Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2010:BN7387

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
25-08-2010
Datum publicatie
23-09-2010
Zaaknummer
143717 - HA ZA 08-289
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vonnis na bewijsopdracht aan eisers.

1) Bewijswaardering: aan de in contra-enquête afgelegde verklaringen wordt beduidend wordt minder geloof gehecht dan aan de in enquête afgelegde verklaringen, hoewel de beperking van art 164 lid 2 Rv. niet geldt voor de in contra enquête afgelegde partijgetuigenverklaringen.

2) Als gedaagde 3 en 4 tijdens de afrondende bespreking onbevoegd werden vertegenwoordigd, komt hen daarop op grond van het bepaalde in artikel 3:61 lid 2 BW geen beroep toe. De rechtbank heeft bij dit oordeel betrokken dat blijkens Hoge Raad 19 februari 2010, NJ 2010,115, voor toerekening van schijn van volmachtverlening ook plaats kan zijn ingeval van feiten en omstandigheden die voor rekening van de onbevoegd vertegenwoordigde komen en waaruit naar verkeersopvattingen zodanige schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid kan worden afgeleid.

3) Verweer dat de echtgenotes van gedaagden niet de vereiste toestemming zoals bedoeld in artikel 1:88 BW hebben verleend voor de rechtshandelingen. De vordering van eisers vindt zijn grondslag in de stelling dat tussen eiser 1 en gedaagden is overeengekomen dat een (tweede) hypotheekrecht zou worden gevestigd ter verstrekking van zekerheid voor de deugdelijke nakoming van de betalingsverplichting. Vooropgesteld zij dat het bepaalde in de aanhef en onder a, van deze bepaling slechts ziet op (onder meer) bezwaring van de echtelijke woning of van daarbij behorende zaken, waarvan gesteld noch gebleken is dat hiervan sprake is, zodat op grond van deze bepaling geen toestemming van de echtgenotes is vereist. Voorts is evenmin sprake van een rechtshandeling als bedoeld in artikel 1:88, eerste lid, aanhef en onder c, BW. Deze bepaling ziet immers op het zich verbinden door een echtgenoot tot zekerheidstelling voor de schuld van een derde. Hiervan is in de onderhavige situatie geen sprake. Immers, de schuld van ieder van de gedaagden met betrekking tot de betaling van de koopsom betreft een eigen schuld en niet de schuld van een derde. Hieraan doet niet af dat de neven hoofdelijk verbonden zijn voor voldoening van de schuld aan eisers, nu zij hoofdelijk schuldenaar zijn ter zake van een door hen gezamenlijk verschuldigde prestatie en zich niet verbinden als hoofdelijk medeschuldenaar voor een door een derde verschuldigde prestatie, en genoemde bepaling slechts op die laatste situatie ziet.

4) Proceskostenveroordeling in voorwaardelijke reconventie, hoewel voorwaarde niet is vervuld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK HAARLEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 143717 / HA ZA 08-289

Vonnis van 25 augustus 2010

in de zaak van

1. [HHvL],

wonende te Zwanenburg, gemeente Haarlemmermeer,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[HHvL BV],

gevestigd te Haarlemmermeer,

eisers in conventie,

verweerders in reconventie,

advocaat mr. R.R. Beuker,

tegen

1. [RvL],

wonende te Zwanenburg, gemeente Haarlemmermeer,

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[RvL BV],

gevestigd te Zwanenburg, gemeente Haarlemmermeer,

3. [HPvL],

wonende te Zwanenburg, gemeente Haarlemmermeer,

4. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[HPvL BV],

gevestigd te Zwanenburg, gemeente Haarlemmermeer,

5. [IvL],

wonende te Halfweg, gemeente Haarlemmerliede en Spa,

6. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[IvL BV],

gevestigd te Zwanenburg, gemeente Haarlemmermeer,

gedaagden in conventie,

eisers in reconventie,

advocaat mr. H. Carels.

Eisers in conventie zullen hierna respectievelijk HHvL en HHvL BV, dan wel gezamenlijk HHvL c.s., worden genoemd. Gedaagden in conventie zullen hierna respectievelijk RvL, RvL BV, HPvL, HPvL BV, IvL en IvL BV, dan wel gezamenlijk RvL c.s. worden genoemd. RvL, HPvL en IvL worden tezamen aangeduid als ‘de neven’.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 6 mei 2009

- het proces-verbaal van getuigenverhoor van 1 september 2009

- het proces-verbaal van tegenverhoor van 6 november 2009

- het proces-verbaal van niet-gehouden voortzetting van getuigenverhoor van 23 december 2009

- de akte vermeerdering van eis in voorwaardelijke reconventie van RvL c.s.

- de conclusie na enquête van RvL c.s.

- de conclusie na enquête tevens antwoordakte eisvermeerdering van HHvL c.s.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De verdere beoordeling

in conventie

2.1. Bij tussenvonnis van 6 mei 2009 is HHvL c.s. opgedragen te bewijzen dat in verband met het uittreden van HHvL uit [de Holding] (hierna: de Holding) en uit de maatschap is overeengekomen:

- een overdrachtsprijs van € 60.000 in ruil voor levering van het aandeel van HHvL in de eigendom van het landje en dat de betaling van de afkoopsom zou plaatsvinden in deelbetalingen van € 6.000 op een wijze en tegen een vergoeding van rente conform artikel 13 van het maatschapscontract

- een overdrachtsprijs van € 45.000 in ruil voor levering van de aandelen in de Holding waarbij HHvL BV aan elk van de verkrijgende vennootschappen van RvL c.s. 7 aandelen D levert en aan de Holding 1 aandeel D alsmede 11 cumulatief preferente aandelen

- de overneming door de andere aandeelhouders van de door HHvL aan de bank gegeven zekerheid in de vorm van een borgtocht van € 75.000.

Voorts is bij voornoemd tussenvonnis aan HHvL c.s. opgedragen te bewijzen dat nadien is overeengekomen dat betaling van de overeengekomen som van € 60.0000 voor het aandeel van HHvL in de eigendom van het landje ineens zou plaatsvinden.

