Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2010:BN8311

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
28-07-2010
Datum publicatie
24-09-2010
Zaaknummer
158800 - HA ZA 09-890
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bevoegdheid tot invordering van bestuursrechtelijke dwangsom verjaard op het moment van beslaglegging. Het verzet tegen een dwangbevel tot invordering van verbeurde dwangsommen schorst de verjaringstermijn. Na de beslissing op verzet tegen dwangbevel tot invordeing van verbeurde dwangsommen gaat geen nieuwe verjaringstermijn lopen, maar wordt de verjaringstermijn hervat.

Geen onrechtmatig handelen van de gemeente door in bezwaar een eerder geweigerde vrijstelling en bouwvergunning alsnog te verlenen, nu geen sprake is van strijd met de wet. De gemeente had de (beleids)vrijheid om alsnog positief op de aanvraag te beslissen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK HAARLEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 158800 / HA ZA 09-890

Vonnis van 28 juli 2010

in de zaak van

[EISER],

wonende te Noordbeemster, gemeente Beemster,

eiser,

advocaat mr. W.J.Th. Bustin te Groningen,

tegen

de publiekrechtelijke rechtspersoon

GEMEENTE BEEMSTER,

zetelend te Middenbeemster,

gedaagde,

advocaat mr. L. Koning te Haarlem.

Partijen zullen hierna [eiser] en de gemeente genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 28 oktober 2009

- het proces-verbaal van comparitie van 21 juni 2010.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Op 4 februari 2004 heeft de gemeente aan [eiser] een last onder dwangsom opgelegd ter zake van een overtreding van de Wet Milieubeheer. Deze dwangsom werd vastgesteld op EUR 5.000,00 voor elke week, of gedeelte daarvan, dat [eiser] nalatig zou blijven, met een maximum van EUR 20.000,00.

2.2. De gemeente heeft [eiser] bij schrijven van 29 april 2004 te kennen gegeven dat de dwangsom voor het maximale bedrag was verbeurd en dat tot inning ervan zou worden overgegaan.

2.3. Op 1 juli 2004 is het op 16 juni 2004 uitgevaardigde dwangbevel aan [eiser] betekend. [eiser] is hiervan op 6 augustus 2004 bij deze rechtbank in verzet gekomen. Bij vonnis van 10 augustus 2005 is het verzet ongegrond verklaard.

2.4. Op 8 november 2005 heeft [eiser] tegen dit vonnis hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam. Op 5 april 2007 heeft het gerechtshof het vonnis waarvan beroep bekrachtigd. De gemeente heeft dit arrest op 13 september 2007 aan [eiser] betekend. Na uitblijven van betaling door [eiser] heeft de gemeente op 28 november 2007 ten laste van [eiser] executoriaal beslag doen leggen op onroerende zaken van [eiser] ter verzekering van verhaal van de verbeurde dwangsom ad EUR 20.000,00.

2.5. Op 14 augustus 2001 heeft de gemeente aan [eiser] een last onder dwangsom opgelegd vanwege sloopwerkzaamheden aan een rijksmonument, [eiser] in eigendom toebehorend, omdat hij niet over de benodigde vergunningen krachtens de Monumentenwet 1988 en de Bouwverordening beschikte. In geval van verdere overtreding van de Monumentenwet 1988 en/of de Bouwverordening zou een bedrag van f 50.000,00 per overtreden wet worden verbeurd.

2.6. Op 9 augustus 2004 heeft de gemeente geconstateerd dat [eiser] zowel de Monumentenwet 1988 als de Bouwverordening overtrad. Bij schrijven van 11 augustus 2004 heeft de gemeente aan [eiser] bericht dat beide dwangsommen waren verbeurd en bij brief van 16 december 2004 is [eiser] kenbaar gemaakt dat tot inning ervan zou worden overgegaan.

2.7. De gemeente heeft een op 28 januari 2005 uitgevaardigd dwangbevel op 4 februari 2005 aan [eiser] laten betekenen. Op 17 maart 2005 is [eiser] tegen dit dwangbevel in verzet gekomen. Bij vonnis van 15 februari 2006 is dit verzet door deze rechtbank gegrond verklaard.

