Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2010:BN7644

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
05-07-2010
Datum publicatie
20-09-2010
Zaaknummer
AWB 09/512
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bestuurlijke lus. Tussenuitspraak. Artikel 8:51a Awb

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 09 - 512 WAO

tussenuitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 juli 2010

in de zaak van:

[eiseres],

wonende te [woonplaats],

eiseres,

gemachtigde: mr. L. de Graaf, FNV Bondgenoten,

tegen:

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 3 augustus 2006 heeft verweerder de uitkering van eiseres ingevolge de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering (WAO) met ingang van 1 oktober 2006 verlaagd naar de arbeidsongeschiktheidsklasse 15-25%. Bij besluit van 16 december 2008 heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard. De rechtbank heeft bij uitspraak van 5 juni 2008 het door eiseres ingestelde beroep gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd.

Verweerder heeft bij het nieuwe besluit van 16 december 2008 het bezwaar ongegrond verklaard. Hiertegen heeft eiseres bij brief van 26 januari 2009 beroep ingesteld.

Verweerder heeft op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden en een verweerschrift ingediend.

Het beroep is behandeld ter zitting van 26 mei 2009, alwaar eiseres in persoon is verschenen, vergezeld van haar zuster, [naam zuster], en bijgestaan door haar gemachtigde mr. L. de Graaf. Verweerder is verschenen bij mr. W.M.G. van Nieuwburg.

De rechtbank heeft aanleiding gezien het onderzoek in deze zaak met toepassing van artikel 8:68 van de Awb te heropenen omdat het niet volledig is geweest. De rechtbank heeft psychiater H.N. Dijkstra, verbonden aan het Zaans Medisch Centrum, als deskundige benoemd.

De deskundige heeft de rechtbank met een rapport van 5 november 2009 verslag gedaan van zijn onderzoek. Partijen hebben over en weer gereageerd. De deskundige heeft bij brief van 2 maart 2010 desgevraagd zijn standpunt nader toegelicht.

Nader onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 juni 2010. Eiseres is in persoon verschenen, vergezeld van haar zuster, [naam zuster], en bijgestaan door haar gemachtigde mr. L. de Graaf. Verweerder is verschenen bij E.M.C. Beijen.

2. Overwegingen

2.1 Eiseres is op 4 september 1995 uitgevallen voor haar werk als inpakster koekjes gedurende 22,5 u per week met rug-, been-, schouder-, nek- en hoofdpijnklachten. Ingaande 1 september 1996 heeft eiseres een uitkering ingevolge de WAO ontvangen, aanvankelijk naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 25-35%, met ingang van 3 juni 1997 naar 65-80% en vanaf 28 mei 2004 naar 80-100%.

2.2 Bij besluit van 3 augustus 2006 heeft verweerder deze uitkering met ingang van 1 oktober 2006 herzien en nader vastgesteld naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 15-25%. De rechtbank heeft in beroep bij uitspraak van 5 juni 2008 het besluit op bezwaar van 1 december 2006 tot handhaving van de mate van arbeidsongeschiktheid per 1 oktober 2006 op 15-25% vernietigd wegens schending van de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, Awb. De rechtbank heeft geoordeeld dat het medische onderzoek naar de beperkingen van eiseres onvoldoende zorgvuldig en onvolledig is uitgevoerd. Gezien de samenhang van de klachten acht de rechtbank het besluit, zeker wat betreft de stelling dat er geen duurbeperking aan de orde is, onvoldoende dragend.

2.3 Verweerder heeft berust in de uitspraak en een nieuw besluit op bezwaar genomen. Dit besluit berust op een nader medisch onderzoek. De bezwaarverzekeringsarts heeft ter voldoening aan de uitspraak van de rechtbank nadere informatie opgevraagd en verkregen van de anesthesioloog op 3 november 2008. Daarnaast heeft de bezwaarverzekeringsarts de door eiseres ingebrachte brief van de psychiater van GGZ d.d. 12 augustus 2008 in de beoordeling betrokken. In het rapport van 15 december 2008 concludeert de bezwaarverzekeringsarts onvoldoende reden te zien om op medische gronden tot een wijziging van de FML te komen. De bezwaarverzekeringsarts stelt dat er voor wat betreft de hoofdpijnklachten en slaapproblemen inconsistenties aanwezig zijn en dat met die klachten in de FML al voldoende rekening is gehouden. Verder stelt de bezwaarverzekeringsarts dat er op somatisch gebied nooit evidente afwijkingen zijn vastgesteld en dat de recente informatie van de pijnpoli en de brief van de GGZ dit standpunt bevestigen. De bezwaarverzekeringsarts ziet hierom geen aanleiding voor aanpassing van de FML op dit punt. Bij een pijnstoornis is volgens de bezwaarverzekeringsarts geen reden voor een urenbeperking. Met de psychogene oorzaken is in de visie van de bezwaarverzekeringsarts in de FML in voldoende mate rekening gehouden. Verweerder heeft zich geconformeerd aan de conclusies van de bezwaarverzekeringsarts en de herziening en nadere vaststelling per 1 oktober 2006 op een mate van arbeidsongeschiktheid van 15-25% gehandhaafd. Verweerder heeft opnieuw het bezwaar ongegrond verklaard

