Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2010:BN8276

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
27-08-2010
Datum publicatie
24-09-2010
Zaaknummer
171519 - KG RK 10-645
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Verweerders hebben een opeisbare vordering op verzoekers. Verzoekers stellen dat zij een vordering hebben op verweerders en willen ter verzekering daarvan onder zichzelf beslag leggen op hetgeen zij aan verweerders verschuldigd zijn. De voorzieningenrechter acht de vordering van verzoekers voldoende deugdelijk om verlof te verlenen voor beslaglegging. Als verzoekers onder zichzelf beslag leggen bestaat het risico dat, indien zij failleren, verweerders hun vordering niet betaald krijgen. Ook valt niet geheel uit te sluiten dat de vordering van verzoekers naderhand ondeugdelijk zal blijken. In verband met deze risico's verbindt de voorzieningenrechter aan het beslagverlof op de voet van artikel 701 Rv. de voorwaarde dat verzoekers zekerheid stellen in de vorm van een bankgarantie conform het Rotterdams model. De zekerheid dient te worden gesteld voor hetgeen verzoekers aan verweerders verschuldigd zijn, onder aftrek van hetgeen daarop inmiddels is betaald en voorts onder aftrek van het door verweerders erkende gedeelte van de vordering van verzoekers.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

beschikking

RECHTBANK HAARLEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rekestnummer: 171519 / KG RK 10-645

Beschikking van de voorzieningenrechter van 27 augustus 2010

in de zaak van

1. [verzoeker sub1],

wonende te Leimuiderbrug, gemeente Haarlemmermeer,

2. [verzoeker sub 2],

wonende te Nieuw-Vennep, gemeente Haarlemmermeer,

3. [verzoeker sub 3],

wonende te Amsterdam,

verzoekers,

advocaat mr. W.F. Roelink te Hoofddorp,

tegen

1. [verweerder sub 1],

2. [verweerder sub 2],

beiden wonende te Rijsenhout, gemeente Haarlemmermeer,

verweerders,

advocaat mr. J. Bol te Haarlem.

Verzoekers zullen hierna [verzoekers] worden genoemd. Verweerders zullen worden aange-duid als [verweerders]

1. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoekschrift met 12 producties

- de brief van mr. Bol d.d. 16 augustus 2010 met 2 producties

- de brief van mr. Roelink, houdende een nadere onderbouwing van het beslagrekest, d.d.

17 augustus 2010 met 4 producties

- de mondelinge behandeling

- de pleitnota van mr. Bol.

2. De beoordeling

2.1. Bij verzoekschrift, ingekomen ter griffie van de rechtbank op 13 juli 2010, hebben [verzoekers] de voorzieningenrechter verzocht beslag onder zichzelf te mogen leggen ter verzekering van een op € 153.776,10 te begroten vordering op [verweerders] Ter terechtzit-ting van 19 augustus 2010 zijn partijen omtrent het verzoek gehoord.

2.2. Vanaf mei 2001 hebben [verweerders] van [verzoekers] gepacht de kwekerij, be-staande uit een woonhuis, schuur, kassen en een ketelhuis, aan de Heeermanszwet 52 te Rijsenhout. De pachtrelatie is vastgelegd in een drietal overeenkomsten d.d. 25 april 2001 (“huurkon- trakt bedrijfsruimte MVA”), 20 juni 2003 (“Huurbeëindigingsovereenkomst”) en 3 augustus 2006 (“Huur-/Pachtbeëindigings-overeenkomst”). In 2007 hebben [verzoe-kers] deze drie overeenkomsten ter goedkeuring toegezonden aan de Grondkamer Noord-west. De Grondkamer Noordwest heeft de overeenkomsten bij beschikkingen van 21 maart 2008 goedgekeurd, telkens onder verlaging van de pachtprijs.