2.2. Ter voldoening aan hun bewijsopdracht hebben HHvL c.s. vier getuigen doen horen: [HHvL] als partijgetuige en [B], [C] en [D]. In contra-enquête hebben RvL c.s. eveneens vier getuigen doen horen: [IvL], [RvL] en [HPvL] als partijgetuigen en [E].

2.3. Bij de beoordeling van het door HHvL c.s. te leveren bewijs stelt de rechtbank voorop dat de verklaring van getuige [HHvL] is afgelegd als partijgetuige in de zin van artikel 164 Rv. Op grond van het tweede lid van dat artikel kan een dergelijke getuigenverklaring omtrent door haar te bewijzen feiten geen bewijs in haar voordeel opleveren, tenzij de verklaring strekt ter aanvulling van onvolledig bewijs. Daarvan is sprake als er bewijzen voorhanden zijn die zodanig sterk zijn en zodanige essentiële punten betreffen dat zij de partijgetuigenverklaring voldoende geloofwaardig maken. Deze beperkte bewijskracht geldt volgens vaste jurisprudentie van de Hoge Raad niet voor de in contra-enquête afgelegde verklaringen van de partijgetuigen [IvL], [RvL] en [HPvL].

2.4. De rechtbank acht – de verklaringen van genoemde getuigen zowel in hun onderlinge verband als elk afzonderlijk beschouwd en gewogen – HHvL c.s. gedeeltelijk in het hun opgedragen bewijs geslaagd en overweegt daartoe als volgt.

2.5. [HHvL] heeft ter comparitie onder meer het volgende verklaard:

“(…) Uiteindelijk hebben we overeenstemming bereikt. De weergave van [B] in de email van 19 april 2007 is hetgeen wij tijdens de bespreking zijn overeengekomen. (…)”

Bij het getuigenverhoor heeft [HHvL] onder meer het volgende verklaard:

“Ik was aanwezig bij de bespreking op 26 maart 2007. Daar is besproken wat ik zou krijgen voor de aandelen. Verder is er in grote lijnen gesproken over de overdracht van het landje. Het daarmee gemoeide bedrag was van tevoren al vastgesteld. (…) Met betrekking tot de aandelen is afgesproken dat ze zouden worden overgedragen zodra er betaald was. (…) Op de vraag van mr. Carels of er over zekerheden is gesproken, antwoord ik dat is besproken dat de borgstellling bij de Rabobank door de drie neven zou worden overgenomen zodra een en ander bij de notaris geregeld was. (…) Op de (…) vraag of met betrekking tot alle onderwerpen die in dit getuigenverhoor aan de orde zijn geweest afspraken zijn gemaakt, antwoord ik bevestigend. Alles is besproken.”

2.6. [B] heeft bij het getuigenverhoor onder meer het volgende verklaard:

“Half maart ben ik met Bert […] bij [C] geweest om te bekijken of we overeenstemming konden bereiken. Vervolgens heeft [C] gesproken met de drie neven en daarna zijn we bij elkaar gekomen om knopen door te hakken. (…) Vervolgens hebben we de volgende punten doorgenomen:

- Het landje: we hebben geconstateerd dat hierover overeenstemming was. De prijs was € 60.000. Er was al overeenstemming over de prijs en er was al een taxateur geweest. (…)

- (…)

- De borgstelling: wij wilden dat deze overging naar de neven wanneer zij de aandelen overnamen.

- Het laatste punt was de overname van de aandelen. Wij stelden voor deze op € 90.000 te stellen. Vervolgens ging [C] met de twee neven apart en kwamen zij terug met een voorstel van € 45.000. Vervolgens ben ik met Bert […] afzonderlijk gaan praten. Daarna hebben wij aan de neven en [C] gezegd dat wij akkoord gingen met de prijs van € 45.000 op voorwaarde dat er zekerheid zou worden gesteld voor de betaling van de prijs voor het landje en de rekening courant. (…) Vervolgens zei, niet Rob, maar de andere neef van wie de naam mij even ontschoten is: “wij zijn akkoord”. Rob zei dat vervolgens ook en iedereen schudde elkaar de hand.

Met betrekking tot de betaling van de koopprijs van het landje is afgesproken dat er betaald zou worden volgens het maatschapscontract. (…) Over de betaling van de koopprijs zijn geen nadere afspraken gemaakt. Op een gegeven moment, ik durf niet meer te zeggen wanneer, kreeg ik een conceptcontract waarin stond dat er in een keer betaald zou worden. Dit vonden wij best. Wij hebben het punt niet meer besproken met de neven of [C]. (…)

Op de vraag van mr. Beuker of de e-mail van 19 april 2007 alle elementen van de overeenkomst van 26 maart 2007 bevatte, antwoord ik bevestigend. (…) Mr. Carels houdt mij voor dat [C] het in zijn e-mail van 19 april 2007 heeft over de stand van zaken, terwijl ik in mijn e-mail spreek over overeenstemming. Ik heb nooit het idee gehad dat er in dit opzicht discrepantie bestond tussen de beleving van mijzelf en die van [C].”

2.7. [C] heeft bij het getuigenverhoor onder meer het volgende verklaard:

“(…) Ergens in 2006 of 2007 ben ik benaderd door Ilco met de vraag om te begeleiden bij de afwikkeling van de betrekkingen tussen oom Bert en de neven (…) Op zeker moment is de heer [B] ook ten tonele verschenen als adviseur van oom Bert. Vanaf dat moment ben ik ervan uitgegaan dat ik woordvoerder was van de neven. Over de aandelen hebben wij rond augustus 2007 of 2008 een gesprek gehad bij mij thuis, in Beets. Hierbij waren aanwezig: Ilco, Rob, ik, [B] en oom Bert. Hans was ziek. Oom Bert vroeg € 90.000. Vervolgens, nadat ik met de neven in de keuken was gaan zitten, hebben de neven een tegenbod gedaan van € 45.000. Oom Bert en [B] gaven vervolgens aan dat zij akkoord gingen. Wij hebben een en ander toen beklonken. (…)

Op uw vraag wat er is afgesproken met betrekking tot de betalingen voor het landje antwoord ik dat er weinig geld was en dat daarom is afgesproken om aan oom Bert elke maand een vast bedrag, € 6.000 te betalen. (…) Er werd geen betaling ineens afgesproken, want er was geen geld. Het ligt in de lijn der logica dat ook de borgstelling van € 75.000 van oom Bert aan de orde is geweest in het gesprek waarin de aandelendeal werd beklonken. Nu ik u dit hoor dicteren, voeg ik toe dat de borgstelling echt besproken is.