2.4 De rechtbank heeft aanleiding gezien een deskundige te benoemen en zich te laten adviseren over de medische toestand van eiseres op de datum in geding. Psychiater Dijkstra is na onderzoek van eiseres tot de conclusie gekomen dat bij eiseres sprake is van een ongedifferentieerde somatoforme stoornis, angststoornis NAO, bijwerking van geneesmiddel en persoonlijkheidsproblematiek. De deskundige acht bij eiseres op de data in geding sprake van de volgende (extra) beperkingen. In rubriek 1 op de items 1.4 (inzicht in eigen kunnen), 1.5 (doelmatig handelen), 1.6 (zelfstandig handelen), 1.7 (handelingstempo), 1.9.5 (voorspelbare werksituatie), 1.9.6 (zonder storingen en onderbrekingen), 1.9.7 (geen deadlines), 1.9.8 (geen hoog handelingstempo), 1.9.9 (geen verhoogd risico) en 1.9.10 (niet in kleine/afgesloten ruimtes). In rubriek 2 op de items 2.6 (hanteren emotionele problemen anderen), 2.7 (uiten eigen gevoelens), 2.8 (omgaan met conflicten), 2.9 (samenwerken), 2.12.1 (geen/weinig rechtstreeks contact met klanten), 2.12.2 (weinig direct contact met patiënten), 2.12.5 (geen leidinggevende aspecten en geen autoritaire arbeidsverhoudingen). In rubriek 6 op de items 6.2 en 6.3 (vanuit energetisch en preventief oogpunt een lichte beperking met betrekking tot werktijden namelijk 4 uur per dag en 20 uur per week).

2.5 De bezwaarverzekeringsarts heeft in rapport van 30 november 2009 gesteld zich met enkele door de deskundige genoemde aanvullende items te kunnen verenigen en heeft in dat opzicht de FML aangepast (de items 1.4.2, 1.9.5, 1.9.9, 1.9.10, 2.6.1, 2.7.1, 2.9.1, 2.12.1 en 2.12.5). De bezwaarverzekeringsarts heeft geen beperking aangenomen op item 1.1 (concentreren van de aandacht) en ziet onvoldoende aanwijzingen voor beperkingen op de items 1.5 (doelmatig handelen), 1.6 (zelfstandig handelen) en 1.7 (handelingstempo). Ook ziet de bezwaarverzekeringsarts onvoldoende argumenten om de gestelde urenbeperking over te nemen. De bezwaarverzekeringsarts stelt gezien de diagnosen en het dagverhaal onvoldoende medische argumenten te zien om een urenbeperking aan te nemen naast de uitgebreide beperkingen in de rubrieken 1, 2 en 6 in de FML.

2.6 De deskundige heeft zijn advies in de brief van 2 maart 2010 desgevraagd nader toegelicht. Daarbij is de deskundige ook ingegaan op de verschillen tussen de FML uit 2004 (waarop hij in zijn rapport zijn antwoord had gebaseerd) en de FML uit 2006/2007. De deskundige geeft aan, er daarbij op wijzend dat in de FML uit 2006/2007 meer beperkingen zijn aangegeven dan in de FML uit 2004, dat hij zich zeker kan verenigen met de wijze waarop de bezwaarverzekeringsarts de (extra) bevindingen heeft weergegeven in de FML. Wat betreft concentreren licht de deskundige nader toe dat eiseres in staat moet worden gesteld zich gedurende een half uur te kunnen concentreren. Alleen wat betreft de werktijden stelt de deskundige de opvatting van de bezwaarverzekeringsarts niet geheel te kunnen delen. De deskundige heeft uiteengezet welke afwegingen ten grondslag hebben gelegen aan zijn oordeel dat eiseres licht beperkt is met betrekking tot de werktijden. De deskundige nuanceert zijn advies in die zin dat hij aangeeft dat het mogelijk is de werktijden per dag op 4-6 uur en per week op 20-30 uur te stellen.

