Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2010:BN8021

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
31-08-2010
Datum publicatie
23-09-2010
Zaaknummer
15/790004-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

promiss vonnis; vrijspraak poging doodslag; openlijk geweld; bedreiging; bewijsoverweging geloofwaardigheid verklaring verdachte; toepassing jeugdstrafrechtl; Gedragsbeinvloedende maatregel

De meervoudige kamer van de rechtbank Haarlem veroordeelt verdachte met toepassing van het jeugdsstrafrecht voor openlijke geweldpleging en bedreiging tot een deels voorwaardelijke jeugddetentie en legt verdachte op de maatregel betreffende het gedrag van de jeugdige voor de duur van 12 mnd.

Met de officier van justitie en de raadsvrouw is de rechtbank van oordeel dat niet bewezen is hetgeen verdachte onder 1 primair (poging doodslag) en 1 subsidiair (poging zware mishandeling) ten laste is gelegd. De zich in het dossier bevindende stukken bevatten onvoldoende aanwijzingen op grond waarvan moet worden geconcludeerd dat de verdachte als medepleger heeft te gelden van door een ander, met het op de dood of op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel van/aan de slachtoffers gericht opzet, toegebracht steekletsel. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

Nu verdachte ten tijde van het plegen van het eerste feit de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt en dit feit het ernstigste feit betreft, ziet de rechtbank aanleiding bij de bepaling van de strafmaat, mede op grond van de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor beide feiten het jeugdstrafrecht toe te passen.

Ten aanzien van de geadviseerde Gedragsbeïnvloedende Maatregel overweegt de rechtbank dat zowel de officier van justitie als verdachte en zijn ouders achter oplegging daarvan staan. Ook de Raad voor de Kinderbescherming en de Jeugdreclassering zijn van mening dat een dergelijke maatregel de juiste en maatgerichte intensieve aanpak biedt om het tij positief te keren. De rechtbank neemt deze visie over en maakt die tot de hare. De rechtbank is van oordeel dat gelet op hetgeen hiervoor is overwogen de maatregel betreffende het gedrag van de jeugdige voor de duur van twaalf maanden passend en geboden is nu de ernst van het begane misdrijf hiertoe aanleiding geeft en de maatregel in het belang is van een zo gunstig mogelijke verdere ontwikkeling van de verdachte.

Op grond van het vorenstaande neemt de rechtbank het advies van de gedragsdeskundige en de Raad voor de Kinderbescherming om een maatregel betreffende het gedrag van de jeugdige op te leggen voor de duur van één jaar over. De rechtbank zal deze maatregel opleggen als hierna te melden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJFS 2010/326
FJR 2013/89.9

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector Strafrecht

Locatie Haarlem

Meervoudige strafkamer

Parketnummers: 15/790004-10, 15/750063-09 (vordering tul) en 15/780065-09 (vordering tul)

Uitspraakdatum: 31 augustus 2010

Tegenspraak

Strafvonnis

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het achter gesloten deuren, gehouden onderzoek op de terechtzitting van 17 augustus 2010 in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

wonende te [adres].

Gezien het belang van verdachte bij gelijktijdige berechting van alle ten laste gelegde feiten zoals vermeld op de dagvaarding van verdachte als minderjarige (parketnummer 15/790004-10) en op de dagvaarding van verdachte als meerderjarige (parketnummer 15/700493-10) en de omstandigheid dat deze feiten zodanig nauw met elkaar samenhangen dat zij zich niet tot splitsing daarvan in een gedeelte voor en een gedeelte na het bereiken van de leeftijd van 18 jaren begaan lenen, brengt een doelmatige rechtspleging met zich dat de rechtbank alle voormelde feiten gelijktijdig behandelt en in één vonnis opneemt, alsmede in dit vonnis uitspraak doet en een beslissing neemt omtrent de strafoplegging ter zake al deze voormelde feiten.

1. Tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd:

feit 1 (parketnummer 15/790004-10):

Primair

hij op of omstreeks 15 november 2009 te Haarlem ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3] van het leven te beroven, met dat opzet die [slachtoffer 1] met een mes, althans een scherp voorwerp onder meer in zijn borst en zijn oksel heeft gestoken en/of die [slachtoffer 2] met een mes, althans een scherp voorwerp in zijn rug heeft gestoken en/of die [slachtoffer 3] met een mes, althans een scherp voorwerp in zijn borst heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Subsidiair

hij op of omstreeks 15 november 2009 te Haarlem ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, aan (een) perso(o)n(en) genaamd [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3], opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet die [slachtoffer 1] met een mes, althans een scherp voorwerp in zijn bovenbeen en zijn borst en zijn oksel heeft gestoken en/of die [slachtoffer 2] met een mes, althans een scherp voorwerp in zijn rug heeft gestoken en/of die [slachtoffer 3] met een mes, althans een scherp voorwerp in zijn borst heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;

Meer subsidiair

hij op of omstreeks 15 november 2009 te Haarlem met een ander of anderen, op of aan de openbare weg, het Frans Halsplein, in elk geval op of aan een openbare weg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3], welk geweld bestond uit het met een mes, althans een scherp voorwerp steken in het lichaam van die [slachtoffer 1] en/of [slachtoffer 2] en/of [slachtoffer 3];

feit 2 (parketnummer 15/700493-10):

hij op of omstreeks 18 juli 2010 te Haarlem [slachtoffer 4] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht en/of met zware mishandeling, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [slachtoffer 4] (meermalen) dreigend de woorden toegevoegd: "Moet ik mijn kleine vriend pakken uit mijn zak", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking, en/of daarbij (telkens) een beweging gemaakt alsof hij iets uit zijn (jas)zak wilde pakken.