De e-mail van [B] van 19 april 2007 ken ik. Die e-mail is een reactie op een e-mail die ik heb gestuurd naar aanleiding van de bespreking waarbij de aandelendeal werd beklonken. Kennelijk vond die bespreking toch niet plaats in augustus. (…)

De e-mail van [B] van 19 april 2007 is een correcte bevestiging van het bewuste gesprek waarin een bedrag van € 45.000 voor de aandelen is overeengekomen. (…) Naar aanleiding van punt 5 van de e-mail van [B] van 19 april 2007 merk ik op dat de rol van de bank wel degelijk aan de orde is geweest tijdens de bespreking. Voorwaarde van de deal was namelijk dat de broers zekerheid zouden stellen voor hun verplichtingen jegens oom Bert. Nu ik u dit hoor dicteren merk ik op dat het geen voorwaarde was, maar een onderdeel van de deal.

Ik denk dat het zo is gegaan dat ik de afspraken zou vastleggen na de bewuste bespreking bij mij thuis. Dat heb ik gedaan in mijn e-mail van 19 april 2007. Vervolgens vond [B] kennelijk dat ik het te vrijblijvend had geformuleerd en heeft hij een en ander gepreciseerd in zijn e-mail van 19 april 2007.”

2.8. [D] heeft bij het getuigenverhoor onder meer het volgende verklaard:

“(…) In een gesprek dat plaatsvond voor 20 september 2007, waarbij in ieder geval aanwezig waren [C], Ilco en Rob, en misschien ook Hans, heb ik vernomen dat met over een groot aantal zaken met betrekking tot de financiële ontvlechting overeenstemming had bereikt. Ik toon nu mijn aantekeningen van het gesprek dat op of omstreeks 20 september 2007 heeft plaatsgevonden en ik hoor u zeggen dat u een kopie daarvan aan dit proces-verbaal zult hechten. (…) Ik weet niet of, en zo ja welke, afspraken zijn gemaakt over de betaling van de koopsom van de aandelen en van het landje. Ik weet ook niet welke prijs met voor het landje overeengekomen is. (…)

Naar aanleiding van punt 5 van mijn aantekeningen, de overdracht van het landje, verklaar ik dat de kern van mijn aantekeningen is dat de koopprijs schuldig erkend zal worden. De hoogte van de koopprijs is mij niet bekend. Tijdens de bespreking is niet aan de orde geweest hoe deze schuld zou worden afbetaald. Evenmin is aan de orde geweest hoe de onder 1 bedoelde € 45.000 zou worden betaald. Het was voor mij niet van belang de prijs van het landje te weten, want dat was een privéaangelegenheid.”

In de aan het proces-verbaal gehechte aantekeningen van [D] staat onder meer het volgende:

“1) € 45.000 voor de aandelen.

(…)

5) Bankgarantie gesecureerd met een hyp. inschrijving op grond van de maatschap.

Grond vanuit maatschap wordt overgedragen aan drie broers met schuldig erkent.

(…)”

2.9. Bovenstaande getuigenverklaringen, mede gezien de inhoud van het e-mailbericht van [B] van 19 april 2007, wijzen er alle op dat bij een bespreking in het voorjaar van 2007 overeenstemming tussen HHvL en RvL en IvL is bereikt over de verkoop van het landje voor een bedrag van € 60.000 en de verkoop van de aandelen voor een bedrag van € 45.000. Gelet op de verklaring van met name [C] dient er evenwel van te worden uitgegaan dat is overeengekomen dat de prijs voor het landje in overeenstemming met het maatschapscontract in tien halfjaarlijkse termijnen van € 6.000 zou worden betaald. Het e-mailbericht van [B] van 19 april 2007 rept ook van een “aflossing conform contract, derhalve aflossing per 30 juni etc. van € 6.000. Rente 5%”, terwijl het maatschapscontract in artikel 13 spreekt van een “voldoening van het verschuldigde in tien gelijke achtereenvolgende halfjaarlijkse termijnen, waarvan de eerste vervalt op 30 juni nadat de maatschap is ontbonden. Over de hier bedoelde schuld of het restant daarvan is een rente verschuldigd van vijf procent op jaarbasis, eveneens halfjaarlijks als voormeld te voldoen.” De enkele verklaring van [B] dat op een gegeven moment in een conceptcontract stond dat het bedrag ineens zou worden betaald, kan niet leiden tot het oordeel dat hierover overeenstemming bestond, nu [B] tevens heeft verklaard dat dit punt niet is besproken met [C] of de neven. Ook uit het als productie 15 door HHvL c.s. overgelegde e-mailbericht van [C] van 20 februari 2008 valt niet op te maken dat later is overeengekomen dat het bedrag in één keer zou worden betaald. De enkele omstandigheid dat in de door de notaris opgemaakte conceptakte anders staat vermeld, is onvoldoende om tot de conclusie te komen dat is overeengekomen dat het bedrag ineens zou worden betaald.

Voorts wijzen in ieder geval de verklaringen van [B] en [C], ondersteund door het e-mailbericht van [B] van 19 april 2007, erop dat bij die bespreking is overeengekomen dat de borgstelling voor een bedrag van € 75.000 zou overgaan op de neven.

