Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2010:BN8165

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
05-08-2010
Datum publicatie
23-09-2010
Zaaknummer
AWB 10/3169 & 10/3430
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Voorlopige voorziening
Inhoudsindicatie

Intrekking en terugvordering bijstand; door schending inlichtingenverplichting valt recht op bijstand niet vast te stellen; beroep op artikel 79 WWB; aanvraagprocedure.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 10 - 3169 en 10 - 3430 WWB

Uitspraak van de voorzieningenrechter van 5 augustus 2010

in de zaken van:

[verzoeker],

wonende te [woonplaats],

verzoeker,

gemachtigde: mr. J. Klaas, advocaat te Haarlem,

tegen:

het college van burgemeester en wethouders van Purmerend,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 26 april 2010 heeft verweerder het recht op uitkering ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) van verzoeker ingetrokken met ingang van 9 december 2008 en de over de periode van 9 december 2008 tot en met 31 maart 2010 ontvangen uitkering van hem teruggevorderd. Bij brief van 21 mei 2010 heeft verzoeker hiertegen bezwaar gemaakt.

Bij brief van 24 juni 2010 heeft verzoeker verweerder verzocht per omgaande zijn uitkering ingevolge de WWB betaalbaar te stellen per 1 april 2010. Nadat verweerder telefonisch had laten weten hierop niet te zullen ingaan, is bij brief van 29 juni 2010 bezwaar gemaakt.

Bij brief van 29 juni 2010 heeft verzoeker de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen hangende het bezwaar van 29 juni 2010.

Bij brief van 12 juli 2010 heeft verzoeker de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen hangende het bezwaar van 21 mei 2010.

Het verzoek van 29 juni 2010 is behandeld ter zitting van 14 juli 2010, waar verzoeker in persoon is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde, en waar verweerder zich heeft laten vertegenwoordigen door J.C.H. de Groot, werkzaam bij de gemeente Purmerend. De behandeling ter zitting is aangehouden en voortgezet op 27 juli 2010 en op deze zitting is ook het verzoek van 12 juli 2010 behandeld. Verzoeker is ter zitting in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde mr. J. Klaas. Verweer-der heeft zich laten vertegenwoordigen door R.G. van der Eijk, werkzaam bij de gemeente.

2. Overwegingen

2.1 Verzoeker is afkomstig uit Irak. Bij besluit van 29 januari 2009 heeft verweerder verzoeker per 9 december 2008 een WWB-uitkering toegekend naar de norm van een alleenstaande. In maart 2010 is een onderzoek ingesteld door de sociale recherche. Uit de stukken blijkt dat het onderzoek is gestart vanwege diverse opvallende punten in recente bankafschriften (geen betalingen voor huur, nutsvoorzieningen en zorgverzekering; betalingen van wisselende bedragen op postkantoor en veel pinbetalingen op diverse NS-stations). Nadat uit onderzoek bij de Kamer van Koophandel bleek dat verzoeker stond/staat ingeschreven als bestuurder van een onderneming is informatie opgevraagd bij de Belastingdienst. Daaruit bleek vervolgens dat verzoeker voor 50% aandeelhouder is van [naam] én dat hij beschikt over een bankrekening ([nummer]) die hij niet had opgegeven. Daarop is verzoeker uitgenodigd voor een gesprek op 31 maart 2010, met het verzoek een geldig paspoort en alle afschriften van de bankrekening [nummer] mee te nemen. Eiser is op 31 maart 2010 gehoord door twee sociaal rechercheurs, tevens buitengewoon opsporingsambtenaren. Van het verhoor is proces-verbaal opgemaakt. Het proces-verbaal is aan verzoeker voorgelezen en hij heeft dit ondertekend. Omdat verzoeker, ondanks zijn toezegging, zijn paspoort niet heeft getoond en vervolgens op 6 april 2010 een “pv van vermissing identiteitsbewijs” heeft afgegeven, heeft verweerder het recht op uitkering opgeschort vanaf 6 april 2010. Op grond van de bevindingen uit het onderzoek heeft verweerder vervolgens onder verwijzing naar artikel 54, derde lid, onder a, van de WWB bij besluit van 26 april 2010 de uitkering van verzoeker met ingang van 9 december 2008 ingetrokken. Voorts heeft verweerder bij dit besluit de door verzoeker in de periode 9 december 2008 tot en met 31 maart 2010 ontvangen bijstand (€ 17.880,17) van hem teruggevorderd. Bij brief van 24 juni 2010 heeft verzoeker verweerder verzocht om doorbetaling van zijn uitkering per 1 april 2010. Telefonisch heeft verweerder verzoeker op 28 juni 2010 laten weten hier niet toe over te zullen gaan.