2.8. De gemeente heeft vervolgens op 7 maart 2006 hoger beroep ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam. Bij arrest van 22 maart 2007 heeft het gerechtshof het vonnis waarvan beroep vernietigd en de vorderingen van [eiser] afgewezen, met veroordeling van [eiser] in de proceskosten. De gemeente heeft dit arrest op 13 september 2007 aan [eiser] betekend. Na uitblijven van betaling door [eiser] heeft de gemeente op 28 november 2007 ten laste van [eiser] executoriaal beslag doen leggen op onroerende zaken van [eiser] ter verzekering van verhaal van de verbeurde dwangsom ad EUR 45.378,00.

2.9. De gemeente heeft [eiser] op 17 respectievelijk 18 oktober 2000 een vergunning verleend krachtens de Wet Milieubeheer en de Wet op de Ruimtelijke Ordening voor het in werking hebben van een paardenhouderij respectievelijk voor de bouw van rijhallen en paardenstallen en de herbouw van een brug. In aanvulling hierop heeft de gemeente op 16 december 2002 [eiser] een vergunning verleend voor het gedeeltelijk vernieuwen en veranderen van een huis. [eiser] had de hem verleende vergunning ten dele benut en de vergunde bouw (nog) niet voltooid. Vervolgens heeft [eiser] op 24 oktober 2006 een aanvraag voor een bouwvergunning ingediend om zijn paardenstallen/rijhallen uit te breiden. De gemeente heeft de gevraagde bouwvergunning geweigerd en dit besluit op 27 april 2007 aan [eiser] verzonden. [eiser] heeft hiertegen op 7 juni 2007 bezwaar ingesteld, welk bezwaar bij besluit van 25 oktober 2007 gegrond is verklaard. Na het voeren van een vrijstellingsprocedure heeft de gemeente op 10 september 2008 alsnog vrijstelling en bouwvergunning verleend.

3. Het geschil

3.1. [eiser] vordert:

1. de gemeente te veroordelen het onder 2.4 en 2.8 genoemde executoriale beslag dat door de gemeente is gelegd ten laste van [eiser] binnen twee dagen na betekening van het te wijzen vonnis op te heffen,

2. de gemeente te verbieden ter zake van haar onder 2.4 en 2.8 bedoelde vorderingen op [eiser] nieuw executoriaal beslag te leggen, zulks op straffe van een dwnagsom van EUR 50.000,00 voor iedere overtreding van dit verbod, zulks met een maximum van EUR 5.000.000,00, althans een door de rechtbank vast te stellen dwangsom,

3.a. de gemeente te veroordelen tot betaling aan [eiser] van schadevergoeding tegen kwijting uit hoofde van onrechtmatige daad jegens [eiser] als gevolg van het weigeren van de onder 2.9 genoemde bouwvergunning, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, te vermeerden met de wettelijke interest daarover vanaf 27 april 2007, althans vanaf de dag van de dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening,

3.b. de gemeente te veroordelen tot betaling aan [eiser] van schadevergoeding tegen kwijting, uit hoofde van onrechtmatige beslaglegging onder [eiser], als bedoeld onder 2.4 en 2.8, nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, te vermeerderen met de wettelijke interest daarover vanaf 28 november 2007, althans vanaf de datum van de dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening,

4. voor recht te verklaren dat de onder 2.1 jo. 2.2 en onder 2.5 jo. 2.6 bedoelde dwangsomaanspraken van de gemeente zijn verjaard,

5. de vermeende dwangsommen ten bedrage van EUR 65.387,00, als bedoeld onder 2.4 en 2.8, - voor zover nodig - te verrekenen met de vordering van [eiser] op de gemeente voorlopig begroot op EUR 649.200,00, althans met een door de rechtbank vast te stellen bedrag, louter voor het geval dat in rechte zou worden geoordeeld dat [eiser] terzake enige dwangsom aan de gemeente verschuldigd zou zijn,

6. de gemeente te veroordelen tot betaling aan [eiser] tegen kwijting van een bedrag ad EUR 6.442,00 terzake van pré-processuele kosten van rechtsbijstand te vermeerderen met de wettelijke interest daarover vanaf de dag van de dagvaarding tot aan de dag der algehele voldoening,

7. een en ander met veroordeling van de gemeente in de kosten van het geding.