2.10. [IvL] heeft in contra-enquête onder meer het volgende verklaard:

“Er zijn tussen ons en oom Bert geen afspraken gemaakt, bij het gesprek in het voorjaar van 2007. Op die bewuste dag heeft er wel een bespreking plaatsgevonden. (…)

Oom Bert vroeg € 90.000 voor de aandelen, € 60.000 voor het landje en vroeg of wij de borgtocht wilden overnemen. Op een gegeven moment is gesproken over een bedrag van € 45.000 voor de aandelen maar door de borgtocht haakten wij af. We wilden de kwestie met Hans bespreken. (…) Over het landje was overeenstemming omdat dit opnieuw getaxeerd was en omdat dit vast ligt in de maatschapovereenkomst.

Ik geloof dat in de maatschapovereenkomst iets staat over de betaalwijze van de overwaarde van het landje, maar daar is niet over gesproken. (…) De email van [B] van 19 april 2007 heb ik voor het eerst gezien in de processtukken. (…) Ik ben bij de notaris geweest met [C]. Ik geloof dat dat in september 2007 was. De bedoeling was om de regeling voor wat betreft de cumulatief preferente aandelen en het landje op papier te zetten. (…) We hebben beiden schriftelijk contact gehad met de notaris. De aktes heb ik niet gecontroleerd omdat ik vanwege de problemen in het bedrijf wel iets anders aan mijn hoofd had. Eind september 2007 heb ik de stukken vluchtig gelezen. Ik dacht toen dat het geregeld was.

Over de borgstelling kan ik zeggen dat alle aandeelhouders voor € 75.000 borg hebben gestaan toen het niet goed ging met het bedrijf. Dit was in 2004. Er is over gesproken dat wij de borgstelling van oom Bert zouden overnemen, maar dit wilden wij niet omdat de aandelen niets waard waren. (…)

Het klopt dat we het er over eens waren dat de overwaarde van het landje € 60.000 was. (…) Dit stond dus vóór 17 april 2007 al vast. Ook waren we het er vóór 17 april 2007 al over eens dat de elf cumulatief preferente aandelen zouden overgaan (…). Het ging op 17 april 2007 dus nog over de andere aandelen en de borgstelling. Op de vraag hoe wij na het gesprek van 17 april 2007 uit elkaar zijn gegaan antwoord ik dat wij het aanbod van oom Bert, € 45.000 voor de andere aandelen, niet hadden geaccepteerd maar we zouden het nog met Hans bespreken. (…)

Toen wij het aanbod van oom Bert afwezen was hij niet blij en zei “dat moeten jullie maar doen dan”. Oom Bert wilde meer geld voor de aandelen. We hebben een hand gegeven en zijn weggegaan. Met die handdruk was niet bedoeld om overeenstemming aan te geven.”

2.11. [RvL] heeft in contra-enquête onder meer het volgende verklaard:

“Het doel van het gesprek was om de afspraken van 2005 te bekrachtigen. Ik weet niet wat er in 2005 precies afgesproken is. Hans en Ilco regelden dat en zouden mij om mijn instemming vragen. Het onderwerp van het gesprek zou alleen zijn de cumulatief preferente aandelen, maar het ging over de nominale aandelen. (…) Er was over het landje al een afspraak gemaakt. (…) Er is niet gesproken over de manier waarop dit bedrag betaald zou worden.

In het gesprek is niet over de borgstelling gesproken. Dat moet later zijn gebeurd. Nu u mij dit voorhoudt weet ik bij nader inzien niet zeker of er over de borgstelling is gesproken. De aandelen waren te duur omdat de onderneming bijna failliet was. In de onderhandelingen over de prijs werd eerst € 90.000 gevraagd. Dat was te hoog. Toen er € 45.000 werd gevraagd hebben [C], Ilco en ik ons teruggetrokken. [C] zei “doe het maar, het is een mooi bod”. Toen heb ik gezegd “ik ben er klaar mee, ik wil het niet betalen”. Toen zijn we teruggegaan en heb ik gezegd tegen alle aanwezigen “ik ga er niet mee akkoord”. Oom Bert zei niets terug. Ik heb een hand gegeven, maar dat was alleen ter afscheid en niet omdat er een deal was. (…)

Aan het einde van het gesprek hebben wij aangegeven dat we het aanbod van oom Bert en [B] om de nominale aandelen te kopen voor € 45.000 of € 42.000 aan broer Hans zouden voorleggen. Weliswaar had ik al aangegeven dat ik absoluut niet akkoord ging met dit bedrag, maar het was niet uitgesloten dat mijn broers mij zouden kunnen overtuigen. (…)

Na 17 april 2007 hebben wij niet meer gesproken over de aandelen overdracht. Wel zijn er tal van gesprekken geweest over de borgstelling. (…)”

2.12. [HPvL] heeft in contra-enquête onder meer het volgende verklaard:

“Over de aandelen (…) is geen overeenstemming bereikt. De waarde van de aandelen is negatief en ik wil daar geen geld voor geven. (…)

In het gesprek van voorjaar 2007 ging het om de waarde van de nominale aandelen. De waarde van de cumulatief preferente aandelen stond al vast. (…)

Ten aanzien van de borgstelling kan ik u zeggen dat het overnemen daarvan een logisch slot van de afwikkeling zou zijn, maar ik heb hier nooit iets over gezegd. Ik weet niet of Rob en Ilco zich hierover hebben uitgelaten.

Ik heb niet veel gehoord over het gesprek dat plaatsvond in het voorjaar van 2007. Van te voren had ik tegen mijn broers gezegd: “laat het mij maar weten als er iets concreets uit komt”. Na het gesprek heb ik van Ilco gehoord dat er geen overeenstemming was bereikt. U houdt mij voor dat mijn broers zojuist beiden hebben verklaard dat zij in het bewuste gesprek hebben gezegd dat zij het bod van € 45.000 voor de nominale aandelen aan mij zouden voorleggen. Ik zeg u hierop dat dit bod niet aan mij is voorgelegd. Ik kan me dit in elk geval niet herinneren.”