2.7 Eiseres voert aan dat de FML niet juist is ingevuld. Volgens eiseres moet, in navolging van de deskundige, ook een beperking worden aangenomen op de items 1.1 (concentreren), 1.5 (doelmatig handelen), 1.6 (zelfstandig handelen) en 1.7 (handelingstempo). Er blijft een verschil op item 1.9.8, waar de deskundige stelt dat zij is aangewezen op werk met een erg lage tijdsdruk, tempo nagenoeg zelf te bepalen, terwijl de bezwaarverzekeringsarts (in de toelichting) aangeeft geen zeer hoog handelingstempo. Op de items 2.8 (omgaan met conflicten), 2.9 (samenwerken) en 2.12 (geen direct contact met patiënten of hulpbehoevenden) zijn minder beperkingen aangenomen. Verder acht eiseres een duurbeperking aangewezen van tenminste 4 uur per dag en 20 uur per week.

2.8 De rechtbank begrijpt de rapporten van 5 november 2009 en 2 maart 2010 aldus dat de deskundige zich kan verenigen met de laatste door de bezwaarverzekeringsarts opgestelde FML, met uitzondering van de werktijden. Omdat de normaalwaarde in de FML voor het “concentreren van de aandacht” is bepaald op “het zich tenminste een half uur kunnen concentreren op een informatiebron” en de deskundige eiseres in staat acht zich gedurende een half uur te concentreren, is er bij eiseres op dit punt geen beperking ten opzichte van de gekozen normaalwaarde. Wat betreft item 1.9.8 begrijpt de rechtbank de conclusie van de deskundige, dat hij zich zeker kan verenigen met de (extra) bevindingen in de FML 2006/2007 ten opzichte van die van 2004, aldus dat hij daarmee ook doelt op de toelichting (“geen zeer hoog tempo”). De deskundige acht eiseres licht beperkt wat betreft de werktijden en geeft daarbij aan dat, gezien de overige beperkingen met betrekking tot werktijden zoals die in de FML van 2006/2007 zijn aangegeven (niet ’s nachts, geen ploegendiensten) eiseres per dag 4-6 uur en per week 20-30 uur kan werken.

2.9 Het is vaste jurisprudentie dat het oordeel van een onafhankelijke door de bestuursrechter ingeschakelde deskundige wordt gevolgd, tenzij op grond van bijzondere omstandigheden afwijking van deze regel is gerechtvaardigd. Gezien het door de deskundige uitgebrachte rapport heeft de rechtbank geen aanleiding gevonden het oordeel van deze deskundige niet te volgen. Uit de nadere brief van 2 maart 2010 blijkt dat de deskundige, aan de hand van de nadere vragen van de rechtbank en de reactie van de bezwaarverzekeringsarts, zijn eigen oordeel heeft heroverwogen. De rechtbank is van oordeel dat het onderzoek van deze deskundige zorgvuldig is geweest en voldoende onderbouwd. Het standpunt van eiseres dat meer beperkingen dienen te worden aangenomen dan in de FML van 30 november 2009 zijn aangegeven, wordt verworpen, behalve ten aanzien van de werktijden. Deze FML is op het punt van de werktijden niet geheel overeenkomstig het deskundigenoordeel. Ook op dit punt volgt de rechtbank het oordeel van de deskundige in die zin dat wordt aangenomen dat eiseres 6 uur per dag en 30 uur per week werkzaamheden kan verrichten. Het commentaar van de bezwaarverzekeringsarts brengt de rechtbank niet tot een ander oordeel.

2.10 Nu verweerder de aan het bestreden besluit ten grondslag liggende FML heeft aangepast en vastgesteld moet worden dat ten onrechte er geen urenbeperking van 6 uur per dag en 30 uur per week is aangenomen, berust het bestreden besluit op een ontoereikende medische grondslag.