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot vrijspraak van het onder 1 primair en subsidiair ten laste gelegde en tot bewezenverklaring van de onder 1 meer subsidiair en 2 ten laste gelegde feiten en gevorderd dat verdachte met toepassing van het jeugdstrafrecht terzake zal worden veroordeeld tot een jeugddetentie voor de duur van 180 dagen, waarvan 114 dagen voorwaardelijk met aftrek van de tijd die verdachte reeds in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht met een proeftijd van twee jaar met daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarde dat verdachte zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de aanwijzingen hem te geven door of namens de Jeugdreclassering en verzoekt de rechtbank in dit kader de Jeugdreclassering op te dragen hulp en steun te verlenen als bedoeld in artikel 77aa van het Wetboek van Strafrecht. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd de maatregel betreffende het gedrag van de jeugdige voor de duur van 12 maanden op te leggen met vervangende jeugddetentie voor de duur van zes maanden.

Tenslotte heeft de officier van justitie gevorderd dat van de vordering tenuitvoerlegging met parketnummer 15/750063-09 de proeftijd met één jaar wordt verlengd en dat de vordering tenuitvoerlegging met parketnummer 15/780065-09 wordt tenuitvoergelegd, welke bestaat uit een werkstraf van twintig uren.

4. Bewijs

4.1. Vrijspraak

Met de officier van justitie en de raadsvrouw is de rechtbank van oordeel dat niet bewezen is hetgeen verdachte onder 1 primair en 1 subsidiair ten laste is gelegd. De zich in het dossier bevindende stukken bevatten onvoldoende aanwijzingen op grond waarvan moet worden geconcludeerd dat de verdachte als medepleger heeft te gelden van door een ander, met het op de dood of op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel van/aan de slachtoffers gericht opzet, toegebracht steekletsel. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

4.2. Redengevende feiten en omstandigheden

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het tenlastegelegde feit op grond van de navolgende bewijsmiddelen:

Ten aanzien van feit 1 meer subsidiair:

In de nacht van 15 november 2009 bevonden [slachtoffer 1], [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] zich samen met een viertal Poolse vrienden (waaronder [getuige 1]) bij de fontein op het Frans Halsplein in Haarlem. Blijkens verklaringen van onder andere [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] schreeuwde een drietal jongens naar hen. Deze jongens kwamen vervolgens op hen afgelopen waarna een vechtpartij ontstond.

[slachtoffer 1] heeft verklaard dat hij door de jongens werd aangevallen en dat toen hij gevallen was ook zijn vrienden [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] werden gepakt. Ook [slachtoffer 2] geeft aan dat allereerst [slachtoffer 1] werd aangevallen en dat hij, toen hij wilde gaan helpen, in gevecht raakte met een van de jongens . [slachtoffer 3] verklaart dat, nadat de jongens op hen af waren gekomen, hij werd aangevallen door een van hen waarbij hij diverse malen op zijn rug en ook op zijn hoofd is geslagen . Voorts geeft hij aan dat hij een en ander niet goed heeft kunnen waarnemen aangezien zijn capuchon hierbij over zijn hoofd werd getrokken. Tot slot heeft [getuige 1] verklaard dat nadat de jongens naar hen toe waren gelopen, de kleinste zich tot [slachtoffer 1] richtte en hem een kopstoot gaf, terwijl de andere twee jongens direct met hem, [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] begonnen te vechten . Geen van de genoemde getuigen heeft op enig moment een mes of een ander wapen waargenomen.

Uiteindelijk renden de drie jongens weg en merkten [slachtoffer 1], [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] dat zij elk verwondingen hadden opgelopen. De drie aangevers zijn vervolgens naar het ziekenhuis gegaan om zich te laten behandelen aan hun verwondingen . Blijkens de medische verklaring betreffende [slachtoffer 2] had hij een oppervlakkige steekwond van ongeveer twee centimeter in zijn rug. Ook [slachtoffer 3] had blijkens de medische verklaring een steekverwonding van ongeveer twee centimeter bij zijn linker tepel. Ten aanzien van de toestand van [slachtoffer 1] volgt uit de medische verklaring dat sprake was van drie verwondingen (bovenbeen links, borstkas rechts en oksel links). Ook vermeldt die medische verklaring dat sprake was van ernstig bloedverlies. Nu op de foto’s van de broek die [slachtoffer 1] droeg ten tijde van het voorval duidelijk is te zien dat hierin een gat zit op de pijp van het linker bovenbeen en de stof van deze broek roodgekleurd is, maakt de rechtbank op dat in ieder geval de wond in het linker bovenbeen van [slachtoffer 1] een steekwond betreft. Deze steekwond moet zijn veroorzaakt door een scherp voorwerp nu ook de spijkerbroek die [slachtoffer 1] droeg is doorboord op de plek waar de wond zich op het linker bovenbeen van [slachtoffer 1] bevond.