2.3. Op 26 maart 2008 hebben partijen een overeenkomst gesloten waarin is vastgelegd dat de voorheen tussen hen bestaand hebbende relatie was geëindigd en waarbij partijen voor de duur van een jaar, ingaande op 1 maart 2008 en eindigend op 1 maart 2009, een nieuwe pachtrelatie zijn aangegaan. Ten tijde van het aangaan van deze overeenkomst wa-ren [verweerders] niet op de hoogte van de onder 2.2 genoemde beschikkingen van de Grondkamer Noordwest doordat de Grondkamer de beschikkingen abusievelijk naar een verkeerd adres had gestuurd. De overeenkomst van 26 maart 2008 is door de Grondkamer Noordwest bij beschikking van 16 september 2009 goedgekeurd onder verlaging van de pachtprijs. [verweerders] hebben bij brief aan [verzoekers] van 26 september 2008 de ver-nietiging van de overeenkomst van 26 maart 2008 ingeroepen voor zover daarbij een loop-tijd van een jaar was overeengekomen. Voorts hebben [verweerders] van de beschikking van de Grondkamer Noordwest van 16 september 2009 geappelleerd en de Centrale Grond-kamer verzocht de beschikking te vernietigen en te bepalen dat tussen partijen een pacht-overeenkomst is tot stand gekomen voor de duur van de wettelijke termijn van 12 jaar. De Centrale Grondkamer heeft bij beschikking van 16 februari 2010 de beschikking van de Grondkamer Noordwest onder aanvulling van gronden bevestigd.

2.4. Bij dagvaarding van 22 februari 2010 hebben [verweerders] een procedure bij de pachtkamer van deze rechtbank aanhangig gemaakt waarin zij een verklaring voor recht vorderen dat zij de clausule in de overeenkomst van 26 maart 2008 betreffende de looptijd met recht en op goede gronden hebben vernietigd. [verzoekers] hebben in die procedure een reconventionele vordering ingesteld waarbij zij de ontruiming van het gepachte vorderen.

2.5. Bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis in kort geding van 20 november 2009 heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank [verzoekers] veroordeeld om aan [ver-weerders] te betalen een bedrag van € 135.262,--. Dit bedrag is het verschil tussen de door [verweerders] betaalde pachtsommen en de door de Grondkamer vastgestelde bedragen. Dat vonnis is door het gerechtshof Amsterdam bij arrest in kort geding van 6 juli 2010 bekrach-tigd. [verweerders] hebben een aanvang gemaakt met de tenuitvoerlegging van het vonnis van 20 november 2009.

2.6. [verzoekers] stellen nu dat zij een aanzienlijke vordering op [verweerders] hebben. Die vordering betreft in de eerste plaats de gebruiksvergoeding ad € 1.468,15 per maand voor het gepachte vanaf 1 maart 2009 die door [verweerders] niet is betaald. Voorts stellen [verzoekers] dat [verweerders] het gepachte, zowel de woning als de kwekerij, hebben ver-waarloosd en dat de onderhoudstoestand van het gepachte thans zeer slechts is. In verband hiermee stellen [verzoekers] een schadevordering op [verweerders] te hebben ad € 118.450,50. Ook pretenderen [verzoekers] een vordering op [verweerders] wegens waarde-vermindering van het gepachte. [verzoekers] stellen in dat verband dat [verweerders] per 1 maart 2009 gehouden waren het gepachte te ontruimen. [verweerders] hebben dat tot nu toe geweigerd. Ten gevolge van die weigering zijn [verzoekers] niet in staat geweest het ver-pachte te verkopen. Volgens [verzoekers] is sinds maart 2009 door de verslechterde markt, de lagere grondprijs en de verwaarlozing van het gepachte door [verweerders], de waarde van het gepachte met tenminste € 200.000,-- afgenomen. [verzoekers] willen ter verzekering van hun vorderingen op [verweerders] beslag leggen onder zichzelf op hetgeen zij aan [ver-weerders] uit hoofde van het kortgedingvonnis van 20 november 2009 verschuldigd zijn.

