Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2010:BN6663

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
22-07-2010
Datum publicatie
10-09-2010
Zaaknummer
169912 - KG ZA 10-266
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

Bewijsstukken abusievelijk niet ingediend. Bestek op dat onderdeel niet erg duidelijk. Aanbestedende dienst heeft inschrijver terecht op de voet van art. 2.14.4 ARW gelegenheid geboden tot herstel.

Aanbestedende dienst is niet gehouden haar directieraming bekend te maken om onaanvaardbaarheid van inschrijving aan te tonen.

Wetsverwijzingen
Besluit aanbestedingsregels voor overheidsopdrachten
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JAAN 2010/98
JAAN 2011/131
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK HAARLEM

Sector civiel recht

zaaknummer / rolnummer: 169912 / KG ZA 10-266

Vonnis in kort geding van 22 juli 2010

in de zaak van

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

AANNEMINGSMAATSCHAPPIJ VAN GELDER B.V.,

gevestigd te Elburg,

eiseres,

advocaat mr. J.W.A. Meesters te Amsterdam,

tegen

de publiekrechtelijke rechtspersoon

PROVINCIE NOORD-HOLLAND,

zetelend te Haarlem,

gedaagde,

advocaten mr. H.M. Fahner en mr. G.H.G.M. van Berkel te ’s-Gravenhage

en

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

DURA VERMEER DIVISIE INFRA B.V.,

gevestigd te Hoofddorp, gemeente Haarlemmermeer,

eiseres in het incident tot voeging,

advocaat mr. J.G.J. Janssen te Amsterdam.

Partijen zullen hierna Van Gelder, de Provincie en Dura Vermeer genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding

- de mondelinge behandeling

- de incidentele conclusie tot voeging van Dura Vermeer

- het mondeling vonnis waarbij de voorzieningenrechter de incidentele vordering van Dura Vermeer heeft toegewezen

- de pleitnota van Van Gelder

- de pleitnota van de Provincie

- de pleitnota van Dura Vermeer.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. Op 4 december 2004 heeft de Provincie de openbare Europese aanbesteding aangekondigd van een raamovereenkomst voor onderhoudswerkzaamheden aan de provinciale wegen in de provincie Noord-Holland (hierna: de opdracht). Op de aanbesteding is het Besluit aanbestedingsregels voor overheidsopdrachten (hierna: Bao) van toepassing. Daarnaast is ook het Aanbestedingsreglement Werken 2005 (hierna: ARW 2005) van toepassing verklaard.

2.2. Het bestek bevat, voor zover hier van belang, de volgende bepalingen.

(…)

0.04 INSCHRIJVING

(…)

sub 2. (DE EISEN)

De eisen waaraan een inschrijver (…) moet voldoen zijn:

(…)

b. omzeteis:

een gemiddelde jaaromzet over de laatste 3 jaar hebben behaald van € 20.000.000, exclusief omzetbelasting, in de sector “werken in de wegenbouw”.

(…)

sub 3. (SAMENSTELLING VAN DE STUKKEN)

(…)

Uw inschrijving dient te bestaan uit twee aparte, gesloten, enveloppen. In envelop 1 dient het inschrijvingsbiljet met (bewijs)stukken te zijn gesloten met uitzondering van de bewijsstukken genoemd in “sub 3c”en “sub 3d” en het genoemde in paragraaf “sub 3k”. In envelop 2 dient het genoemde in “sub 3k” te zijn gesloten.

(…)

De gegevens, die door de inschrijver moeten worden overgelegd om in aanmerking te kunnen komen voor de opdracht van het werk als bedoeld in artikel 2.14 van het ARW 2005 zijn:

(…)

b. omzeteis:

De aanbesteder verlangt bij inschrijving een opgave van de omzet van het bedrijf over de laatste 3 boekjaren waaruit kan worden afgeleid of aan de omzeteis wordt voldaan. De opgave van de omzet van het bedrijf dient van een accountantsverklaring te zijn voorzien.

(…)

k. vragenformulier bij aanbesteding Eenheid SBA

De aanbesteder verlangt, conform paragraaf 3k, bij inschrijving een volledig ingevuld “Vragenformulier bij aanbesteding SBA”.

sub 4. (TIJDSTIP)

De conform “sub 3”gevraagde bescheiden dienen overgelegd te worden bij de inschrijving, met uitzondering van de bewijsstukken genoemd in “sub 3c”en “sub 3d”.

(…)

0.07 OPDRACHT

sub 1a.

Verwezen wordt naar artikel 2.29 t/m 2.33 van het ARW 2005 en voor zover deze aanvullend is artikel 01.01.04 van de Standaard RAW Bepalingen (Standaard 2005).

sub 1b.

Gegund wordt op basis van het criterium Laagste Prijs.

sub 1c.

In afwijking van art. 01.01.03 lid 03 van de Standaard RAW Bepalingen (Standaard 2005) worden de verrekenprijzen geacht inclusief eenmalige kosten, uitvoeringskosten, algemene kosten, winst en risico te zijn begrepen.

sub 1d.