Uit het voorgaande maakt de rechtbank op dat in ieder geval is vast komen te staan dat de genoemde Poolse mannen zijn benaderd door drie jongens. Ook is uit de verklaringen op te maken dat deze drie jongens het initiatief hebben genomen tot fysiek geweld richting deze Poolse mannen waardoor een vechtpartij is ontstaan. Uit de verklaringen valt niet eenduidig af te leiden wat de rol van elk van de drie genoemde jongens afzonderlijk is, echter is wel duidelijk dat drie van de Poolse mannen ([slachtoffer 1], [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3]) verwondingen hebben opgelopen die naar het oordeel van de rechtbank buiten redelijke twijfel moeten zijn ontstaan door een of meer scherpe voorwerpen. Uit de manier waarop de jongens het geweld tegen de Poolse mannen hebben geïnitieerd, maakt de rechtbank op dat het voorafgaand aan de vechtpartij ook de intentie moet zijn geweest van de drie jongens om gezamenlijk geweld te gebruiken tegen de Poolse mannen.

Hiertegenover staat evenwel hetgeen verdachte uiteindelijk tegenover de politie heeft verklaard. Nadat verdachte in zijn eerste drie verhoren had ontkend met de vechtpartij te maken hebben gehad, verklaarde hij bij zijn vierde verhoor dat hij samen met twee vrienden op 15 november 2009 op het Frans Halsplein was. Verdachte verklaart dat de groep Poolse jongeren tegen hen begon te schreeuwen en een van hen dicht voor verdachte kwam staan. Verdachte heeft de jongen weggeduwd, waarna hij een klap op zijn neus kreeg en er een gevecht ontstond. Verdachte heeft een van de Poolse mannen een capuchon over zijn hoofd getrokken en hem een aantal klappen op zijn rug gegeven met in zijn vuist geklemd een sleutelbos. Uiteindelijk is verdachte naar eigen zeggen tweemaal gestoken tijdens de vechtpartij en heeft hij zich hiervoor onder medische behandeling laten stellen.

De rechtbank acht de lezing van verdachte dat de Poolse mannen zouden zijn begonnen met de vechtpartij en dat zij in het bezit waren van messen, zoals door verdachte in zijn verhoor verklaard, niet geloofwaardig. De rechtbank vindt in het voorhanden zijnde strafdossier alsmede in hetgeen verdachte hierover ter terechtzitting heeft verklaard geen enkele ondersteuning.

Allereerst heeft verdachte de namen van zijn twee vrienden met wie hij die avond was en die zijn verhaal zouden kunnen ondersteunen niet willen noemen. Ook het gedrag van verdachte komt niet overeen met de rol die hij naar eigen zeggen zou hebben gehad in de vechtpartij. Zo heeft hij geen aangifte tegen de Poolse mannen willen doen, terwijl hij juist zelf het slachtoffer zou zijn van de vechtpartij en verwondingen zou hebben opgelopen. Verdachte verklaart desgevraagd ter terechtzitting dat hij ook naar de huisarts is geweest in verband met de verwonding die hij tijdens zijn vechtpartij zou hebben opgelopen aan zijn hand, maar kan geen medische verklaring van de huisarts overleggen en ook geen datum van zijn bezoek aan de huisarts noemen. Ook het feit dat verdachte zijn jas, die naar eigen zeggen onder het bloed zat en die hij direct die nacht heeft gewassen (verklaring van verdachte ter terechtzitting), heeft verstopt onder het bed van zijn vriendin (proces-verbaal van verhoor van verdachte, dossierpagina 65, en het proces-verbaal van bevindingen, dossierpagina 176), ondersteunt de lezing van verdachte niet. Tenslotte wijst de rechtbank in dit kader op de door verdachte gevoerde MSN-gesprekken rondom de uitzending van Ter Plaatse op RTV-NH. Onder meer het MSN-gesprek tussen verdachte en zijn vriendin [vriendin verdachte] op 10 maart 2010 zoals blijkt uit het proces-verbaal van bevindingen (dossierpagina 130-134) waarin verdachte aangeeft dat hij op tv is bij RTL Noord holland (de rechtbank begrijpt dat verdachte daarmee bedoelt RTV Noord-Holland) en het gesprek tussen verdachte en [vriend verdachte] op 10 maart 2010 waarin [vriend verdachte] aangeeft dat verdachte op tv is en waarop verdachte reageert met de woorden “bek dicht jong, ook niet over msn” (proces-verbaal van bevindingen, dossierpagina 139-142). Tevens verwijst de rechtbank naar de MSN-gesprekken rondom het verhoor van verdachte bij de politie . Zo laat verdachte [vriend verdachte 2] op 11 maart 2010 weten dat hij naar de politie moet omdat hij wordt verdacht van een steekpartij (proces-verbaal van bevindingen, dossierpagina 143-146) en een gesprek met ene [vriend verdachte 3] op 15 maart 2010 waarin verdachte aangeeft dat hij zal ontkennen tot op het bot (proces-verbaal van bevindingen, dossierpagina 163-164).