3.2. De gemeente voert verweer.

3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

de bevoegdheid tot invordering van de verbeurde dwangsommen

4.1. [eiser] heeft aan zijn onder 3.1 weergegeven vorderingen sub 1, 2, 3.b en 4 - samengevat - ten grondslag gelegd dat de bevoegdheid van de gemeentetot invordering van de verbeurde dwangsommen, bedoeld onder 2.4 en 2.8, is verjaard. Volgens [eiser] is zowel ten aanzien van de verbeurde dwangsommen krachtens de Wet Milieubeheer als ten aanzien van de verbeurde dwangsommen krachtens de Monumentenwet en de Bouwverordening de verjaringstermijn van zes maanden voor de invordering verstreken.

4.2. De gemeente heeft daartegen ingebracht dat met de door [eiser] ingestelde verzetprocedures tegen de dwangbevelen van respectievelijk 16 juni 2004 en 28 januari 2005 en de daarop volgende procedures in hoger beroep de verjaring is geschorst. Op grond van het bepaalde in artikel 3:320 BW is na het eindigen van de schorsing ten gevolge van het verzet, die moet worden beschouwd als een in artikel 3:320 BW genoemde verlengingsgrond, de verjaringstermijn van zes maanden opnieuw gaan lopen, aldus de gemeente. Met de betekening van de arresten van het gerechtshof Amsterdam op 13 september 2007 heeft de gemeente de verjaring gestuit binnen zes maanden na het einde van de schorsing van de verjaring en er is daarom volgens de gemeente geen sprake van een voltooide verjaring.

4.3. Ingevolge artikel 5:35, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) verjaart de bevoegdheid tot invordering van verbeurde dwangsommen door verloop van zes maanden na de dag waarop zij zijn verbeurd. Ingevolge het tweede lid van artikel 5:35 Awb wordt de verjaring geschorst door (onder meer) ieder wettelijk beletsel voor invordering van de dwangsom. Een dergelijk beletsel vormt blijkens artikel 5:26, vierde lid 4 Awb, dat in artikel 5:33, tweede lid, Awb van toepassing wordt verklaard op de invordering van de dwangsommen, het verzet tegen het dwangbevel tot invordering van de verbeurde dwangsommen. Het verzet tegen het dwangbevel schorst niet alleen de tenuitvoerlegging van dat dwangbevel, maar ook de verjaringstermijn.

Aan deze schorsing komt een einde door het vonnis in de verzetprocedure, wanneer daarbij het verzet is afgewezen. Wanneer het verzet gegrond wordt verklaard, moet worden aangenomen dat de tenuitvoerlegging en verjaringstermijn geschorst blijven, totdat dit vonnis in hoger beroep wordt vernietigd. Indien tegen het vonnis waarbij het verzet tegen het dwangbevel is afgewezen, hoger beroep wordt ingesteld, wordt de tenuitvoerlegging en de verjaringstermijn opnieuw geschorst totdat in hoger beroep op het verzet wordt beslist.

In beide gevallen gaat vanaf de datum van het arrest in hoger beroep geen nieuwe verjaringstermijn van zes maanden lopen. Daarvoor is eerst een daad van stuiting nodig (vgl. HR 28 juni 2002, NJ 2003, 676 en HR 18 februari 2005, NJ 2006, 324).

4.4. Het beroep van de gemeente op artikel 3:320 BW, op grond waarvan volgens de gemeente vanaf het einde van een schorsing van de verjaring de verjaringstermijn opnieuw zes maanden gaat tellen, slaagt niet. Artikel 3:320 BW is niet van toepassing op de voor verjaring van de bestuursrechtelijke dwangsom geldende termijn. Daarvoor kent artikel 5:35 Awb immers een exclusieve bestuursrechtelijke regeling op grond waarvan de verjaring wordt geschorst in geval van verzet tegen het dwangbevel en de verjaringstermijn dus niet wordt verlengd in de zin van artikel 3:320 jo. 3:321 BW. Bovengenoemde arresten van de Hoge Raad zien expliciet op de bestuursrechtelijke dwangsom. Uit het arrest uit 2002 volgt slechts de toepasselijkheid van de in titel 11 van Boek 3 BW opgenomen bepalingen inzake de stuiting van de bevrijdende verjaring en dan met name de toepasselijkheid van (de hoofdregel van) artikel 3:319 BW. Hoewel artikel 5:35 Awb geen regeling bevat met betrekking tot stuiting van de verjaring is dit blijkens dit arrest wel mogelijk. Voorts volgt uit dit arrest dat deze verjaringstermijn weliswaar geschorst wordt door het instellen van verzet, maar slechts geschorst blijft tot het vonnis waarin is beslist op dit verzet. Als het verzet niet gegrond is verklaard, gaat hierna de verjaringstermijn derhalve weer lopen. Om deze termijn te verlengen is een stuitingshandeling vereist, waardoor een nieuwe termijn van zes maanden aanvangt.