De verrekenprijzen, vermeld in de staat “Overzicht Verrekenprijzen COV 2010” dienen in redelijke, herleidbare, verhouding te staan tot de werkelijk kosten per gevraagde eenheid. Een toetsing hierop kan plaats vinden door een onafhankelijke kostendeskundige.

(…)

2.3. De aan te besteden werkzaamheden zijn gespecificeerd in het Overzicht Verrekenprijzen COV 2010 waarop de Standaard RAW Bepalingen 2005 (hierna: Standaard 2005) van toepassing zijn. Van de inschrijvers werd gevraagd in de inschrijfstaat voor circa 2000 werkzaamheden een eenheidsprijs op te geven. Blijkens het bestek waren alle in de inschrijfstaat genoemde hoeveelheden en percentages fictief.

2.4. In de Nota van Inlichtingen d.d. 1 februari 2010 is, voor zover thans van belang, vermeld:

(…)

0.07 OPDRACHT

(…)

Het gestelde in sub 1c in het bestek wordt vervangen door: “In afwijking van art. 01.01.03 lid 3 van de Standaard RAW Bepalingen (Standaard 2005) worden geen eenheidsprijzen gevraagd, maar verrekenprijzen. Deze verrekenprijzen zijn inclusief uitvoeringskosten, algemene kosten, winst en risico en exclusief eenmalige kosten. Eenmalige kosten dienen per deelproject te worden opgegeven. Eventuele eenmalige kortingen worden na gunning verrekend in de verrekenprijzen.

(…)

2.5. Van Gelder heeft op de aanbesteding ingeschreven. De Provincie heeft Van Gelder per telefoon op 15 februari 2010 laten weten dat bij haar inschrijving de opgave van de omzet en bijbehorende accountantsverklaring ontbraken. Op 16 februari 2010 heeft Van Gelder de omzetgegevens en accountantsverklaring bij de Provincie ingeleverd.

2.6. Blijkens het proces-verbaal van aanbesteding van 15 februari 2010 heeft Van Gelder de laagste prijs geboden.

2.7. In een gesprek op 8 maart 2010 heeft de Provincie Van Gelder laten weten dat zij voornemens was de inschrijving van Van Gelder terzijde te leggen, omdat de door haar geboden eenheidsprijzen als niet redelijk en marktconform werden beoordeeld. De Provincie heeft Van Gelder vervolgens in de gelegenheid gesteld haar eenheidsprijzen te herzien, zonder het totaalbedrag aan te passen. De Provincie gaf daarbij niet aan welke specifieke posten zij als onredelijk had aangemerkt.

2.8. Bij brief van 11 maart 2010 heeft Van Gelder de Provincie bericht dat zij niet in staat was haar eenheidsprijzen te heroverwegen, indien de Provincie niet aangaf welke van de circa 2000 posten als onredelijk waren aangemerkt. Vervolgens heeft op 15 maart 2010 nogmaals een gesprek tussen Van Gelder en de Provincie plaatsgevonden. Bij brief van 16 maart 2010 heeft Van Gelder een nieuwe inschrijfstaat aan de Provincie toegezonden, waarin zij een aantal eenheidsprijzen had aangepast. In die brief heeft zij de Provincie tevens laten weten dat zij de inschrijfstaat niet verder kon aanpassen als de Provincie niet aangaf tegen welke prijzen bezwaar bestond.

2.9. De Provincie heeft bij brief van 26 maart 2010 haar standpunt hieromtrent toegelicht.

2.10. Bij brief van 4 mei 2010 heeft de Provincie Van Gelder laten weten dat zij haar inschrijving als ongeldig ter zijde had gelegd. Als toelichting op dat besluit deelde de Provincie onder meer het volgende mee:

(…)

Na nadere controle van de verrekenprijzen is gebleken dat uw eenheidsprijzen bij ruim 700 posten meer dan 30 % afwijken van de gemiddelde eenheidsprijzen van de overige inschrijvingen en de door de provincie opgestelde zorgvuldige raming en dus niet in redelijke, herleidbare verhouding staan tot de werkelijke kosten per gevraagde eenheid.

(…)

2.11. Van Gelder heeft de Provincie daarop bij brief van 14 mei 2010 verzocht aan te geven welke eenheidsprijzen niet redelijk en herleidbaar zouden zijn en deze beslissing concreet te motiveren. Voorts verzocht Van Gelder de Provincie bij die brief om toezending van door haar gehanteerde directieraming en vroeg zij haar bekend te maken aan wie zij voornemens was de opdracht te gunnen.

2.12. Bij brief van 18 mei 2010 heeft de Provincie daarop als volgt geantwoord.

(…)

De provincie is de mening toegedaan dat de motivering die zij gegeven heeft in de brief van 4 mei jongstleden voldoende duidelijk maakt waarom uw inschrijving volgens ons onaanvaardbaar is. Ook de basis waarop het oordeel tot stand is gekomen, is duidelijk omschreven volgens de provincie.

