Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2010:BN7643

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
26-05-2010
Datum publicatie
20-09-2010
Zaaknummer
AWB 09/476
Rechtsgebieden
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

proceskostenveroordeling in bezwaar na het met terugwerkende kracht toekennen van een uitkering.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 09 - 476 WWB

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 26 mei 2010

in de zaak van:

[naam eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

gemachtigde: mr. W.G. Fischer, advocaat te Haarlem,

tegen:

het college van burgemeester en wethouders van Haarlem,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij primair besluit van 14 april 2008 heeft verweerder de uitkering op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) van eiser ingetrokken per 14 maart 2008.

Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 18 april 2008 bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 5 november 2008 heeft verweerder het besluit van 14 april 2008 herzien en de uitkering met ingang van 14 maart 2008 voortgezet.

Bij besluit van 13 januari 2009, verzonden 19 januari 2009, heeft verweerder het bezwaar gegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 22 januari 2009 beroep ingesteld.

Verweerder heeft op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden en een verweerschrift ingediend.

Het beroep is behandeld ter zitting van 6 augustus 2009, waar voor eiser is verschenen mr. W.G. Fischer en voor verweerder drs. M. Zandbergen.

De rechtbank heeft aanleiding gezien het onderzoek in deze zaak met toepassing van artikel 8:68 van de Awb te heropenen en partijen in de gelegenheid gesteld nog nader te reageren op het verhandelde ter zitting. Verweerder heeft bij brief van 7 augustus 2009 van deze gelegenheid gebruik gemaakt. Eisers gemachtigde heeft bij brief van 13 oktober 2009 gereageerd. Verweerder heeft vervolgens op 19 oktober 2009 zijn standpunt nader toegelicht en eisers gemachtigde op 19 december 2009, onder overlegging van nader stukken.

Het beroep is daarop behandeld ter zitting van 14 april 2010, waar voor eiser is verschenen mr. J.H. Kruseman. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door B.G. Diepenveen.

2. Overwegingen

2.1 Eiser heeft de Liberiaanse nationaliteit. Hij ontving vanaf 14 september 2006, in aansluiting op een ROA-uitkering, een uitkering krachtens de WWB naar de norm van een alleenstaande. Verweerder heeft bij besluit van 14 april 2008 de uitkering per 14 maart 2008 ingetrokken, omdat eiser niet meer rechtmatig in de zin van de WWB in Nederland verbleef. In bezwaar wordt aangevoerd dat eiser in een noodsituatie verkeert en wordt verzocht om toepassing van artikel 16 WWB. Onder verwijzing naar diverse internationaalrechtelijke bepalingen wordt een beroep gedaan op het buiten toepassing laten van het koppelingsbeginsel. De voorzieningenrechter heeft bij uitspraak van 19 september 2008 de op 25 augustus 2008 ingediende voorlopige voorziening afgewezen. Op 25 augustus 2008 is voorts beroep ingesteld tegen het niet tijdig nemen van een besluit op het bezwaarschrift van 18 april 2008. De rechtbank heeft, na te hebben vastgesteld dat verweerder niet binnen de wettelijke termijn op het bezwaar had beslist, bij uitspraak van 7 oktober 2008 dit beroep gegrond verklaard en verweerder opgedragen binnen een bepaalde termijn een besluit te nemen.

2.2 Nadat door de IND met terugwerkende kracht aan eiser weer een verblijfstitel was toegekend, heeft verweerder bij het primaire besluit van 5 november 2008 de WWB-uitkering voortgezet vanaf 14 maart 2008. Bij besluit op bezwaar van 13 januari 2009, verzonden 19 januari 2009, heeft verweerder vervolgens het bezwaarschrift van 18 april 2008 gegrond verklaard, gelet op de inmiddels herstelde uitkering. Omdat het primaire besluit destijds niet onrechtmatig tot stand is gekomen, heeft verweerder geen aanleiding gezien voor een proceskostenveroordeling.