Bij gebreke van enige ondersteuning van de lezing van verdachte en in ogenschouw nemend dat de Poolse getuigen in ieder geval voor wat betreft de toedracht van de vechtpartij eenduidig verklaren en het feit dat bij drie van hen steekverwondingen zijn geconstateerd, stelt de rechtbank vast dat het verdachte en zijn twee vrienden zijn geweest die een vechtpartij met de Poolse mannen zijn begonnen waarbij drie Poolse mannen zijn gestoken met een scherp voorwerp. Voor het bewijs bezigt de rechtbank genoemde verklaring van verdachte enkel voor zover hieruit naar voren komt dat hij op 15 november 2009 zich op het Frans Halsplein bevond en hij met twee vrienden met een aantal Poolse mannen heeft gevochten (eerder genoemde verklaring van verdachte van 23 maart 2010, dossierpagina 65).

De raadsvrouw van verdachte heeft nog aangevoerd dat niet gezegd kan worden dat sprake is van openlijk geweld, maar veeleer van – niet ten laste gelegde – eenvoudige mishandeling. Er is volgens de raadsvrouw sprake van drie op zichzelf staande vechtpartijen, nu verdachte heeft verklaard niets van de andere twee vechtpartijen te hebben meegekregen en daar pas achteraf over hoorde. Gelet op de eerdere vaststelling van de rechtbank dat de drie jongens, waaronder verdachte zelf, de vechtpartij hebben geïnitieerd en dit ook hun vooropgezet plan was, volgt dat de rechtbank het verweer van de raadsvrouw niet volgt. Voorts is de rechtbank van oordeel dat verdachte een significante en wezenlijke bijdrage heeft gehad in het geweld, zodat de rechtbank wettig en overtuigend bewezen acht dat verdachte zich heeft schuldig gemaakt aan openlijke geweldpleging tegen [slachtoffer 1], [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3].

Ten aanzien van feit 2

Op 18 juli 2010 zijn [slachtoffer 4] en [getuige 2] werkzaam als portier/beveiliger bij café 023 te Haarlem . Verdachte heeft verklaard dat hij die nacht omstreeks 01.00 uur met een groepje vrienden bij het café was. Verdachte wilde naar binnen en vroeg met zijn identiteitsbewijs in zijn hand of hij naar binnen mocht. Verdachte wordt geweigerd. Verdachte gaat vervolgens in discussie met de portier en gedraagt zich naar eigen zeggen bijdehand en uitdagend. Zowel aangever [slachtoffer 4] als getuige [getuige 2] hebben verklaard dat gedurende deze discussie verdachte tegen [slachtoffer 4] herhaaldelijk heeft gezegd: “Moet ik mijn kleine vriend pakken uit mijn zak.” Tijdens het uitspreken van deze woorden ging verdachte met zijn handen naar zijn zakken, aldus zowel [slachtoffer 4] als [getuige 2]. [slachtoffer 4] voelde zich bedreigd omdat hij dacht dat verdachte een mes of een pistool wilde pakken. Verdachte bleef de vraag herhalen of hij zijn kleine vriend uit zijn zak moest pakken, waarbij hij deed of hij iets uit zijn zak wilde pakken, aldus ook de verklaring van de eigenaar van café 023.

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij weliswaar in discussie ging met de portiers omdat hij wilde weten waarom hij niet naar binnen mocht, maar dat hij niet heeft gezegd ‘moet ik mijn kleine vriend pakken uit mijn zak’. Verdachte verklaart tegen de langste van de twee portiers (rechtbank: [getuige 2]) gezegd te hebben ‘ik ga die kleine vriend van je pakken’.

Nog daargelaten dat deze bewoordingen op zichzelf al een bedreiging zouden kunnen opleveren, acht de rechtbank de verklaring van verdachte niet geloofwaardig. Hierbij is van belang dat verdachte zelf heeft verklaard die avond flink te hebben gedronken en zich daarbij bijdehand en uitdagend gedragen te hebben. Voorts verklaren de aangever, zijn medeportier [getuige 2] en getuige [getuige 3] in gelijke zin, hetgeen nog wordt ondersteund door de videoprints van de beveiligingsbeelden . Op deze videoprints is te zien dat verdachte met zijn handen in zijn zakken dicht bij [slachtoffer 4] staat en dat een persoon probeert verdachte weg te halen bij [slachtoffer 4]. Voorts wijst de rechtbank in dit verband nog op de bevindingen van de politie en de verklaringen van [getuige 2] en [slachtoffer 4] dat ze verdachte met moeite in bedwang hebben kunnen krijgen en hij zich voortdurend tegen zijn aanhouding heeft verzet, volgens verbalisant op een bijna dierlijke wijze.

Aldus acht de rechtbank bewezen dat verdachte op 18 juli 2010 tegen [slachtoffer 4] heeft gezegd “Moet ik mijn kleine vriend pakken uit mijn zak” waarbij hij een beweging heeft gemaakt alsof hij iets uit zijn zak wilde pakken. Het uitspreken van deze woorden terwijl het lijkt alsof je iets uit je zak wilt pakken in combinatie met de opgefokte toestand waarin verdachte zich kennelijk bevond, maken dat de rechtbank van oordeel is dat dit handelen als bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht dient te worden opgevat.