4.5. Het voorgaande in aanmerking genomen overweegt de rechtbank ten aanzien van het beroep van [eiser] op verjaring van de bevoegdheid van de gemeente tot invordering van de verbeurde dwangsommen in de onderhavige zaak als volgt.

ten aanzien van de verbeurde dwangsommen wegens overtreding van de Wet Milieubeheer

4.6. Door het verbeuren van de dwangsommen op 29 april 2004 is een verjaringstermijn van zes maanden gaan lopen. De gemeente heeft de verjaring gestuit door betekening van het dwangbevel op 1 juli 2004. Vanaf dat moment is een nieuwe termijn van zes maanden gaan lopen. Deze termijn is door het verzet van [eiser] tegen het dwangbevel op 6 augustus 2004 geschorst. Door het afwijzende vonnis van de rechtbank op 10 augustus 2005 is de verjaringstermijn weer gaan lopen. Toen [eiser] op 8 november 2005 hoger beroep instelde is de verjaring opnieuw geschorst. Na het arrest van 5 april 2007 is de verjaring weer hervat. Uit het voorgaande volgt dat verjaringstermijn op 30 mei 2007 is geëindigd. Gesteld noch gebleken is dat de gemeente vóór het verstrijken van de verjaringstermijn een stuitingshandeling heeft verricht. De gemeente heeft eerst op 13 september 2007 het arrest van het gerechtshof aan [eiser] betekent en bevel gedaan aan de inhoud daarvan te voldoen, derhalve nadat de bevoegdheid van de gemeente tot invordering van de verbeurde dwangsommen reeds was verjaard.

ten aanzien van de verbeurde dwangsommen wegens overtreding van de Monumentenwet en de Bouwverordening

4.7. Door het verbeuren van de dwangsommen op 11 augustus 2004 is een verjaringstermijn van zes maanden gaan lopen. De gemeente heeft de verjaring gestuit door betekening van het dwangbevel op 4 februari 2005. Vanaf dat moment is een nieuwe termijn van zes maanden gaan lopen. Deze termijn is door het verzet van [eiser] tegen het dwangbevel op 17 maart 2005 geschorst. Bij vonnis van 15 februari 2006, uitvoerbaar bij voorraad, heeft de rechtbank het verzet gegrond verklaard en het dwangbevel buiten werking gesteld, zodat vanaf dat moment uit dien hoofde een wettelijk beletsel bestond tot invordering van de dwangsommen en de verjaringstermijn geschorst is gebleven. De gemeente heeft hoger beroep ingesteld tegen voornoemd vonnis. Bij arrest van 22 maart 2007 heeft het gerechtshof het vonnis van de rechtbank vernietigd en het verzet van [eiser] tegen het dwangbevel alsnog afgewezen, zodat vanaf dat moment de verjaringstermijn weer is gaan lopen. Uit het voorgaande volgt dat de verjaringstermijn op 10 augustus 2007 is geëindigd. De gemeente heeft eerst op 13 september 2007 het arrest van het gerechtshof aan [eiser] betekend en bevel gedaan aan de inhoud daarvan te voldoen, derhalve nadat de bevoegdheid van de gemeente tot invordering van de verbeurde dwangsommen reeds was verjaard.

4.8. Gelet op het voorgaande zal de rechtbank de door [eiser] gevraagde verklaring voor recht dat de bevoegdheid van de gemeente tot invordering van de verbeurde dwangsommen wegens overtreding van de Wet Milieubeheer en wegens overtreding van de Monumentenwet en de Bouwverordening is verjaard, toewijzen.

onrechtmatig beslag

4.9. Omdat de bevoegdheid van de gemeente tot invordering van de verbeurde dwangsommen is verjaard, is het door de gemeente ten laste van [eiser] gelegde executoriale beslag ten onrechte gelegd. De rechtbank zal daarom de vordering van [eiser] om de gemeente te veroordelen het executoriale beslag op te heffen eveneens toewijzen. Er is geen grond om de gemeente daarnaast nog - op straffe van een dwangsom - te verbieden opnieuw executoriaal beslag te leggen, zoals [eiser] heeft gevorderd. Overheidslichamen plegen rechterlijke vonnissen na te komen, zoals de gemeente in dit geval ook heeft toegezegd. Een nieuw executoriaal beslag nadat de gemeente ter uitvoering van dit vonnis het beslag heeft opgeheven valt daarom niet te verwachten.