2.3 Eiser betoogt in beroep dat verweerder ten onrechte niet is overgegaan tot vergoeding van de in bezwaar geclaimde proceskosten. Daarnaast betoogt eiser dat het besluit tot intrekking van de uitkering onrechtmatig was. Het gegeven dat de uitkering inmiddels weer is hersteld, maakt volgens eiser niet dat het primaire besluit om het uitkeringsrecht te beëindigen niet onjuist is geweest. Gesteld wordt, onder verwijzing naar de uitspraak van de Voorzieningenrechter CRvB van 7 juli 2009 (LJN BJ2809), dat eiser (nog) belang heeft bij de beantwoording van de vraag of hij, na het intrekken van zijn verblijfsvergunning, toch aanspraak had op een WWB-uitkering. In zijn geval had artikel 16, tweede lid, van de WWB wegens strijd met artikel 8 EVRM buiten toepassing had moeten worden gelaten. Verweerder is zijn zorgplicht jegens eiser niet nagekomen. Eiser behoort, gelet op zijn psychische toestand, tot de kwetsbare personen die in het bijzonder recht hebben op bescherming. Gewezen wordt op de overgelegde verklaring van De Geestgronden van 27 mei 2008 en een verslag van een psychiatrisch onderzoek verricht in opdracht van de rechter commissaris in strafzaken, rechtbank Haarlem. Hieruit blijkt van het risico van decompenseren door eiser. De klantmanager was bekend met de psychiatrische problematiek en er had op dat moment dan ook een degelijk onderzoek moeten worden ingesteld. Vanwege de noodsituatie waarin eiser destijds verkeerde, had zijn uitkering nooit mogen worden beëindigd. Daardoor stelt eiser schade te hebben geleden. Eiser is in een hulpeloze toestand achtergelaten en dat wordt geacht zozeer in strijd te zijn met hetgeen in een beschaafde maatschappij hoort, dat, indien het toch gebeurt, de schade moet worden vergoed. Bovendien gaat verweerder er aan voorbij dat niet tijdig op het bezwaar is beslist en dat ook de termijn in de uitspraak van de rechtbank van 7 oktober 2008 ruimschoots is overschreden. Verzocht wordt het besluit op bezwaar te vernietigen en zo mogelijk zelf te voorzien. Voorts wordt verzocht gebruik te maken van de bevoegdheid het bestuursorgaan te veroordelen in de proceskosten in bezwaar en beroep.

2.4 Verweerder houdt vast aan het standpunt dat geen sprake is van een herroepen besluit wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid, maar van een adequate en ruimhartige reactie op nieuwe feiten en omstandigheden. Verweerder stelt niet eerder dan naar aanleiding van de brief van de toenmalige gemachtigde van 2 oktober 2008 en de wijziging in het GBA van 2 oktober 2008 kennis te hebben kunnen nemen van de gewijzigde verblijfstitel en daarna voortvarend en ambtshalve de uitkering weer te hebben hervat met terugwerkende kracht. Opgemerkt wordt dat, indien tijdige behandeling zou hebben plaatsgehad, het bezwaarschrift tegen de intrekking van de uitkering per 14 maart 2008 ongegrond zou zijn verklaard vanwege het niet meer beschikken over een geldige titel. Verweerder stelt dat eiser geen nadeel heeft ondervonden van de lange behandeltermijn. Verweerder heeft zich verder op het standpunt gesteld dat eiser geen belang meer heeft bij een inhoudelijke beoordeling nu hem met terugwerkende kracht een uitkering is verstrekt.

2.5 De rechtbank komt tot de volgende beoordeling.

2.6 Onder verwijzing naar de uitspraken van de CRvB van 13 juni 2005, LJN: AT7365 en 11 november 2008, LJN: BG4645 is de rechtbank van oordeel dat, nu verweerder het besluit tot intrekken van de uitkering heeft herzien en met terugwerkende kracht uitkering heeft toegekend, sprake is van een geval als bedoeld in artikel 7:15, tweede lid, van de Awb. Onder verwijzing naar de uitspraak van de CRvB van 6 januari 2006, LJN: AU9306, wijst de rechtbank erop dat, ook indien het bestuursorgaan geen enkel verwijt treft met betrekking tot het later onjuist geachte en niet gehandhaafde besluit, deze enkele omstandigheid geen reden is om een proceskostenveroordeling achterwege te laten. Nu geen sprake is van een andere weigeringgrond, komen de gevraagde proceskosten in bezwaar voor vergoeding in aanmerking en is het beroep gegrond.