4.3. Bewezenverklaring

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de tenlastegelegde feiten heeft begaan, in dier voege dat

feit 1 meer subsidiair hij op 15 november 2009 te Haarlem met anderen, op de openbare weg, het Frans Halsplein, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3], welk geweld bestond uit het met een scherp voorwerp steken in het lichaam van die [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3];

feit 2

hij op 18 juli 2010 te Haarlem [slachtoffer 4] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [slachtoffer 4] meermalen dreigend de woorden toegevoegd: "Moet ik mijn kleine vriend pakken uit mijn zak" en daarbij een beweging gemaakt alsof hij iets uit zijn zak wilde pakken.

Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

Hetgeen aan verdachte onder 1 meer subsidiair en 2 meer of anders is tenlastegelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

5. Strafbaarheid van de feiten

Het bewezenverklaarde levert op:

Feit 1 meer subsidiair : het openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen;

Feit 2 : bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

6. Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dus strafbaar.

7. Motivering van sancties

Bij de beslissing over de straf die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan, alsmede de persoon van verdachte zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting en uit de bespreking aldaar van het uittreksel uit het Justitieel Documentatieregister d.d. 2 augustus 2010, waaruit blijkt dat verdachte in het verleden eerder is veroordeeld voor geweldsdelicten, is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het navolgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het samen met een tweetal vrienden openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen. Met een tweetal vrienden heeft hij zich gewelddadig gedragen ten opzichte van een groep jongeren uit Polen. De vechtpartij ontstond toen een van de mededaders zonder aanleiding een schreeuwende opmerking maakte tegen een van de Poolse jongeren, er vervolgens op af liep en de jongen een duw gaf en hem probeerde te slaan. Het geweld is gepleegd op het Frans Halsplein te Haarlem, waarbij rake klappen en schoppen zijn uitgedeeld en de drie Poolse slachtoffers – blijkens de medische verklaringen – steekwonden veroorzaakt door een scherp voorwerp hebben opgelopen. Gezien de pleegplaats van de vechtpartij hadden ook toevallige voorbijgangers met het geweld geconfronteerd kunnen worden.

Door te handelen zoals bewezen verklaard heeft verdachte blijk gegeven geen respect te hebben voor de lichamelijke integriteit en de gevoelens van anderen. Dergelijke feiten brengen gevoelens van angst en onveiligheid met zich en de slachtoffers van dergelijke feiten kunnen daarvan nog gedurende geruime tijd de nadelige effecten ervaren. Vechtpartijen tussen groepen jongeren op de openbare weg zijn een regelmatig voorkomend en ergerlijk verschijnsel, welke niet alleen tot letsel voor de betrokkenen kunnen leiden, maar ook de gevoelens van veiligheid op de openbare weg ernstig kunnen ondermijnen.

Daarnaast heeft verdachte terwijl hij onder invloed van alcoholhoudende drank verkeerde een portier van een café bedreigd, nadat deze hem de toegang tot een uitgaansgelegenheid, waar het slachtoffer als portier in dienst was, weigerde. Verdachte, die deze weigering niet wenste te accepteren ging in discussie met de portier waarna hij meerdere bedreigingen heeft geuit. Verdachte heeft daarmee bijgedragen aan een maatschappelijk gevoel van onveiligheid. Dergelijk gewelddadig gedrag in het uitgaansleven is zeer bedreigend en versterkt de gevoelens van angst en onveiligheid in de samenleving en bij de slachtoffers in het bijzonder.

De rechtbank rekent verdachte beide feiten zwaar aan, te meer nu hij in het verleden reeds meerdere malen veroordeeld is voor geweldsmisdrijven en hij ten tijde van het plegen van het tweede feit net was geschorst uit voorlopige hechtenis. Uiteraard onder de voorwaarde dat hij zich niet schuldig zou maken aan enig strafbaar feit.

Bij het bepalen van de strafmodaliteit ziet de rechtbank zich in de eerste plaats gesteld voor de vraag of het sanctiestelsel voor meerderjarigen dient te worden toegepast, dan wel dat voor jeugdigen, zoals door de officier van justitie gevorderd.

De rechtbank ziet aanleiding om, met toepassing van artikel 77c van het Wetboek van Strafrecht, het jeugdstrafrecht toe te passen, hoewel verdachte ten tijde van het plegen van het tweede bewezen verklaarde feit de leeftijd van 18 jaar reeds had bereikt. Nu verdachte ten tijde van het plegen van het eerste feit de leeftijd van 18 jaar nog niet had bereikt en dit feit het ernstigste feit betreft, ziet de rechtbank aanleiding bij de bepaling van de strafmaat, mede op grond van de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, voor beide feiten het jeugdstrafrecht toe te passen.

De rechtbank zal een vrijheidsbenemende straf in de vorm van een deels voorwaardelijke jeugddetentie opleggen teneinde te voorkomen dat verdachte zich gedurende de proeftijd van twee jaar wederom schuldig maakt aan strafbare feiten. De rechtbank zal verdachte een onvoorwaardelijke jeugddetentie opleggen voor de duur gelijk aan de eis van de officier van justitie maar zal daaraan een korter voorwaardelijk deel koppelen. Aan het voorwaardelijke deel zal de rechtbank de bijzondere voorwaarde verbinden dat verdachte zich gedurende de proeftijd zal houden aan de aanwijzingen van Bureau Jeugdzorg Noord-Holland, afdeling Jeugdreclassering te Haarlem, thans in de persoon van mw. [jeugdreclasseerder]. De rechtbank draagt Bureau Jeugdzorg op terzake van de naleving van de bijzondere voorwaarden hulp en steun te verlenen.

