Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2010:BN8309

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
18-08-2010
Datum publicatie
24-09-2010
Zaaknummer
125801 - HA ZA 06-871
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

INCIDENTELE VORDERING INGEVOLGE ARTIKEL 843a RV tot afgifte van een mogelijk bestaande overeenkomst

De voorwaarden die aan toewijzing van een vordering ingevolge artikel 843a Rv worden gesteld, te weten dat het om bepaalde bescheiden moet gaan en dat er voldoende belang aanwezig moet zijn, dienen ter voorkoming van zogenaamde ‘fishing expeditions’. Gedaagde kan niet worden veroordeeld, bovendien op straffe van verbeurte van een dwangsom, tot afgifte van stukken waarvan niet duidelijk is dat zij daarover beschikt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK HAARLEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 125801 / HA ZA 06-871

Vonnis in incident van 18 augustus 2010

in de zaak van

MR. JAAP ANNE VAN DER MEER

in hoedanigheid van curator in het faillissement van de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid LCI CONSULTANTS B.V.,

wonende te 's-Hertogenbosch,

eiser, tevens verweerder in reconventie, in de hoofdzaak,

eiser in het incident,

advocaat mr. S. Koerselman te Best,

tegen

1. de vennootschap naar Belgisch recht

PRODATA BANKING SOLUTIONS N.V.,

gevestigd te Zaventem, België,

2. de vennootschap naar Belgisch recht

PAYPOINT SYSTEMS N.V.,

gevestigd te Zaventem, België,

3. de vennootschap naar Belgisch recht

PRODATA SYSTEMS N.V.,

gevestigd te Zaventem, België,

gedaagden in de hoofdzaak,

verweersters in het incident,

advocaat mr. P. Wieringa te Haarlem,

en tegen

4. de vennootschap naar Belgisch recht

ERUDICT N.V.,

gevestigd te Groot-Bijgaarden, België,

gedaagde, tevens eiseres in reconventie, in de hoofdzaak (procedure geschorst),

advocaat mr. J.P.M. Borsboom te Barendrecht,

5. de vennootschap naar Luxemburgs recht

SYSTEM SOLUTIONS LUXEMBOURG SA,

gevestigd te Strassen, Luxemburg,

gedaagde in de hoofdzaak,

advocaat mr. F.H.P. Venbroek te Haarlem (onttrokken),

6. de vennootschap naar Tsjechisch recht

SOFT CELL CESKÁ REPUBLIKA A.S.,

gevestigd te Brno, Tsjechië,

gedaagde in de hoofdzaak,

niet verschenen.

Partijen in het incident zullen hierna de curator en Prodata Banking Solutions c.s. genoemd worden. Verweersters in het incident zullen afzonderlijk Prodata Banking Solutions, Paypoint Systems en Prodata Systems genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het vonnis in het incident tot onbevoegdverklaring van 6 december 2006,

- het vonnis in het incident van 17 januari 2007 op het verzoek om hoger beroep toe te staan tegen het vonnis in het incident van 6 december 2006,

- het arrest van het gerechtshof te Amsterdam van 28 oktober 2008,

- de akte houdende vermeerdering van eis tevens overlegging van producties van de curator van 11 maart 2009,

- de conclusie van antwoord van Prodata Banking Solutions c.s. van 3 juni 2009,

- de conclusie van antwoord van Erudict N.V., tevens conclusie van eis in reconventie van 3 juni 2009,

- de conclusie van repliek van de curator van 7 juli 2010 tevens houdende vermeerdering van eis en tevens houdende de incidentele vordering ex artikel 843a Rv,

- de conclusie van antwoord in het incident ex artikel 843a Rv van Prodata Banking Solutions c.s.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.

2. De beoordeling in het incident

2.1. De curator heeft zich in de hoofdzaak (onder meer) op het standpunt gesteld dat Prodata Banking Solutions c.s. gebonden is aan de volgens de curator door [A], indirect bestuurder van LCI Consultants, getekende ‘akten hoofdelijke medeschuldenaarstelling’ van 18 april 2000 en 27 september 2000, omdat deze volgens de curator zijn bekrachtigd door Prodata Banking Solutions c.s. bij de ‘overeenkomst vrijgave zekerheden’ van Prodata Systems met (onder meer) de ING Bank van 5 juli 2002 en de koopovereenkomst van diezelfde datum tussen [B] en [C], bestuurders van Prodata Systems, als kopers en Soft Cell Consultancy Nederland B.V. als verkoper van de aandelen van Soft Cell Consultancy in Prodata Systems.

2.2. Tussen partijen staat vast dat in elk geval Prodata Systems de ‘overeenkomst vrijgave zekerheden’ met de ING Bank heeft gesloten. De curator heeft deze overeenkomst zelf bij dagvaarding in het geding gebracht (productie 12). De curator acht het aannemelijk dat de ‘overeenkomst vrijgave zekerheden’, althans een overeenkomst met gelijke inhoud, ook is gesloten tussen de ING Bank en Prodata Banking Solutions respectievelijk Paypoint Systems, temeer nu deze vennootschappen hun activiteiten wensten te voort te zetten ondanks het faillissement van LCI Consultants.