2.2 Verweerder wijst erop dat bij het besluit van 26 april 2010 het recht op uitkering is ingetrokken met terugwerkende kracht en daarmee de juridische werking is ontnomen aan het oorspronkelijke toekenningsbesluit. In die zin kan dan ook geen sprake zijn van het nalaten van een handeling zoals bedoeld in artikel 79 WWB.

2.3 Verweerder stelt voorts dat de onderzoeksresultaten voldoende aanleiding bieden om verzoeker als zelfstandige in de zin van het Bbz 2004 aan te merken, in welke hoedanigheid hij geen aanspraak kan maken op een WWB-uitkering. Als gevolg van schending van de inlichtingenplicht is achteraf niet meer vast te stellen of hij aanspraak zou kunnen hebben op een uitkering op grond van de Bbz 2004. Ook als verzoeker niet als zelfstandige zou kunnen worden aangemerkt, bieden zijn betrokkenheid bij en werkzaamheden voor de BV voldoende reden voor intrekking van het recht op uitkering. Bovendien heeft verzoeker door geen melding te maken van de bankrekening (met nummer [nummer]) de inlichtingenplicht geschonden en valt op grond van de overgelegde gegevens ook niet vast te stellen of hij recht had op een uitkering. Verweerder meent dat internetuitdraaien gemanipuleerd kunnen worden en dat het in dit stadium aan verzoeker is om originele bankafschriften over te leggen.

2.4 Verweerder stelt verder nog dat, voor zover er al sprake zou zijn geweest van een nieuwe aanvraag, uit het door verzoeker ondertekende registratieformulier van 9 juli 2010 in ieder geval blijkt dat de aanvraag is ingetrokken. Indien zou moeten worden uitgegaan van de juistheid van de stelling van verzoeker dat er thans nog een of meerdere aanvragen van 7 juni 2010 en daarna zouden lopen, dan is in ieder geval de beslistermijn op deze aanvragen nog niet verstreken. Er is nog geen sprake van een voor bezwaar vatbaar besluit. Een voorlopige voorziening kan dan ook in geen geval aan de orde zijn.

2.5 Verzoeker stelt zich op het standpunt dat verweerder weliswaar zijn recht op bijstand met terugwerkende kracht tot 9 december 2008 heeft ingetrokken, maar dat verweerder geen beëindigingbesluit heeft genomen. Uit de wettekst en de toelichting daarop volgt dat in die situatie het recht op uitkering doorloopt en dat verweerder de uitkering vanaf 1 april 2010 moet uitbetalen. Omdat verweerder hem sindsdien geen bijstand heeft uitgekeerd, is volgens verzoeker sprake van een besluit in de zin van artikel 79 WWB.

2.6 Verzoeker erkent dat het van hem niet handig is geweest zich in te schrijven bij de Kamer van Koophandel. Feitelijk heeft hij evenwel geen invulling aan die inschrijving gegeven en er zijn volgens verzoeker ook geen aanknopingspunten om daar anders over te denken. Het was en is een droom van hem als zelfstandige in zijn bestaan te voorzien. Hij verblijft sinds kort in Nederland, beheerst de Nederlandse taal nog niet volledig en heeft de regels niet goed begrepen. Verzoeker betoogt geen middelen te hebben. Hij heeft geld geleend om de inschrijving bij de Kamer van koophandel te bewerkstelligen. Ook acht verzoeker de opstelling van verweerder nogal formeel, wat betreft de eis om de originele bankafschriften over te leggen. Verzoeker meent dat uit de uitdraai via internet alle bij- en afschrijvingen vallen te controleren.