2.13. [E] heeft in contra-enquête onder meer het volgende verklaard:

“(…) dat noch oom Bert noch dhr. [B] iets gezegd heeft over het bestaan van afspraken met de neven. (…)

Ik heb van [D] gehoord dat partijen gesproken hadden over de overdracht van aandelen door oom Bert aan de neven. Doch dat partijen daar niet over eens zijn geworden doordat oom Bert geld vroeg en de neven er niets voor wilden betalen nu het om een praktisch failliete tent ging. (…)”

en ook:

“Mijn advies was om het bedrijf te verkopen. (…) Mijn bedoeling was om het bedrijf te verkopen aan een relatie van mij.”

2.14. Tegenover de in enquête afgelegde verklaringen zijn de in contra-enquête afgelegde verklaringen van onvoldoende gewicht om tot het oordeel te komen dat er géén overeenstemming is bereikt over de levering van het aandeel van HHvL in het landje voor een bedrag van € 60.000, en over de levering van de aandelen voor een bedrag van € 45.000. De rechtbank overweegt hiertoe als volgt.

Wat betreft de overeenstemming over het landje blijkt ook uit de in contra-enquête afgelegde verklaringen dat hierover overeenstemming bestond. In het midden kan blijven of al eerder overeenstemming over het landje bestond, zoals IvL, RvL en HPvL stellen, omdat blijkens de bewijsopdracht aan HHvL c.s. is opgedragen te bewijzen dát overeenstemming is bereikt en niet wanneer dit is gebeurd en het bovendien hoogstens van belang zou kunnen zijn voor de ingangsdatum van de verschuldigde rente. Daarover bestaat evenwel geen onduidelijkheid gezien het in r.o. 2.9 overwogene over de eerste halfjaarlijkse termijnbetaling per 30 juni. Om diezelfde reden kan overigens in het midden blijven op welke datum de bewuste bespreking precies heeft plaatsgevonden.

Wat betreft de overeenstemming over de levering van de aandelen overweegt de rechtbank als volgt. De verklaring van IvL is innerlijk tegenstrijdig waar IvL eerst tot tweemaal toe verklaard heeft dat een bedrag van € 45.000 ter sprake is geweest maar dat IvL en RvL zijn afgehaakt op de borgtocht. Hieruit valt op te maken dat in principe overeenstemming was over een bedrag van € 45.000. Vervolgens heeft IvL evenwel verklaard dat zij het aanbod van € 45.000 niet hadden geaccepteerd en dat zij dit aan HPvL zouden voorleggen. Volgens RvL is geen overeenstemming bereikt over de aandelen omdat RvL niet akkoord ging met een prijs van € 45.000. Opmerkelijk in deze verklaring is echter dat RvL eerst verklaart dat daarom geen overeenstemming is bereikt, doch vervolgens dat IvL en hijzelf dit bedrag zouden voorleggen aan HPvL. Ook IvL heeft verklaard dat, ondanks dat ook hij heeft verklaard dat geen overeenstemming was bereikt, het bedrag van € 45.000 zou worden voorgelegd aan HPvL. Deze op zich al tegenstrijdige verklaringen – IvL en RvL stemden niet in met de voorstellen van HHvL maar toch zou het bod worden voorgelegd aan HPvL –, die daardoor niet geloofwaardig overkomen, zijn des te minder geloofwaardig gelet op de verklaring van HPvL dat het bod van € 45.000 nooit aan hem is voorgelegd. Ook de verklaring van RvL dat hij eerder had aangegeven absoluut niet akkoord te gaan met het bedrag van € 45.000 en, vervolgens, dat niet was uitgesloten dat zijn broers hem toch konden overtuigen, overtuigt niet. Ook op andere punten zijn de door IvL, RvL en HPvL afgelegde verklaringen onduidelijk dan wel tegenstrijdig. Zo heeft RvL verklaard dat de bespreking alleen zou gaan over de cumulatief preferente aandelen, terwijl IvL en HPvL juist hebben verklaard dat er al overeenstemming was over de cumulatief preferente aandelen en dat het nog om de nominale aandelen ging. Uit bepaalde onderdelen van de in contra-enquête afgelegde verklaringen kan juist ook het vermoeden worden ontleend dat wel sprake was van overeenstemming. Zo kan IvL geen sluitende verklaring geven voor de omstandigheid dat door de notaris ontwerpakten zijn opgemaakt waarin onder meer de aandelenoverdracht werd geregeld, hetgeen erop wijst dat hiertoe opdracht is gegeven omdat overeenstemming bestond. De verklaring van IvL dat hij de akten vanwege drukte alleen maar vluchtig heeft bekeken is alleen al daarom niet overtuigend omdat bij een enkele blik blijkt dat de als productie 3 bij de dagvaarding overgelegde akte betrekking heeft op de overdracht van de aandelen, zodat IvL ook bij vluchtig bekijken had moeten signaleren dat deze niet overeenkwam met hetgeen volgens hem zou zijn afgesproken. Nu IvL verder geen actie heeft ondernomen kan ook hieruit worden afgeleid dat de akten overeenstemden met hetgeen destijds was afgesproken. Wat betreft de verklaring van [E] kan aan deze verklaring reeds minder waarde worden gehecht omdat [E] pas later, naar zijn zeggen in het najaar van 2007, bij het bedrijf betrokken is geraakt en niet bij de bewuste bespreking aanwezig is geweest. Daardoor is de wetenschap van [E] omtrent de vraag of er overeenstemming was, gebaseerd op hetgeen hij van de andere betrokkenen heeft vernomen. Niet uit te sluiten valt bovendien dat [E] enig belang heeft bij de uitkomst van de bewijsopdracht, nu hij heeft verklaard dat hij heeft geadviseerd om het bedrijf te verkopen aan een relatie van hemzelf en hiertoe kennelijk de aandeelhouders vrij moesten zijn om hun aandelen te verkopen. Het hiervoor overwogene leidt ertoe dat de rechtbank aan de in contra-enquête afgelegde verklaringen omtrent de overdracht van het landje en de aandelen, beduidend minder geloof hecht dan aan de in enquête afgelegde verklaringen. De rechtbank acht het bewijs dan ook met de grootst mogelijke zekerheid geleverd.

