een gedeelte van een dag daaronder begrepen, zodra [gedaagden] na betekening van het vonnis in gebreke blijft aan dit vonnis te voldoen, zulks tot een maximum van € 25.000,--;

een en ander met veroordeling van [gedaagden] in de kosten van het geding.

3.2. [gedaagden] voeren verweer.

3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. [eiseres] stelt dat de onder 2.2 genoemde coniferen en de laurierstruik meer dan 2 meter hoog zijn en dat daarmee sprake is van een ongeoorloofde situatie als bedoeld in artikel 5:42 van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW). [gedaagden] betwisten niet dat de coniferen en de laurierstruik hoger zijn dan 2 meter, maar stellen zich op het standpunt dat die hoogte in overeenstemming is met de Bomenverordening Haarlem (hierna: de Bomenverordening).

4.2. Voor de beantwoording van de vraag of sprake is van een onrechtmatige situatie als bedoeld in artikel 5:42 BW, is van belang welke afstanden voor beplanting bij de grenslijn in de gemeente Haarlem zijn toegestaan. Partijen zijn het erover eens dat hiervoor gekeken moet worden in de Bomenverordening, zijnde een verordening als bedoeld in artikel 5:42 lid 2 BW. In artikel 12 van de Bomenverordening is bepaald dat de geoorloofde afstand voor bomen 0,5 meter bedraagt, te rekenen vanaf het midden van de voet van de boom, en de geoorloofde afstand voor heesters en heggen nihil.

4.3. Partijen verschillen van mening over de vraag of de onderhavige coniferen moeten worden gekwalificeerd als boom. [gedaagden] stellen zich op het standpunt dat nu de wet zelf geen definitie geeft een boom, in dit geval de in artikel 1 van de Bomenverordening gegeven definitie gevolgd moet worden. Volgens deze definitie is sprake van een boom als de dwarsdoorsnede van de stam minimaal 20 centimeter bedraagt. [gedaagden] stellen dat de dwarsdoorsneden van de stammen van de coniferen in hun tuin hooguit 9 centimeter bedragen, zodat de coniferen niet kunnen worden gekwalificeerd als boom.

4.4. [eiseres] stelt echter dat de gemeente Haarlem niet de bevoegdheid heeft om een definitie te geven van een boom, nu de gemeente in artikel 5:42 BW alleen de bevoegdheid is gegeven om de toegestane afstanden tot de grenslijn te bepalen. De wetgever heeft het klaarblijkelijk aan de rechtspraak over willen laten om te bepalen wanneer sprake is van een boom. In het merendeel van de uitspraken wordt aan de hand van de hoogte vastgesteld of sprake is van een boom en niet aan de hand van de dikte van de stam. Uitgaande van de hoogte moeten de coniferen in de tuin van [gedaagden] worden gekwalificeerd als boom, aldus [eiseres].

4.5. De voorzieningenrechter is van oordeel dat de in artikel 1 van de Bomenverordening gegeven definitie van een boom niet in strijd komt met de bevoegdheden die de wetgever de gemeente in artikel 5:42 BW heeft gegeven, nu het mandaat het de gemeente mogelijk maakt om zowel de toegestane afstanden voor bomen als voor heesters en heggen te verkleinen tot nihil, waardoor de werking geheel aan artikel 5:42 BW kan worden ontnomen. Op grond hiervan moet het de gemeente ook zijn toegestaan in een verordening minder vergaande bepalingen dan nihilstelling op te nemen door op basis van eigen definities onderscheid te maken tussen bomen, heesters en heggen en daarvoor verschillende afstanden te bepalen.

4.6. Vorenstaande brengt mee dat in dit geval de in de Bomenverordening gegeven definitie moet worden toegepast. Nu ter zitting door [eiseres] niet is betwist dat de dwarsdoorsneden van de stammen van de coniferen minder dan 20 centimeter bedragen, moet ervan worden uitgegaan dat de coniferen in dit geval geen bomen zijn, maar heesters dan wel heggen. Hiervoor geldt op grond van de Bomenverordening geen afstandsbeperking en derhalve ook geen hoogtebeperking als bedoeld in artikel 5:42 lid 3 BW. Van een onrechtmatige situatie is dan ook geen sprake.

4.7. Dat de coniferen en de laurierstruik door hun hoogte anderszins onrechtmatige hinder veroorzaken, is voorts niet komen vast te staan. Door [eiseres] is ter zitting erkend dat de beplanting geen zonlicht aan haar woning of tuin ontneemt en gelet op de omvang van de ruimten waardoor het daglicht wel kan toetreden, moet het ontnemen van daglicht door de beplanting als niet erg substantieel worden beschouwd.

4.8. Nu de beplanting in de tuin van [gedaagden] niet onrechtmatig is, zal de primaire vordering van [eiseres] worden afgewezen, met uitzondering van het gedeelte dat ziet op het verwijderen van boven de grond van [eiseres] hangende takken van de haag aan de achterzijde van de tuin van [gedaagden]. Deze op de wet gebaseerde en ter zitting onweersproken vordering zal worden toegewezen. De gevorderde dwangsom zal worden beperkt als volgt.

4.9. Aangezien elk van partijen als op enig punt in het ongelijk gesteld is te beschouwen, zullen de proceskosten worden gecompenseerd op de hierna te vermelden wijze.

5. De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1. veroordeelt [gedaagden] om de boven de grond van [eiseres] overhangende takken van de haag aan de achterzijde van de tuin van [gedaagden] te (doen) verwijderen;

5.2. veroordeelt [gedaagden] om aan [eiseres] een dwangsom te betalen van EUR 50,-- voor iedere dag of gedeelte daarvan dat [gedaagden] niet aan de onder 5.1 uitgesproken veroordeling voldoen, tot een maximum van EUR 5.000,-- is bereikt,

5.3. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad,

5.4. compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

5.5. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.J. van der Meer en in het openbaar uitgesproken op 2 september 2010.?