2.7 Voorts wordt nog gesteld dat verzoeker al geruime tijd zonder inkomen zit en dat het hem onmogelijk wordt gemaakt om een WWB-aanvraag in te dienen. Telkens wordt hem mondeling medegedeeld dat hij geen aanvraag kon indienen. Verzoeker heeft ook gelet hierop een spoedeisend belang bij het treffen van een voorlopige voorziening.

2.8 De voorzieningenrechter komt tot de volgende beoordeling.

2.9 Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, Awb kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen, indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Daarbij gaat het om een afweging van belangen van de verzoekende partij bij een onverwijlde voorziening tegen het belang dat is gemoeid met onmiddellijke uitvoering van het besluit. Voor zover deze toetsing een beoordeling van de hoofdzaak meebrengt, is dat oordeel voorlopig van aard.

2.10 Wat betreft het verzoek van 12 juli 2010 dat betrekking heeft op het besluit van 26 april 2010 tot intrekking en terugvordering van het recht op uitkering vanaf 9 december 2008:

2.11 De voorzieningenrechter stelt vast dat verzoeker de bankrekening en de daarop verrichte transacties heeft verzwegen. Uit de afschriften van de niet opgegeven bankrekening blijkt dat deze rekening veelvuldig wordt gebruikt en dat er diverse stortingen op eigen rekening plaatsvinden, een storting uit het buitenland en veelvuldige pinopnamen. Veel pinopnamen volgen op stortingen. Verzoeker heeft enkel verklaard dat hij regelmatig geld leent en dat bedrag dan bijvoorbeeld via een pinbetaling terugbetaalt (zoals de pinbetaling op 12 maart 2009 aan reisbureau [naam] te Amsterdam) of dat hij leningen of grote coupures omzet in kleine coupures voor vrienden. De storting uit het buitenland zou een lening betreffen die hij nog niet heeft terugbetaald. De voorzieningenrechter kan niet anders dan oordelen dat de verklaringen die verzoeker heeft gegeven voor de diverse (en in zijn situatie ongebruikelijke) transacties onduidelijk en bovendien niet erg aannemelijk zijn. Verzoeker heeft zijn stellingen op geen enkele wijze onderbouwd. Verzoeker kan zich er niet achter verschuilen niet te hebben geweten dat hij de stortingen moest doorgeven.

2.12 Ook heeft verzoeker zijn betrokkenheid bij de onderneming [naam] niet gemeld en heeft hij op dit punt bovendien evident onjuiste verklaringen afgelegd.

2.13 Naar vaste rechtspraak is het niet nakomen van de wettelijke inlichtingenverplichting een grond voor intrekking van de bijstand, indien als gevolg van het niet nakomen van die verplichting niet kan worden vastgesteld of, en zo ja in welke mate, recht op (aanvullende) bijstand bestaat. De inschrijving bij de Kamer van Koophandel als alleen/zelfstandig bevoegd algemeen directeur en het aandeelhouderschap van 50% is voor de toepassing van de WWB een relevant gegeven. Alleen al omdat een dergelijke inschrijving een bepaalde waarde in het economisch verkeer kan vertegenwoordigen. Wat betreft de inschrijving heeft verzoeker alleen maar verklaard dat hij daaruit geen inkomsten heeft gehad, zonder dit verder te onderbouwen. Het is aan verzoeker om met objectieve gegevens aannemelijk te maken dat hij bij correcte melding van een en ander niettemin recht op (aanvullende) bijstand zou hebben gehad. Hij kan zich er niet achter verschuilen dat derden hem zouden hem hebben gezegd dat hij geen opgave hoefde te doen omdat hij geen inkomsten had. Wat betreft de verklaring van verzoeker dat zijn vrienden van het reisbureau de inschrijving van € 30.000 hebben betaald wordt er terecht op gewezen dat uit de informatie van de Kamer van Koophandel is gebleken dat er een bankgarantie van € 18.000 voor de inschrijving bij de KvK is afgegeven bij een notaris. Verzoeker heeft aldus de inlichtingenplicht geschonden met als gevolg dat het recht op bijstand ten tijde in geding niet is vast te stellen.