Daarnaast heeft de rechtbank zich laten leiden door

- het vanwege de Raad voor de Kinderbescherming uitgebrachte rapport ‘bevindingen uitgebreid strafonderzoek en strafadvies’ van 5 augustus 2010;

- het vanwege mw. drs. [orthopedagoog], orthopedagoog/gedragsdeskundige onder verantwoordelijkheid van mw. drs. [psycholoog], GZ-psycholoog, uitgebrachte Rapport van het psychodiagnostisch onderzoek van 31 mei 2010;

- het vanwege Bureau Jeugdzorg Noord-Holland, afdeling Jeugdreclassering te Haarlem uitgebrachte rapport ‘Gedragsbeinvloedende maatregel, haalbaarheidsonderzoek Jeugdreclassering’ van 2 augustus 2010;

- het vanwege Bureau Jeugdzorg Noord-Holland, afdeling Jeugdreclassering te Haarlem uitgebrachte Plan van Aanpak Jeugdreclassering t.b.v. ITB HARDE KERN van 15 juli 2010;

- de vanwege Bureau Jeugdzorg Noord-Holland, afdeling Jeugdreclassering te Haarlem uitgebrachte Bereidverklaring, deelname Intensieve Trajectbegeleiding Jeugdreclassering van 20 juli 2010.

Uit het rapport ‘Bevindingen uitgebreid strafonderzoek en strafadvies’ en het ‘Rapport van het psychodiagnostisch onderzoek’ komt naar voren dat [verdachte] bekend staat als veelpleger en in relatief korte tijd meerdere geweldsdelicten heeft gepleegd, hetgeen wordt bevestigd in het uittreksel uit het Justitieel Documentatieregister van 2 augustus 2010. De risicofactoren voor de kans op recidive liggen in het feit dat [verdachte] vooral zichzelf het slachtoffer vindt, geen schuldgevoelens en gevoelens van spijt lijkt te hebben, afwerend en ontkennend is over bepaalde problemen en in het gebrek aan empathisch vermogen. [verdachte] heeft moeite om vooruit te denken en overziet op voorhand de gevolgen van zijn handelen niet. [verdachte] is vooral afhankelijk van externe factoren (afspraken en regels) om goed gedrag te vertonen en uit de problemen te blijven. [verdachte] wil graag aan zijn toekomst werken, een opleiding in het nieuwe schooljaar starten en laat zich hierin helpen en sturen door de Jeugdreclasseringsmedewerker. Hij staat open voor begeleiding en lijkt te kunnen profiteren van begeleiding en behandeling. Zijn ouders laten blijken betrokken te zijn op [verdachte] en tonen inzicht in [verdachte]s ontwikkeling en problemen. Ouders geven de indruk pedagogisch adequaat te handelen.

De Raad voor de Kinderbescherming adviseert daarom een maatregel betreffende het gedrag van de jeugdige (GBM) op te leggen voor de duur van een jaar welke dient te bestaan uit:

- een individueel op [verdachte] gerichte gedragscognitieve behandeling, aan te bieden vanuit de Waag, waarbij aandacht is voor zijn identiteitsontwikkeling, de gewetensontwikkeling en het empathisch vermogen en het ontwikkelen van een toekomstplan (het volgen van de Equiptraining), daarnaast

- begeleiding/behandeling gericht op het middelengebruik door de Brijder Verslavingszorg, daarnaast

- deelname aan Intensieve Trajectbegeleiding Harde Kern Aanpak (ITB-HKA), welke reeds is gestart op 15 juli 2010.

Uit het haalbaarheidsonderzoek Gedragsbeïnvloedende Maatregel van Bureau Jeugdzorg komt onder meer het volgende naar voren:

[verdachte] is zeer gebaat bij een duidelijke structuur met strakke regels. [verdachte] heeft een behandeling nodig voor zowel zijn agressieregulatie, alsmede voor zijn alcoholmisbruik. Een consequente, strenge aanpak met een voorwaardelijke detentie als straf is het juiste kader om [verdachte] te dwingen tot een gedragsverandering te komen. Intensief contact met betrokken partijen en het volgen van [verdachte] in zijn ontwikkelingen is echter slechts mogelijk binnen het kader van een gedragsbeïnvloedende maatregel. Betrokken partijen zijn het er over eens dat een intensief behandeltraject van 1 jaar binnen het GBM-traject noodzakelijk wordt geacht. De Jeugdreclassering heeft voor de uitvoering van de GBM een plan van aanpak opgesteld dat is afgestemd op de problematiek van [verdachte]. Een van de onderdelen is het volgen van de ITB-HKA. [verdachte] heeft op 28 mei 2010 aangegeven dat hij mee zal werken aan de ITB-HKA; hij is er op 15 juli 2010 mee begonnen.