4.10. Omdat de gemeente het executoriale beslag ten onrechte heeft gelegd, is het beslag reeds daarom - zoals de gemeente heeft erkend - onrechtmatig. De gemeente is derhalve aansprakelijk voor de schade van [eiser] als gevolg van de onrechtmatige beslaglegging. De vordering van [eiser] tot vergoeding van zijn schade, nader op te maken bij staat, zal de rechtbank toewijzen. De gevorderde wettelijke rente zal worden toegewezen vanaf 28 november 2007, de dag waarop het executoriale beslag is gelegd. Het betoog van [eiser] dat de gemeente met een minder verstrekkend beslag had kunnen volstaan, gelet op de verhouding tussen de hoogte van de te verhalen vordering en de waarde van de beslagen onroerende goederen, en dat het beslag uit dien hoofde onrechtmatig is, behoeft gelet op het voorgaande geen bespreking meer.

4.11. De rechtbank komt niet toe aan de beoordeling van de door [eiser] - voorwaardelijk - gevorderde verrekening van (een voorschot op) zijn schadevordering met de dwangsommen, nu niet aan de voorwaarde is voldaan dat [eiser] enig bedrag aan dwangsommen aan de gemeente verschuldigd is.

schadevergoeding wegens het besluit tot het weigeren van een bouwvergunning

4.12. [eiser] heeft aan zijn onder 3.1 weergegeven vordering sub 3.a ten grondslag gelegd dat het primaire besluit van de gemeente van 27 april 2007 tot weigering van de door [eiser] gevraagde bouwvergunning voor het vergroten van zijn paardenhal onrechtmatig moet worden geacht. Daartoe heeft [eiser] aangevoerd dat bij beslissing op bezwaar van 25 oktober 2007 het primaire besluit is vernietigd en bij besluit van 10 september 2008 de gevraagde bouwvergunning - na een vrijstellingsprocedure ex artikel 19 lid 1 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening - alsnog is verleend. [eiser] heeft in dit verband verwezen naar de jurisprudentie van de Hoge Raad (onder meer HR 26 februari 1988, NJ 1988, 489 en HR 31 mei 1991, NJ 1993, 112), op grond waarvan volgens [eiser] het vernietigde primaire besluit, in het bijzonder ook gelet op de redenen en omstandigheden waaronder dit tot stand is gekomen, onrechtmatig is in de zin van artikel 6:162 BW en deze onrechtmatigheid voor rekening van de gemeente dient te komen. Ter comparitie heeft [eiser] zijn stelling dat het besluit van de gemeente van 27 april 2007 onrechtmatig moet worden geacht nader toegelicht door te betogen dat de gemeente op twee verschillende momenten tot een verschillend besluit is gekomen, terwijl de feiten precies hetzelfde zijn gebleven.

4.13. De gemeente heeft daartegen ingebracht dat het primaire besluit tot weigering van de door [eiser] gevraagde bouwvergunning volgens haar niet onrechtmatig was. Daartoe heeft de gemeente aangevoerd dat zij op goede gronden heeft besloten dat de aanvraag van [eiser] in strijd was met het bestemmingsplan en heeft zij op goede gronden gemeend niet mee te werken aan een vrijstelling van het bestemmingsplan. De gemeente was tot de conclusie gekomen dat het beleid, op grond waarvan zij aanvankelijk op 18 oktober 2000 een vergunning had verleend voor de bouw van de paardenhal, in strijd was met (een juiste interpretatie van) het bestemmingsplan. In bezwaar heeft de gemeente haar standpunt om niet mee te werken aan een vrijstellingsprocedure herzien en is zij aan de wens van [eiser] om zijn paardenhal te kunnen uitbreiden tegemoetgekomen. De gemeente achtte het in de gegeven situatie niet redelijk om [eiser] te laten wachten op nieuw beleid.