2.15. Ook omtrent de borgstelling voor een bedrag van € 75.000 valt uit de in contra-enquête afgelegde verklaringen niet het vermoeden af te leiden dat de verklaringen die in enquête zijn afgelegd door de door HHvL c.s. opgeroepen getuigen, niet juist zouden zijn. Dat de borgstelling ter sprake is geweest kan op grond van alle afgelegde verklaringen gevoegelijk worden aangenomen. IvL heeft als enige getuige in contra-enquête verklaard dat geen overeenstemming bestond over de borgstelling, nu RvL heeft verklaard niet zeker te weten of de borgstelling ter sprake is geweest en HPvL, die niet bij de bespreking aanwezig is geweest, heeft verklaard hierover zelf nooit iets te hebben gezegd, maar van mening te zijn dat dit een logisch slot van de afwikkeling zou zijn. Tegenover de in enquête afgelegde verklaringen legt de enkele verklaring van IvL, die overigens ook nog innerlijk tegenstrijdig is en slechts deels overeenkomt met de verklaringen van RvL en HPvL, onvoldoende gewicht in de schaal.

2.16. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat is komen vast te staan dat in verband met het uittreden van HHvL uit de Holding en de maatschap is overeengekomen dat het aandeel van HHvL in het landje zou worden overgedragen voor een bedrag van € 60.000 en dat dit bedrag zou worden betaald in tien halfjaarlijkse termijnen van € 6.000 conform artikel 13 van het maatschapscontract. Niet is komen vast te staan dat nadien is overeengekomen dat dit bedrag ineens zou worden betaald. Voorts is komen vast te staan dat de aandelen van HHvL BV in de Holding zouden worden overgedragen voor een overdrachtsprijs van € 45.000, waarbij aan RvL BV, IvL BV en HPvL BV elk 7 aandelen D zouden worden geleverd en aan de Holding 1 aandeel D alsmede 11 cumulatief preferente aandelen. Tot slot is komen vast te staan dat de andere aandeelhouders de door HHvL aan de bank gegeven zekerheid in de vorm van een - met hypotheek versterkte - borgtocht van € 75.000 zouden overnemen.

2.17. Gelet op het voorgaande komt de rechtbank thans toe aan de door RvL c.s. gevoerde verweren dat:

- HPvL en HPvL BV in ieder geval geen partij zijn bij de overeenkomst aangezien HPvL niet aanwezig was bij de bespreking noch daarbij vertegenwoordigd werd;

- de echtgenotes van de neven niet de vereiste toestemming zoals bedoeld in artikel 1:88 BW hebben verleend voor de rechtshandelingen;

- dat [C] weliswaar hun adviseur is, maar dat [C] niet optrad als vertegenwoordiger van de neven, noch individueel noch gezamenlijk.

2.18. Met betrekking tot het door RvL c.s. gevoerde verweer dat HPvL en HPvL BV geen partij zijn bij de overeenkomst overweegt de rechtbank als volgt. Naar aanleiding van dit verweer heeft HHvL c.s. gesteld dat het door ziekte niet in persoon aanwezig zijn van HPvL er niet aan in de weg heeft gestaan dat afrondend over de financiële afwikkeling van het vertrek van HHvL is gesproken. Ter comparitie is namens HHvL c.s. betoogd dat HHvL ervan uit mocht gaan dat HPvL toestemming had verleend om namens hem en zijn holding afspraken te maken. RvL c.s. hebben deze – deels feitelijke weerlegging van hun verweer door HHvL c.s. niet betwist. Zonder nadere onderbouwing door RvL c.s. van hun verweer, welke ontbreekt, kan daarom de juistheid van de stelling dat HPvL en HPvL BV geen partij zijn bij de overeenkomst, niet worden vastgesteld. Het voorgaande leidt tot het oordeel dat RvL en IvL als gevolmachtigde van HPvL en HPvL BV hebben gehandeld, zodat vast staat dat ook HPvL en HPvL BV partij zijn bij de overeenkomst. Ten overvloede overweegt de rechtbank dat als het toch zo zou zijn dat HPvL en HPvL BV tijdens die afrondende bespreking onbevoegd werden vertegenwoordigd, hen daarop op grond van het bepaalde in artikel 3:61 lid 2 BW geen beroep toekomt. De rechtbank heeft bij dit oordeel betrokken dat blijkens Hoge Raad 19 februari 2010, NJ 2010,115, voor toerekening van schijn van volmachtverlening ook plaats kan zijn ingeval van feiten en omstandigheden die voor rekening van de onbevoegd vertegenwoordigde komen en waaruit naar verkeersopvattingen zodanige schijn van vertegenwoordigingsbevoegdheid kan worden afgeleid. Indien HPvL en HPvL BV, die bij de voorafgaande besprekingen tussen partijen steeds samen met RvL, RvL BV, IvL en IvL BV als één van de twee partijen zijn opgetrokken, het niet eens waren met de bij de afrondende bespreking bereikte overeenstemming, had op de weg van HPvL en HPvL BV gelegen dat, nadat zij zich door RvL, IvL of hun gezamenlijk adviseur [C] over de uitkomst van die bespreking hadden laten informeren, meteen aan HHvL c.s. te laten weten. Dat HPvL en HPvL BV destijds van een dergelijk ontbreken van hun instemming blijk hebben gegeven, is gesteld noch gebleken.

2.19. Met betrekking tot het door RvL c.s. gevoerde verweer dat [C] weliswaar hun adviseur is, maar dat [C] niet optrad als hun vertegenwoordiger, overweegt de rechtbank als volgt. Hiervoor is reeds geoordeeld dat is komen vast te staan dat tijdens een bespreking in het voorjaar van 2007 overeenstemming is bereikt over de hiervoor genoemde punten. Uit het voorgaande blijkt eveneens dat deze overeenstemming is bereikt tussen HHvL enerzijds en RvL en IvL mede handelend als gevolmachtigde van HPvL en HPvL BV anderzijds. Hieraan doet niet af dat [C] na de bespreking een e-mail heeft gestuurd aan [B] op 19 april 2007 welke e-mail door RvL c.s. is overgelegd als productie 8 met daarin een overzicht van de stand van zaken en dat [B] vervolgens in de hiervoor genoemde e-mail aan [C] de gemaakte afspraken heeft bevestigd, nu immers de overeenkomst reeds tot stand was gekomen tijdens de bespreking en niet als gevolg van de e-mailcorrespondentie tussen [B] en [C]. Gelet hierop kan tevens in het midden blijven of de neven, zoals zij hebben gesteld, het e-mailbericht van [B] pas veel later onder ogen hebben gekregen. Het voorgaande leidt tot het oordeel dat in het midden kan blijven of [C], die – zo wordt erkend door RvL c.s. – in ieder geval als adviseur van RvL c.s. optrad, tevens als vertegenwoordiger van de neven optrad.