2.11 De rechtbank ziet, uit een oogpunt van finale geschillenbeslechting, aanleiding met toepassing van artikel 8:51a AWB verweerder in de gelegenheid te stellen het hiervoor aangeduide gebrek in het besluit te herstellen. Daartoe dient verweerder de medische grondslag in overeenstemming te brengen met het oordeel van de deskundige.

2.12 Wat betreft de arbeidskundige grondslag is het volgende aan de orde.

2.13 Aan het voorliggende besluit liggen ten grondslag de (voorbeeld)functies van productiemedewerker industrie (sbc-code 111180), inpakker (sbc-code 111190), huishoudelijk medewerker (sbc-code 111333) en schoonmaker hotel (sbc-code 111332).

2.14 In het rapport van 24 juli 2006 heeft de primaire arbeidsdeskundige in de notitie functiebelasting de overschrijdingen toegelicht. De bezwaararbeidsdeskundige komt in het rapport van 14 december 2009 tot een motivering van de aanvullende signaleringen ten aanzien van mogelijke overschrijdingen van de belastbaarheid van eiseres (na overleg met de bezwaarverzekeringsarts). De conclusie luidt dat deze geduide functies ook na aanscherping van de FML ongewijzigd geschikt zijn voor eiseres en dat eiseres per effectueringsdatum 1 oktober 2006 onveranderd voor 15-25% arbeidsongeschiktheid dient te worden beschouwd in de zin van de WAO.

2.15 Ten aanzien van de arbeidskundige kant betoogt eiseres dat de geduide functies te zwaar zijn en niet passend vanwege overschrijding van de beperkingen. Er is geen rekening gehouden met een urenbeperking. De deskundige stelt als beperking werken in een rustige omgeving zonder onbekenden terwijl er functies zijn geduid met een hoog handelings- en werktempo, waarbij sprake is van conflicthantering, werken met deadlines (in de functies met sbc-code 111190 en 111332 als kenmerkende belasting genoemd), samenwerken (in de functie met sbc-code 111333 als kenmerkende belasting genoemd). Bovendien zal eiseres niet in staat zijn tot het volgen van een opleiding vanwege de concentratiestoornis. De motivering door de bezwaarverzekeringsarts acht eiseres niet juist en niet geheel overeenkomstig de visie van de deskundige.

2.16 De rechtbank stelt vast dat nader zal moeten worden getoetst of de geduide functies na aanpassing van de FML op het punt van de arbeidsduur nog steeds geschikt zijn voor eiseres. De rechtbank stelt verweerder in de gelegenheid, met het oog op een definitieve beslechting van het geschil, deze toets uit te voeren.

2.17 De rechtbank is van oordeel dat de bezwaararbeidsdeskundige in de rapportages van 24 juli 2006, 14 december 2009, 24 juli 2009 en 14 december 2009 voldoende heeft gemotiveerd dat de belasting in de geduide functies blijft binnen de voor eiseres in de FML van 30 november 2009 aangegeven beperkingen. Zo is de arbeidsdeskundige ingegaan op de onderdelen samenwerken, deadlines, hanteren van emotionele problemen, werken met een weektaak en het zelf plannen van de volgorde van werkzaamheden, waar dit nodig was. Een hoog werktempo en omgang met lastige klanten komt bij geen van de geselecteerde functies voor, terwijl de belasting conflicthantering bij geen van de functies wordt overschreden. Verder is het concentratievermogen van eiseres niet beperkt ten opzichte van de normaalwaarde. Op deze punten was een nadere motivering door de bezwaararbeidsdeskundige dan ook niet vereist. De motivering is uiteraard wel onvoldoende waar het gaat om de duurbeperking van 6 uur per dag en 30 uur per week die op basis van de rapportage van de deskundige voor eiseres moet worden aangenomen. Ook op dit punt wordt verweerder daarom met toepassing van artikel 8:51a AWB in de gelegenheid gesteld het gebrek in het besluit te herstellen. Daartoe dient verweerder ook de arbeidskundige grondslag in overeenstemming te brengen met het oordeel van de deskundige.

3. Beslissing

De rechtbank:

3.1 draagt verweerder op binnen zes weken na verzending van deze tussenuitspraak het gebrek in het bestreden besluit te herstellen met inachtneming van het onder 2.11 en 2.16 overwogene.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.J. van Brussel, rechter, en op 5 juli 2010 in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. H.R.A. Horring, griffier.

afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Ingevolge artikel 18, eerste lid, van de Beroepswet kan tegen deze uitspraak nog geen hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.