2.7 Dit betekent dat verweerder ten onrechte niet is overgegaan tot vergoeding van de proceskosten in bezwaar, zodat het bestreden besluit in zoverre moet worden vernietigd. De rechtbank zal, met toepassing van artikel 8:75 van de Awb in verbinding met artikel 7:15, tweede tot en met vierde lid, van de Awb, verweerder veroordelen in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, begroot op € 322,- voor verleende rechtsbijstand. De rechtbank ziet tevens aanleiding verweerder te veroordelen in de proceskosten van eiser in beroep, begroot op € 322,- voor verleende rechtsbijstand (indiening beroepschrift 1 punt).

2.8 Het verzoek om een schadevergoeding in deze procedure heeft de gemachtigde op de zitting van 6 augustus 2009 ingetrokken. De rechtbank kan niet anders dan vaststellen dat met het van de primaire afdeling afkomstige besluit de intrekking van de bijstand per 14 maart 2008 (= datum intrekking) ongedaan te maken (en de uitkering alsnog te betalen,) eiser weer is komen te verkeren in de situatie waarin hij op 14 maart 2008 verkeerde. Meer kan eiser in deze procedure, waarin het gaat om intrekking van de bijstandsuitkering wegens het niet meer beschikken over de juiste verblijfstitel niet bereiken. Het beroep op het niet nakomen door verweerder van zijn zorgplicht en de verwijzing naar de internationaalrechtelijke bepalingen, zijn in het kader van artikel 11 WWB dan ook vergeefs voorgedragen. Het betoog van eiser dat verweerder bij het intrekkingsbesluit tevens ambtshalve had moeten onderzoeken of eiser bijstand toekwam op grond van artikel 16, tweede lid, WWB slaagt niet. Het was aan eiser om, indien hij meende dat hij aan de criteria voldeed, een daartoe strekkende aanvraag in te dienen.

3. Beslissing

De rechtbank:

3.1 verklaart het beroep gegrond;

3.2 vernietigt het bestreden besluit van 13 januari 2009, voor zover daarbij het verzoek om vergoeding van de proceskosten is afgewezen; laat het besluit voor het overige in stand.

3.3 veroordeelt verweerder in de kosten van de bezwaar- en beroepsprocedure, aan de zijde van eiser begroot op € 644,-, zijnde de kosten van rechtsbijstand, te vergoeden door de gemeente Haarlem aan eiser;

3.4 bepaalt dat de gemeente Haarlem het door eiser betaalde griffierecht van € 39,- aan hem vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.C. Terwiel-Kuneman, rechter, en op 26 mei 2010 in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van mr. H.R.A. Horring, griffier.

afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht. Het hoger beroep dient te worden ingesteld door het indienen van een beroepschrift binnen zes weken onmiddellijk liggend na de dag van verzending van de uitspraak door de griffier.

3.5 De rechtbank ziet zich voorts – ambtshalve – gesteld voor de vraag of eiser nog een voldoende procesbelang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het bestreden besluit van 13 januari 2009. Onder verwijzing naar onder meer de uitspraken van de CRvB van 29 januari 2008 LJN BC3404 en 16 maart 2010, LJN BL8044 stelt de rechtbank dat van voldoende procesbelang bij een inhoudelijke beoordeling alleen dan sprake is indien het resultaat, dat de indiener van een beroepschrift met het maken van beroep nastreeft, ook daadwerkelijk kan worden bereikt en het realiseren van dat resultaat voor deze indiener feitelijke betekenis kan hebben. Het hebben van een louter formeel of principieel belang is onvoldoende voor het aannemen van (voldoende) procesbelang.