Ter terechtzitting hebben de Jeugdreclassering en de Raad voor de Kinderbescherming aangegeven dat er door de huidige, strakke structuur positieve ontwikkelingen zijn. Dagbesteding, ritme en structuur met duidelijke afspraken zijn van belang en daarin functioneert [verdachte] momenteel goed en hij lijkt te groeien in zelfstandigheid. Bij het wegvallen van deze structuur zou de positieve ontwikkeling verstoord kunnen worden.

De maatregel betreffende het gedrag van de jeugdige kan worden opgelegd indien de ernst van het begane misdrijf, of de veelvuldigheid van de begane misdrijven of voorafgaande veroordelingen wegens misdrijf hiertoe aanleiding geven.

De rechtbank overweegt hieromtrent het volgende.

Verdachte is in het verleden eerder voor geweldsdelicten veroordeeld tot (voorwaardelijke) werkstraffen en voorwaardelijke jeugddetentie met de bijzondere voorwaarde dat hij zich dient te gedragen naar de aanwijzingen van de hulpverlenende instantie. Ter terechtzitting is gebleken dat verdachte goed functioneert door de geboden structuur en de regelmaat van het gestarte ITB-HKA traject waarvan ook in voormelde rapportages melding wordt gemaakt.

Ten aanzien van de geadviseerde Gedragsbeïnvloedende Maatregel overweegt de rechtbank dat zowel de officier van justitie als verdachte en zijn ouders achter oplegging daarvan staan. Ook de Raad voor de Kinderbescherming en de Jeugdreclassering zijn van mening dat een dergelijke maatregel de juiste en maatgerichte intensieve aanpak biedt om het tij positief te keren. De rechtbank neemt deze visie over en maakt die tot de hare. De rechtbank is van oordeel dat gelet op hetgeen hiervoor is overwogen de maatregel betreffende het gedrag van de jeugdige voor de duur van twaalf maanden passend en geboden is nu de ernst van het begane misdrijf hiertoe aanleiding geeft en de maatregel in het belang is van een zo gunstig mogelijke verdere ontwikkeling van de verdachte.

Op grond van het vorenstaande neemt de rechtbank het advies van de gedragsdeskundige en de Raad voor de Kinderbescherming om een maatregel betreffende het gedrag van de jeugdige op te leggen voor de duur van één jaar over. De rechtbank zal deze maatregel opleggen als hierna te melden.

8. Vorderingen tenuitvoerlegging

8.1. Vordering tenuitvoerlegging (15/780065-09)

Bij vonnis van 14 januari 2010 in de zaak met parketnummer 15/780065-09 heeft de kinderrechter te Haarlem verdachte ter zake van mishandeling veroordeeld tot een voorwaardelijke werkstraf voor de duur van twintig uren, subsidiair 10 dagen jeugddetentie. Ten aanzien van die voorwaardelijke straf is de proeftijd op twee jaren bepaald onder de algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van die proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit. De officier van justitie vordert thans dat de rechtbank zal gelasten dat die voorwaardelijke straf alsnog zal worden tenuitvoergelegd.

De rechtbank heeft bij het onderzoek ter terechtzitting bevonden dat zij bevoegd is over de vordering te oordelen en dat de officier van justitie daarin ontvankelijk is.

De rechtbank is van oordeel dat de vordering kan worden toegewezen, nu uit de overige inhoud van dit vonnis blijkt dat verdachte niet heeft nageleefd de voorwaarde dat hij zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit.

Om die reden zal de rechtbank, gelet op artikel 77dd van het Wetboek van Strafrecht, de tenuitvoerlegging van die voorwaardelijke werkstraf gelasten.

8.2. Vordering tenuitvoerlegging (15/750063-09)

Bij vonnis van 21 oktober 2009 in de zaak met parketnummer 15/750063-09 heeft de kinderrechter te Haarlem verdachte ter zake van openlijk geweldpleging veroordeeld tot - onder meer - een voorwaardelijke jeugddetentie voor de duur van 2 weken. Ten aanzien van die voorwaardelijke straf is de proeftijd op twee jaren bepaald onder – onder meer – de algemene voorwaarde dat verdachte zich voor het einde van die proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit. De officier van justitie vordert thans dat de rechtbank zal gelasten dat die voorwaardelijke straf alsnog zal worden tenuitvoergelegd.

De rechtbank heeft bij het onderzoek ter terechtzitting bevonden dat zij bevoegd is over de vordering te oordelen en dat de officier van justitie daarin ontvankelijk is.

De rechtbank is van oordeel dat de vordering kan worden toegewezen, nu uit de overige inhoud van dit vonnis blijkt dat verdachte niet heeft nageleefd de voorwaarde dat hij zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit. De rechtbank acht echter, op grond van de persoonlijke omstandigheden van veroordeelde, alsmede op grond van de strafoplegging in de onderhavige strafzaak, geen termen aanwezig de vordering toe te wijzen, maar zal gelet op de artikel 14g juncto 14f van het Wetboek van Strafrecht voormelde proeftijd verlengen met een jaar. De in het vonnis gestelde voorwaarden blijven onverminderd van toepassing.

9. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

Wetboek van Strafrecht artikel 77a, 77c, 77i, 77g, 77h, 77w, 77wc, 77x, 77y, 77z, 77aa, 77gg, .