2.7. [verweerders] hebben de vordering wegens onbetaald gelaten pachtsommen niet weersproken. Voor het overige hebben [verweerders] de door [verzoekers] gepretendeerde vorderingen gemotiveerd betwist.

2.8. [verweerders] voeren aan dat het gepachte niet is verwaarloosd en dat zij, anders dan [verzoekers] stellen, daar nog steeds een bedrijf uitoefenen. [verzoekers] hebben ter zitting een aantal foto’s getoond ter onderbouwing van hun stelling op dit punt. [verweer-ders] hebben aangevoerd dat hetgeen op die foto’s te zien is niet tot het gepachte behoort.

2.9. Voorts stellen [verweerders] zich op het standpunt dat hetgeen [verzoekers] stellen omtrent schade aan het verpachte en waardevermindering daarvan thans niet relevant is, aangezien de pachtverhouding tussen partijen nog niet is geëindigd en vooralsnog niet vast-staat wanneer dat het geval zal zijn. In de onder 2.4. genoemde procedure beroepen [ver-weerders] zich op dwaling ten aanzien van de beëindigingsovereenkomst van 26 maart 2008. [verweerders] voeren daartoe aan dat toen zij de overeenkomst van 26 maart 2008 aangingen, de overeenkomst van 3 augustus 2006 nog van kracht was. [verzoekers] hebben die overeenkomst in 2007 aan de Grondkamer toegezonden. Volgens [verweerders] is inge-volge artikel 7:322 van het Burgerlijk Wetboek de looptijd van de overeenkomst ingegaan op 1 maart 2008 en geldt deze tot 1 maart 2015. [verweerders] gingen er destijds echter van uit dat de overeenkomst van 3 augustus 2006 per 1 maart 2008 zou eindigen/was geëindigd. Onder invloed van die verkeerde veronderstelling zijn zij de overeenkomst van 26 maart 2008 aangegaan. [verweerders] stellen zich op het standpunt dat, als de overeenkomst van 26 maart 2008 wordt vernietigd ten aanzien van de duur, een overeenkomst resteert met de wettelijke looptijd.

2.10. De voorzieningenrechter overweegt als volgt. Dat [verzoekers] een vordering heb-ben op [verweerders] wegens niet betaalde pachtsommen/gebruiksvergoeding die tot 1 juli 2010 € 24.958,55 beloopt, staat als niet weersproken vast.

2.11. Dat de pachtrelatie van partijen, zoals [verweerders] stellen, niet is geëindigd, is naar het oordeel van de voorzieningenrechter onvoldoende aannemelijk geworden. [ver-weerders] hebben niet geappelleerd van de beslissing van de Grondkamer Noord West met betrekking tot de “Huur-/pachtbeëindigingsovereenkomst van 3 augustus 2006. Dat aan de zijde van [verweerders] bij het aangaan van die overeenkomst sprake is geweest van dwa-ling is niet aangevoerd. Bij de overeenkomst van 3 augustus 2006 zijn partijen overeenge-komen de pachtrelatie per 1 maart 2008 te beëindigen. Bij de overeenkomst van 26 maart 2008 hebben partijen de pachtrelatie met een jaar verlengd. Gelet op de omstandigheden van het geval valt naar het oordeel van de voorzieningenrechter niet te verwachten dat de pacht-rechter aan die laatste overeenkomst een looptijd zal toekennen gelijk aan de wettelijke duur. Met de Centrale Grondkamer acht de voorzieningenrechter aannemelijk dat bij vernie-tiging van de overeenkomst van 26 maart 2008 wordt teruggevallen op de huur-/pachtbeëindigings-overeenkomst van 3 augustus 2006, waarbij partijen hun relatie hebben beëindigd.