2.20. Met betrekking tot het door RvL c.s. gevoerde verweer dat de echtgenotes van de neven niet de vereiste toestemming zoals bedoeld in artikel 1:88 BW hebben verleend voor de rechtshandelingen, overweegt de rechtbank als volgt. De vordering van HHvL c.s. vindt zijn grondslag in de stelling dat tussen HHvL en de neven is overeengekomen dat een (tweede) hypotheekrecht zou worden gevestigd ter verstrekking van zekerheid voor de deugdelijke nakoming van de betalingsverplichting betreffende het landje. RvL c.s. hebben hiertegen aangevoerd dat voor een dergelijke overeenkomst toestemming van de echtgenotes van de neven vereist is en dat die toestemming ontbreekt.

Vooropgesteld zij dat het bepaalde in de aanhef en onder a, van deze bepaling slechts ziet op (onder meer) bezwaring van de echtelijke woning of van daarbij behorende zaken, waarvan gesteld noch gebleken is dat hiervan sprake is, zodat op grond van deze bepaling geen toestemming van de echtgenotes is vereist. Voorts is evenmin sprake van een rechtshandeling als bedoeld in artikel 1:88, eerste lid, aanhef en onder c, BW. Deze bepaling ziet immers op het zich verbinden door een echtgenoot tot zekerheidstelling voor de schuld van een derde. Hiervan is in de onderhavige situatie geen sprake. Immers, de schuld van ieder van de neven met betrekking tot de betaling van de koopsom van het landje betreft een eigen schuld en niet de schuld van een derde. Hieraan doet niet af dat de neven hoofdelijk verbonden zijn voor voldoening van de schuld aan HHvL, nu zij hoofdelijk schuldenaar zijn ter zake van een door hen gezamenlijk verschuldigde prestatie en zich niet verbinden als hoofdelijk medeschuldenaar voor een door een derde verschuldigde prestatie, en genoemde bepaling slechts op die laatste situatie ziet. Het voorgaande leidt tot het oordeel dat het verweer van RvL c.s. dat hun echtgenotes niet de vereiste toestemming hebben verleend, niet opgaat.

2.21. Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat over de vorderingen als volgt zal worden beslist, waarbij de rechtbank zal verwijzen naar de weergave van de vorderingen in het vonnis van 6 mei 2009 onder 2.1.

2.21.1. De vordering tot betaling van de koopsom voor het landje tegen levering van het aandeel van HHvL hierin, zal worden toegewezen. Nu niet is komen vast te staan dat partijen zijn overeengekomen dat betaling voor het landje ineens zal gebeuren, zal de onder I weergegeven primaire vordering worden afgewezen. Wel is komen vast te staan dat betaling voor het landje dient plaats te vinden conform artikel 13 van het maatschapscontract. Dit betekent dat de subsidiaire vordering zal worden toegewezen. Opmerking verdient dat in de formulering van die vordering een kennelijke verschrijving heeft plaatsgehad, waar gesproken wordt van “waarvan de eerste termijn is vervallen op 30 juni 2008”. Gezien de ingangsdatum van de gevorderde rente (30 juni 2007) is kennelijk bedoeld: “waarvan de eerste termijn is vervallen op 30 juni 2007”. De rechtbank zal de vordering aldus verstaan, nu de wijziging slechts een omschrijvend onderdeel van de vordering betreft en geen vermeerdering daarvan.

Voorts verdient opmerking dat ten tijd van dit vonnis inmiddels zeven termijnen zijn vervallen sinds 30 juni 2007.

2.21.2. De onder II weergegeven vordering tot verstrekken van toereikende zekerheid in de vorm van een (tweede) hypotheekrecht zal eveneens worden toegewezen. Gelet op het door RvL c.s. in hun akte van 17 december 2008 gevoerde verweer dat niet zeker is of de eerste hypotheekhouder daaraan medewerking zal verlenen zal deze toewijzing op de in het dictum te formuleren wijze worden geclausuleerd.

2.21.3. Ten aanzien van de onder III weergegeven vordering strekkende tot het bewerkstelligen dat HHvL wordt ontslagen uit de borgtocht jegens de bank wordt als volgt overwogen. Tegen de primaire variant hebben RvL c.s. in hun akte van 17 december 2008 bezwaren geuit die daarop neerkomen dat voor de gevorderde medewerking toestemming van de bank vereist. Die - op zich terechte - bezwaren gelden echter niet voor de subsidiaire variant van de vordering, die daarom voor toewijzing in aanmerking komt. De voor dit onderdeel van de vordering gevorderde dwangsom zal eveneens worden toegewezen, zij het met matiging en maximering zoals in het dictum te formuleren.

2.21.4. De onder IV weergegeven vordering tot betaling van de koopsom voor de aandelen tegen levering hiervan, zal worden toegewezen.

2.22. HHvL c.s. heeft gesteld buitengerechtelijke kosten gemaakt te hebben en heeft vergoeding daarvan gevorderd. Voldaan dient te worden aan het vereiste dat alleen redelijke kosten die in redelijkheid zijn gemaakt kunnen worden toegewezen. HHvL c.s. hebben gemotiveerd gesteld aan dit vereiste te hebben voldaan. Nu RvL c.s. deze kosten niet hebben betwist en evenmin is gebleken dat niet aan dit vereiste is voldaan, zal de rechtbank de gevorderde vergoeding van buitengerechtelijke kosten zal toewijzen. De buitengerechtelijke kosten worden begroot op € 2.842,zijnde twee punten van het toepasselijke liquidatietarief.