10. Beslissing

De rechtbank:

Spreekt verdachte vrij van de hem onder 1 primair en 1 subsidiair tenlastegelegde feiten.

Verklaart bewezen dat verdachte de tenlastegelegde feiten heeft begaan zoals hiervoor onder 4.3. vermeld.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat de bewezenverklaarde feiten de hierboven onder 5. vermelde strafbare feiten opleveren.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte tot een jeugddetentie voor de duur van HONDERD (100) DAGEN.

Beveelt dat van deze jeugddetentie een gedeelte, groot VIERENDERTIG (34) DAGEN niet ten uitvoer zal worden gelegd en stelt daarbij een proeftijd vast van twee jaar.

Bepaalt dat de tenuitvoerlegging kan worden gelast, indien:

– verdachte zich voor het einde van de proeftijd aan een strafbaar feit schuldig maakt;

– verdachte niet naleeft de bijzondere voorwaarde dat hij zich gedurende de proeftijd zal gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen te geven door of namens Bureau Jeugdzorg Noord-Holland, afdeling Jeugdreclassering te Haarlem, thans in de persoon van mw. [jeugdreclasseerder], zolang die instelling dat nodig acht.

Geeft in het kader van deze bijzondere voorwaarde tevens aan bovengenoemde instelling de opdracht tot het verlenen van hulp en steun ex artikel 77aa van het Wetboek van Strafrecht.

Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de thans opgelegde jeugddetentie in mindering wordt gebracht, voorzover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Beveelt de opheffing van het reeds geschorste bevel voorlopige hechtenis.

Legt verdachte op de maatregel betreffende het gedrag van de jeugdige voor de duur van twaalf (12) maanden.

Stelt als inhoud van de gedragsbeïnvloedende maatregel:

- deelname aan het traject ITB Harde Kern gedurende maximaal een half jaar, welk traject reeds is gestart op 15 juli 2010, daarnaast;

- het volgen van een ambulante behandeling bij De Waag (Equiptraining), daarnaast;

- het volgen van een ambulante behandeling bij de Brijder Verslavingszorg.

Beveelt dat indien de verdachte niet of niet naar behoren aan de maatregel meewerkt, vervangende jeugddetentie voor de duur van zes maanden zal worden toegepast.

Verlengt de op twee jaren bepaalde proeftijd, genoemd in het vonnis van de kinderrechter in deze rechtbank d.d. 21 oktober 2009 (15/750063-09), met één jaar.

Wijst toe de vordering tot tenuitvoerlegging van de officier van justitie en gelast de tenuitvoerlegging van de voorwaardelijke taakstraf, in de vorm van een werkstraf, voor de duur van twintig (20) uren, opgelegd bij vonnis van de kinderrechter d.d. 14 januari 2010 in de zaak met parketnummer 15/780065-09.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. J. Candido, voorzitter, tevens kinderrechter,

mrs. A.A.F. Donders en A.C.M. Rutten, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. M. Valk

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 31 augustus 2010.

Mr. A.C.M. Rutten is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

1. De door de rechtbank in de voetnoten als proces-verbaal aangeduide bewijsmiddelen zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door personen die daartoe bevoegd zijn en voldoen ook overigens aan de daaraan bij wet gestelde eisen.

2. Processen-verbaal van aangifte van [slachtoffer 2] (dossierpagina 90) en [slachtoffer 3] (dossierpagina 104).

3. Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 1] (dossierpagina 73).

4. Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 2] (dossierpagina 91).

5. Proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 1] (dossierpagina 104).

6. Proces-verbaal verhoor getuige [getuige 1] (dossierpagina 188).

7. Processen-verbaal van aangifte van [slachtoffer 1] (dossierpagina 72), van [slachtoffer 2] (dossierpagina 89) en [slachtoffer 3] (dossierpagina 103).

8. Schriftelijke bescheiden, te weten medische verklaringen betreffende [slachtoffer 1] (dossierpagina 85-86), [slachtoffer 2] (dossierpagina 101) en [slachtoffer 3] (p. 103).

9. Schriftelijke bescheiden, te weten drie foto’s behorende bij het proces-verbaal van aangifte van [slachtoffer 1] (dossierpagina’s 76-78).

10. Proces-verbaal van verhoor van verdachte d.d. 23 maart 2010, dossierpagina 65.

11. Proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 4], dossierpagina 19, en proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 2], dossierpagina 21.

12. Proces-verbaal van verhoor van verdachte bij de rechter-commissaris d.d. 19 juli 2010.

13. Proces-verbaal van de terechtzitting d.d. 17 augustus 2010.

14. Proces-verbaal vanvan aangifte door [slachtoffer 4], dossierpagina 19 en proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 2], dossierpagina 21.

15. Proces-verbaal van verhoor van getuige [getuige 3], dossierpagina 20.

16. Schriftelijke stukken, te weten de fotobijlage videoprints, dossierpagina 23.

17. Proces-verbaal van aangifte door [slachtoffer 4], dossierpagina 19, en proces-verbaal van verhoor van [getuige 2], dossierpagina 21 en het aanvullend proces-verbaal d.d. 4 augustus 2010.