2.12. Tegen die achtergrond is eveneens aannemelijk dat [verweerders] het gepachte per 1 maart 2009 hadden moeten ontruimen. Te verwachten valt dan ook dat de vordering in reconventie van [verzoekers] in de procedure bij de pachtkamer zal worden toegewezen.

2.13. Wat betreft de door [verzoekers] gepretendeerde vordering wegens waardevermin-dering van het gepachte overweegt de voorzieningenrechter als volgt. [verzoekers] hebben onweersproken gesteld dat zij het gepachte eind 2008 hadden kunnen verkopen voor een bedrag van € 875.000,--. Voorts hebben [verzoekers] een taxatierapport in het geding ge-bracht waarin de waarde van het gepachte perceel per 16 augustus 2010 is bepaald op € 480.000,--. Ook uit andere door [verzoekers] overgelegde producties blijkt dat de grondprijs voor percelen als het gepachte sedert maart 2009 aanzienlijk is gedaald. [verzoekers] begro-ten de waardevermindering op tenminste € 200.000,--. Op basis van de overgelegde produc-ties acht de voorzieningenrechter voldoende aannemelijk dat [verzoekers] tot dat bedrag schade lijden doordat [verweerders] hebben nagelaten het gepachte tijdig te ontruimen.

2.14. In het beslagrekest vragen [verzoekers] verlof om beslag te mogen leggen ter ver-zekering van een op € 153.776,10 te begroten vordering. Reeds op grond van hetgeen onder 2.13 werd overwogen moet worden geconcludeerd dat het door [verzoekers] ingeroepen recht voorshands voldoende deugdelijk is om voor dat bedrag beslag te leggen. Hetgeen [verzoekers] voor het overige ter onderbouwing van hun vordering hebben gesteld behoeft daardoor geen bespreking meer.

2.15. [verweerders] hebben thans een opeisbare vordering op [verzoekers] Indien [ver-zoekers] onder zichzelf beslag leggen bestaat het risico dat, indien [verzoekers] failleren, [verweerders] hun vordering niet uitbetaald krijgen. Ook valt niet geheel uit te sluiten dat de vordering van [verzoekers] naderhand ondeugdelijk zal blijken. In verband met deze risico’s zal de voorzieningenrechter op de voet van artikel 701 van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering aan het beslagverlof de voorwaarde verbinden dat [verzoekers] voor het daarvoor hieronder in de beslissing aan te duiden bedrag zekerheid dienen te stellen in de vorm van een bankgarantie. Bij het bepalen van het bedrag waarvoor door [verzoekers] ze-kerheid gesteld dient te worden, is de voorzieningenrechter er vanuit gegaan dat [verweer-ders] de betaling van de vanaf 1 juli 2010 verschuldigde pacht/gebruiksvergoeding van € 1.468,15 per maand zullen hervatten. Dit omdat de te stellen zekerheid anders hoger zal worden dan hetgeen [verzoekers] per saldo aan [verweerders] verschuldigd zullen zijn.

3. De beslissing

De voorzieningenrechter

3.1. verleent verzoekers verlof om conservatoir beslag onder zichzelf te leggen, met begroting van de vordering inclusief rente en kosten op € 153.776,10 (honderddrieënvijftig-duizend zevenhonderdzesenzeventig euro en tien eurocent), één en ander op voorwaarde dat verzoekers voor hetgeen zij op grond van het vonnis van 20 november 2009 aan [verweer-ders] verschuldigd zijn, onder aftrek van hetgeen daarop inmiddels is betaald en voorts on-der aftrek van de hiervoor onder 2.10 genoemde € 24.958,55, zekerheid stellen in de vorm van een bankgarantie conform het zogenaamde Rotterdams model,

3.2. bepaalt dat de hoofdzaak aanhangig dient te worden gemaakt binnen 14 dagen na beslaglegging.

Deze beschikking is gegeven door mr. A.J. van der Meer en in het openbaar uitgesproken op 27 augustus 2010.?