2.14 Bij deze stand van zaken heeft verweerder zich naar voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter terecht op het standpunt gesteld dat het recht op bijstand van verzoeker niet (langer) valt vast te stellen. Tenzij verzoeker met nieuwe gegevens komt en in staat zal blijken de onduidelijkheden voldoende te verklaren, is het te verwachten dat het besluit tot intrekking en terugvordering in de bodemprocedure stand zal houden. Op die grond zal de voorzieningenrechter het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening afwijzen.

2.15 Wat betreft het verzoek van 29 juni 2010 dat betrekking heeft op het bezwaar tegen het niet betaalbaar stellen van de uitkering vanaf 1 april 2010:

2.16 In geschil is of verzoeker zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat zijn WWB-recht na 1 april 2010 doorloopt. De voorzieningenrechter wijst hierbij op de uitspraak van de CRvB van 18 juli 2006 (rechtspraak.nl : AY5142). Verweerder heeft, in het besluit van 26 april 2010, de intrekking van het recht op bijstand niet gekoppeld aan een bepaalde periode. Dit betekent dat de beoordeling de periode omvat vanaf de datum van intrekking van de bijstand tot en met de datum van het primaire intrekkingbesluit (dus de periode 9 december 2008 tot en met 26 april 2010). Dit houdt ook in dat van doorbetaling van de bijstand per 1 april 2010 geen sprake kan zijn, nu deze datum valt onder de beoordeling van het bezwaar tegen het besluit van 26 april 2010. In voornoemde uitspraak overweegt de CRvB het volgende: ‘Voor de goede orde merkt de Raad in dit verband verder nog op dat uit de hiervoor bedoelde rechtspraak niet mag worden afgeleid dat in een geval waarin de intrekking niet is beperkt tot een bepaalde periode en geen beëindigingsbesluit is genomen, de werking van het intrekkingsbesluit zich niet (ook) zou uitstrekken over de periode na de datum waarop het primaire (intrekkings)besluit is genomen’. Dit impliceert dat er geen ruimte meer is voor een apart beëindigingsbesluit naast een intrekkingsbesluit.

2.17 Hieruit volgt dat in het geval van verzoeker geen sprake is van een situatie als bedoeld in artikel 79 WWB. Het feit dat er geen beëindigingsbesluit ligt, betekent immers niet dat verzoeker per 1 april 2010 (weer) recht op bijstand zou hebben. Daartoe zal verzoeker een nieuwe aanvraag moeten indienen. In de bodemprocedure zal verzoeker niet kunnen worden ontvangen. De voorzieningenrechter zal het verzoek derhalve, vanwege het ontbreken van een connexe bezwaarprocedure, niet-ontvankelijk verklaren.

2.18 Wat betreft de stelling (in het verzoekschrift van 12 juli 2010) dat het verzoeker onmogelijk wordt gemaakt een nieuwe aanvraag in te dienen overweegt de voorzieningenrechter het volgende:

2.19 In artikel 41, eerste lid, van de WWB is de hoofdregel opgenomen dat een aanvraag om algemene bijstand bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen wordt ingediend en dat deze na overdracht verder wordt behandeld door het college. Ingevolge artikel 43, eerste lid, van de WWB stelt het college het recht op bijstand op schriftelijke aanvraag of, indien een schriftelijke aanvraag niet mogelijk is, ambtshalve vast. In artikel 44, eerste lid, van de WWB is bepaald dat, indien door het college is vastgesteld dat recht op bijstand bestaat, de bijstand wordt toegekend vanaf de dag waarop dit recht is ontstaan, voorzover deze dag niet ligt voor de dag waarop de belanghebbende zich heeft gemeld om bijstand aan te vragen. Ingevolge artikel 44, tweede lid, van de WWB, voor zover hier van belang, heeft een belanghebbende zich gemeld als zijn naam, adres en woonplaats zijn geregistreerd en hij in staat is gesteld zijn aanvraag in te dienen bij het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen. In artikel 30c, eerste lid, Wet SUWI is geregeld dat het Uwv bij het in ontvangst nemen van de aanvraag de datum van de aanvraag vastlegt en op welke dag de naam, adres en woonplaats van belanghebbende is geregistreerd en de belanghebbende in staat is gesteld zijn aanvraag in te dienen. Het vijfde lid regelt de overdracht van de aanvraag aan het college van burgemeester en wethouders.