2.3. De curator vordert in het incident om Prodata Banking Solutions c.s. op grond van artikel 843a Rv te veroordelen, op straffe van een dwangsom van EUR 10.000,00, een afschrift te verstrekken van de ‘overeenkomst vrijgave zekerheden’ tussen Prodata Banking en Paypoint Systems en de ING Bank met de vermoedelijke datum 5 juli 2002.

2.4. Prodata Banking Solutions c.s. voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

2.5. De curator heeft aan zijn incidentele vordering ten grondslag gelegd dat hij gegronde redenen heeft om aan te nemen dat de ‘overeenkomst vrijgave zekerheden’ niet alleen met Prodata Systems is gesloten, maar eveneens met Prodata Banking en Paypoint Systems en dat hij een rechtmatig belang heeft bij afschrift van de ‘overeenkomsten vrijgave zekerheden’ van Prodata Banking en Paypoint Systems, omdat hij daarmee – voorzover nodig – kan bewijzen dat ook Prodata Banking en Paypoint Systems de ‘overeenkomsten hoofdelijke medeschuldenaarstelling’ hebben bekrachtigd. Voorts heeft de curator betoogd (indirect) partij te zijn bij de rechtsbetrekking die in de ‘overeenkomsten vrijgave zekerheden’ wordt geregeld, nu volgens de curator in die overeenkomsten door de ING Bank afstand wordt gedaan van (onder meer) de hoofdelijke medeaansprakelijkheid van Prodata Banking en Paypoint Systems, terwijl LCI Consultants behoort tot de partijen die hoofdelijk medeaansprakelijk waren. Voorts doen Prodata Banking Solutions c.s. in de ‘overeenkomsten vrijgave zekerheden’ afstand van hun regresrechten jegens LCI Technology Group N.V. en haar (klein)dochtervennootschappen, hetgeen LCI Consultants rechtstreeks aangaat, aldus de curator.

2.6. Ingevolge artikel 843a Rv kan hij die daarbij belang heeft een afschrift of uittreksel vorderen van bepaalde bescheiden aangaande een rechtsbetrekking waarin hij partij is. Uit de parlementaire geschiedenis volgt dat dit wetsartikel ziet op de situatie dat de inhoud van een bewijsmiddel aan een partij in beginsel wel bekend is, maar dat zij het niet in haar bezit heeft. De voorwaarden die aan toewijzing van een dergelijke vordering gesteld worden, te weten dat het om bepaalde bescheiden moet gaan en dat er voldoende belang aanwezig moet zijn, dienen ter voorkoming van zogenaamde ‘fishing expeditions’. De vordering van de curator dient aan deze eisen getoetst te worden.

2.7. Ten aanzien van de bescheiden waarvan de curator afschrift vordert, is niet voldaan aan de eis van voldoende bepaalbaarheid. De curator verlangt immers afschrift van volgens hem mogelijk bestaande overeenkomsten van Prodata Banking en Paypoint Systems met de ING Bank, met vermoedelijk dezelfde inhoud als de ‘overeenkomst vrijgave zekerheden’ tussen Prodata Systems en de ING Bank en met de vermoedelijke datum van 5 juli 2002. Het gaat derhalve niet om specifieke bewijsmiddelen waarvan het bestaan en de inhoud haar in beginsel bekend zijn. Volgens Prodata Banking Solutions c.s. zijn Prodata Banking en Paypoint Systems geen partij bij de ‘overeenkomst vrijgave zekerheden’ van Prodata Systems met de ING Bank en bestaan dergelijke overeenkomsten tussen Prodata Banking en Paypoint Systems en de ING Bank dan ook niet. De curator heeft daartegenover geen concrete aanwijzingen geboden dat de door hem genoemde overeenkomsten wél bestaan. De door de curator gegeven indicaties voor de mogelijkheid dat Prodata Banking en Paypoint Systems (ook) een ‘overeenkomst vrijgave zekerheden’ met de ING Bank hebben gesloten, te weten dat Prodata Systems aandeelhouder was van Prodata Banking en Paypoint Systems en (ook) Prodata Banking en Paypoint Systems belang hadden bij finale kwijting door de bank waardoor zij hun activiteiten konden voortzetten, zijn, gelet op de betwisting door Prodata Banking Solutions c.s. dat de door de curator genoemde overeenkomsten bestaan, onvoldoende. Met de door de curator gegeven aanwijzingen is immers niet komen vast te staan dat de overeenkomsten daadwerkelijk bestaan. Prodata Banking Solutions c.s. kan nu eenmaal niet worden veroordeeld, bovendien op straffe van een dwangsom, afschrift van stukken te verstrekken waarvan niet duidelijk is dat zij daarover beschikt. De rechtbank zal daarom de incidentele vordering van de curator tot het verstrekken van een afschrift van dergelijke stukken afwijzen.

2.8. De curator zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van het incident worden veroordeeld.

3. De beslissing

De rechtbank

in het incident

3.1. wijst het gevorderde af,

3.2. veroordeelt de curator in de kosten van het incident, aan de zijde van Prodata Banking Solutions c.s. tot op heden begroot op EUR 452,00,

3.3. verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,

in de hoofdzaak

3.4. bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 29 september 2010 voor conclusie van dupliek.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.J. van der Meer en in het openbaar uitgesproken op 18 augustus 2010.?