2.23. De vordering tot veroordeling van RvL c.s. in de beslagkosten is gelet op het bepaalde in artikel 706 Rv toewijsbaar. De beslagkosten worden begroot op € 1.114 aan verschotten en € 1.421 aan salaris advocaat.

2.24. RvL c.s. zullen als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van het geding in conventie, tot op heden begroot op:

- dagvaarding € 85,44

- vast recht 2.405,00

- getuigenkosten 700,00

- salaris advocaat 4.973,50 (3,5 punten × tarief € 1.421,00)

Totaal € 8.163,94

2.25. De rechters, ten overstaan van wie de comparitie en de getuigenverhoren zijn gehouden, hebben dit vonnis niet mede kunnen wijzen omdat zij geen deel meer uitmaken van de sector civiel van de rechtbank.

in reconventie

2.26. De voorwaardelijke reconventionele vordering, weergegeven in het tussenvonnis van 24 september 2008 onder 4.1. strekt kort gezegd tot levering van het onverdeelde aandeel van HHvL c.q. de aandelen aan RvL c.s., indien in conventie tot betaling daarvan zou worden beslist. Nu de vordering in reconventie inmiddels in de gewijzigde vordering in conventie is verdisconteerd verstaat de rechtbank dat de voorwaarde waaronder de vordering in reconventie is ingesteld niet is vervuld, zodat deze vordering geen beslissing behoeft Hetzelfde geldt voor de voorwaardelijke reconventionele vordering tot opheffing van de gelegde beslagen, die RvL c.s. bij akte van 27 januari 2010 hebben ingesteld. Ook deze voorwaarde (afwijzing van de vordering in conventie) is immers niet vervuld.

2.27. Nu in reconventie wel proceskosten zijn gevallen, behoeft alleen daarover te worden beslist. RvL c.s. dienen in reconventie als de in het ongelijk gestelde partij te worden beschouwd en zullen om die reden in de kosten van het geding in reconventie worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van HHvL c.s. worden begroot op € 452,00 (2,0 punten x factor 0.5 x tarief € 452,00).

3. De beslissing

De rechtbank

in conventie

3.1. veroordeelt RvL, HPvL en IvL hoofdelijk tot betaling aan HHvL van een bedrag van € 60.000, in tien gelijke, achtereenvolgende, halfjaarlijkse termijnen van € 6.000, waarvan de eerste termijn is vervallen op 30 juni 2007, te vermeerderen met 5% rente op jaarbasis over dit bedrag van € 60.000 of het restant daarvan vanaf 30 juni 2007 tot aan de dag van betaling, eveneens halfjaarlijks te voldoen op voornoemde wijze, zulks onder de voorwaarde dat HHvL volledig zal meewerken aan de notariële overdracht van zijn onverdeeld aandeel in de gemeenschappelijke eigendom van het perceel grasland, kadastraal bekend gemeente Haarlemmermeer, sectie AA, nr. 38, tegelijk met de voldoening van de eerste halfjaarlijkse termijn groot € 6.000;

3.2. veroordeelt RvL, HPvL en IvL hoofdelijk tot het verstrekken van zekerheid voor de deugdelijke nakoming van de verplichting tot betaling van de in de toekomst verschijnende termijnen van het onder 3.1 toegewezen bedrag, door het vestigen van een (tweede) hypotheekrecht op de onverdeelde aandelen van RvL, HPvL en IvL in de gemeenschappelijke eigendom van het onder 3.1 genoemde perceel grasland, dadelijk bij de levering van zijn aandeel in de grond door HHvL aan RvL, HPvL en IvL en na verkregen toestemming van de eerste hypotheekhouder, voorzover die toestemming is vereist;

3.3. veroordeelt RvL c.s. hoofdelijk om te bewerkstelligen dat HHvL wordt ontslagen uit de borgtocht jegens de bank, die HHvL heeft verstrekt tot zekerheid voor de nakoming van de betalingsverplichtingen door [de Holding] aan de bank, binnen 30 dagen nadat de bank schriftelijk heeft verklaard HHvL te zullen ontslaan uit de borgtocht onder door de bank te stellen voorwaarden, onder verbeurte van een dwangsom van € 1.000 voor iedere dag of ieder dagdeel dat RvL, HPvL en IvL na betekening van dit vonnis hiermee in gebreke blijven, met een maximum van € 60.000;

3.4. veroordeelt RvL BV, HPvL BV en IvL BV hoofdelijk tot betaling aan HHvL van een bedrag van € 45.000 voor de levering van de door HHvL BV gehouden aandelen in de Holding, binnen 30 dagen na betekening van het te wijzen vonnis, zulks onder de voorwaarde dat HHvL BV volledig zal meewerken aan de notariële levering van zowel de 21 aandelen D aan RvL BV, HPvL BV en IvL BV als de 11 cumulatief preferente aandelen en het resterende aandeel D aan de Holding;

3.5. veroordeelt RvL c.s. hoofdelijk tot betaling aan HHvL van een bedrag van € 2.842 ter zake van buitengerechtelijke kosten en van een bedrag van € 2.535 ter zake van de kosten van beslaglegging;

3.6. veroordeelt RvL c.s. hoofdelijk in de proceskosten, aan de zijde van HHvL c.s. tot op heden begroot op € 8.163,94;

3.7. verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

3.8. wijst het meer of anders gevorderde af;

in reconventie

3.9. verstaat dat voorwaarde waaronder de vordering is ingesteld niet is vervuld;

3.10. veroordeelt RvL c.s. hoofdelijk in de proceskosten, aan de zijde van HHvL c.s. tot op heden begroot op € 452,00;

3.11. verklaart vorenstaande kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. Th.S. Röell, voorzitter, mr. A.J. van der Meer en mr. M.C. van As, rechters, en in het openbaar uitgesproken op 25 augustus 2010.?