4.14. Het verweer van de gemeente slaagt. Uit de enkele omstandigheid dat de gemeente het bezwaar tegen het besluit tot weigering van de bouwvergunning gegrond heeft verklaard en vervolgens heeft besloten alsnog aan [eiser] de gevraagde bouwvergunning te verlenen, kan niet worden geconcludeerd dat het primaire besluit onrechtmatig is. Anders dan in de zaken die hebben geleid tot de door [eiser] aangehaalde jurisprudentie van de Hoge Raad, is in het onderhavige geval geen sprake van een door de bestuursrechter vernietigd besluit. Indien in een bestuursrechtelijke procedure het bestreden besluit door de bestuursrechter is vernietigd, dient de civiele rechter van de onrechtmatigheid van dat besluit uit te gaan. In dit geval is echter sprake van een vrije heroverweging door het bestuursorgaan, de gemeente, in bezwaar. Gesteld noch gebleken is dat de gemeente het bezwaar gegrond heeft verklaard omdat het primaire besluit in strijd was met de wet. De gemeente heeft op grond van doelmatigheidsredenen in bezwaar besloten alsnog de vrijstellingsprocedure te zullen volgen. Een dergelijk besluit is geen gebonden beschikking. De gemeente had derhalve de (beleids)vrijheid in bezwaar alsnog aan de wensen van [eiser] tegemoet te komen door de vrijstellingsprocedure toe te staan. Dat de gemeente door toepassing van die vrije heroverweging tot een ander besluit komt dan de aanvankelijke weigering een bouwvergunning te verlenen, maakt dat laatste besluit nog niet onrechtmatig, ook niet indien de feiten die [eiser] aan zijn aanvraag ten grondslag heeft gelegd niet zijn veranderd.

4.15. Nu het besluit van de gemeente van 27 april 2007 tot weigering van de door [eiser] gevraagde bouwvergunning niet onrechtmatig kan worden geacht, bestaat geen grond voor de door [eiser] gevorderde vergoeding van schade als gevolg van de (aanvankelijk) geweigerde bouwvergunning. De rechtbank zal deze vordering van [eiser] daarom afwijzen.

buitengerechtelijke kosten en proceskosten

4.16. De vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke kosten zal worden afgewezen. [eiser] heeft niet (voldoende onderbouwd) gesteld dat hij deze kosten daadwerkelijk heeft gemaakt en dat die kosten betrekking hebben op verrichtingen die meer omvatten dan een enkele aanmaning, het enkel doen van een schikkingsvoorstel, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen of het op gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier.

4.17. De gemeente zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [eiser] worden begroot op:

- dagvaarding EUR 85,98

- vast recht 313,00

- salaris advocaat 768,00 (2,0 punten × tarief EUR 384,00)

Totaal EUR 1.166,98

5. De beslissing

De rechtbank

5.1. verklaart voor recht dat de bevoegdheid van de gemeente tot invordering van de hiervoor onder 2.1 jo. 2.2 bedoelde verbeurde dwangsommen is verjaard,

5.2. verklaart voor recht dat de bevoegdheid van de gemeente tot invordering van de hiervoor onder 2.5 jo. 2.6 bedoelde verbeurde dwangsommen is verjaard,

5.3. veroordeelt de gemeente om het onder 2.4 en 2.8 genoemde executoriale beslag dat door de gemeente is gelegd ten laste van [eiser] binnen twee werkdagen na betekening van dit vonnis op te heffen,

5.4. veroordeelt de gemeente tot betaling aan [eiser] van schadevergoeding tegen kwijting, uit hoofde van de onrechtmatige beslaglegging van 28 november 2007 door de gemeente onder [eiser], nader op te maken bij staat en te vereffenen volgens de wet, vermeerderd met de wettelijke rente over het nog niet betaalde deel van het nader op te maken bedrag vanaf 28 november 2007 tot de dag van volledige betaling,

5.5. veroordeelt de gemeente in de proceskosten, aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op EUR 1.166,98,

5.6. verklaart dit vonnis voor wat betreft het bepaalde onder 5.3, 5.4 en 5.5 uitvoerbaar bij voorraad,

5.7. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. E. Jochem en in het openbaar uitgesproken op28 juli 2010.?