2.20 De voorzieningenrechter stelt op grond van de stukken vast dat verzoeker zich meermalen heeft gemeld met het oogmerk een bijstandsaanvraag in te dienen. Niet evident is of verzoeker daar vervolgens weer kenbaar van heeft afgezien. Daargelaten de invulling die verweerder geeft aan de poortwachtersfunctie, had verzoeker daadwerkelijk in de gelegenheid moeten worden gesteld een aanvraag in te dienen. Indien hij zich heeft gemeld bij het Werkbedrijf Uwv is het aan het Uwv om die aanvraag in te nemen. Het Uwv is niet bevoegd eigener beweging te beslissen een aanvraag niet in te nemen of te laten indienen. Het gevolg van een dergelijke omissie is dat geen overdracht van de aanvraag kan plaatsvinden aan verweerder en deze niet kan beslissen op de aanvraag. Wanneer dat laatste hier het geval is, is sprake van een nalaten van het Uwv en dat moet dan aan verweerder worden toegerekend.

2.21 Na 1 oktober 2009 is het niet meer mogelijk een bezwaarschrift in te dienen tegen het niet tijdig beslissen op een aanvraag. Ingevolge artikel 6:12, tweede lid, aanhef en onder a en b, van de Awb - zoals deze artikelleden luiden na 1 oktober 2009 – kan het bestuursorgaan, zodra het in gebreke is tijdig een besluit te nemen, schriftelijk in gebreke worden gesteld, waarna het bestuursorgaan nog twee weken heeft om alsnog te beslissen. Na verloop van deze twee weken is het enige rechtsmiddel dat kan worden aangewend het instellen van rechtstreeks beroep bij de rechtbank.

2.22 Naar uit de stukken blijkt heeft verzoeker op 7 juni 2010 geprobeerd een aanvraag in te dienen. Gelet hierop was verweerder op 24 juni, 29 juni of 12 juli 2010 nog niet in gebreke tijdig een besluit te nemen inzake het verlenen van bijstand. Gelet op artikel 4:13, tweede lid, van de Awb zal dit besluit op z’n vroegst acht weken na 7 juni 2010 (dus op 3 augustus 2010) moeten worden afgegeven. Verweerder was derhalve nog niet in verzuim. De brieven van 24 juni, 20 juni of 12 juli 2010 zouden daarom hooguit kunnen worden aangemerkt als een premature schriftelijke mededeling aan verweerder dat hij in gebreke is/zal zijn. Een beroepschrift (rechtstreeks beroep) tegen het uitblijven van een besluit is niet ingediend (en zou ook prematuur zijn). Dit betekent dat, mocht het verzoek om een voorlopige voorziening ook hiertegen zijn gericht, dit verzoek niet-ontvankelijk is.

2.23 Gelet op het voorgaande bestaat geen aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening. De verzoeken daartoe worden derhalve afgewezen c.q. niet-ontvankelijk verklaard. Voor een proceskostenveroordeling zijn geen termen aanwezig.

3. Beslissing

De voorzieningenrechter:

3.1 wijst de verzoeken tot het treffen van een voorlopige voorziening af c.q. verklaart deze niet-ontvankelijk.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.C. Terwiel-Kuneman, voorzieningenrechter, en op 5 augustus 2010 in het openbaar uitgesproken, in tegenwoordigheid van mr. H.R.A. Horring, griffier.

afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.