Om u toch meer inzage te geven in de posten waar uw eenheidsprijzen afwijken en de mate waarin, stuur ik u hierbij het rapport van het ingenieursbureau dat de second opinion heeft uitgevoerd. Deze second opinion is gebaseerd op de gemiddelde eenheidsprijzen van de inschrijvingen minus de hoogste en de laagste inschrijving. De afwijkingen in de inschrijving van aannemer D (Van Gelder) zijn uitgedrukt in percentages. Het betreft hier uitsluitend de posten met een afwijking van meer dan 30 %. De provincie is niet verplicht haar raming ter beschikking te stellen, maar u kunt ervan uitgaan dat deze zorgvuldig is opgesteld en elke toets kan doorstaan. Echter voor de afweging die geleid heeft tot het ongeldig verklaren van uw inschrijving, is het rapport van het door ons ingeschakelde ingenieursbureau van doorslaggevende betekenis geweest.

Verder geeft u aan dat de provincie verzuimd heeft de naam van de aannemer aan wie ze voornemens is te gunnen te noemen. Hoewel de provincie hiertoe niet verplicht is (het door u aangehaalde artikel 2.29.5 ARW 2005 ziet niet op ongeldige inschrijvingen), kan ik u meedelen dat de provincie voornemens is de opdracht aan Dura Vermeer Infrastructuur BV te gunnen.

(…)

Tevens liet de Provincie weten dat de Alcateltermijn werd verlengd tot en met 27 mei 2010.

2.13. Bij brief aan Van Gelder van 22 juni 2010 heeft de Provincie aangekondigd zich in dit kort geding primair te zullen beroepen op de ongeldigheid van de inschrijving van Van Gelder in verband met het aanvankelijk ontbreken van de omzetgegevens en de accountantsverklaring.

3. Het geschil

3.1. Van Gelder vordert dat de voorzieningenrechter de Provincie zal veroordelen het gunningsvoornemen ten gunste van Dura Vermeer in te trekken en de Provincie zal verbieden de opdracht te gunnen aan een ander dan Van Gelder, voor zover zij de opdracht wenst te gunnen, met veroordeling van de Provincie in de kosten van het geding.

3.2. De Provincie voert verweer.

3.3. Dura Vermeer vordert in het incident dat haar wordt toegestaan zich in de hoofdzaak te voegen aan de zijde van de Provincie.

3.4. Van Gelder en de Provincie hebben zich dienaangaande gerefereerd aan het oordeel van de voorzieningenrechter.

3.5. In de hoofdzaak vordert Dura Vermeer, samengevat, dat de voorzieningenrechter de vordering van Van Gelder zal afwijzen.

3.6. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. Het verzoek van Dura Vermeer om zich te mogen voegen aan de zijde van de Provincie - waartegen Van Gelder en de Provincie geen bezwaar hebben gemaakt - is ter zitting toegewezen, aangezien Dura Vermeer geacht kan worden belang te hebben bij voeging om benadeling van haar eigen rechten en rechtspositie te voorkomen en aangezien voorts het geding ten gevolge van de voeging niet nodeloos wordt vertraagd of nodeloos ingewikkeld wordt.

4.2. Van Gelder legt aan haar vordering ten grondslag dat de Provincie haar inschrijving ten onrechte als onaanvaardbaar heeft aangemerkt wegens onredelijke verrekenprijzen. Van Gelder stelt zich op het standpunt dat de Provincie de onaanvaardbaarheid van haar inschrijving niet heeft aangetoond, nu zij geen inzage wenst te geven in de directieraming. Voorts heeft de Provincie volgens Van Gelder haar beslissing onvoldoende gemotiveerd en heeft zij bij de beoordeling van de inschrijving van Van Gelder gehandeld in strijd met het transparantie- en zorgvuldigheidsbeginsel.

4.3. De Provincie heeft zich ter zitting primair op het standpunt gesteld dat Van Gelder in haar vordering niet-ontvankelijk dient te worden verklaard. Ter toelichting voert de Provincie het volgende aan. Bij de inschrijving van Van Gelder ontbraken aanvankelijk de in het bestek sub 3b gevraagde opgave van de omzet over de afgelopen drie boekjaren en de daarbij behorende accountantsverklaring. Op grond van het bepaalde in artikel 2.25.1 ARW 2005 is de inschrijving daardoor ongeldig. Volgens de Provincie is het ontbreken van de opgave van de omzet en de accountantsverklaring niet te beschouwen als een eenvoudig te herstellen gebrek en komt Van Gelder daarom geen beroep op het bepaalde in artikel 2.14.4, tweede volzin, ARW 2005 toe. Weliswaar heeft de Provincie Van Gelder aanvankelijk de gelegenheid geboden het geconstateerde gebrek te herstellen, maar de Provincie meent dat zij Van Gelder die herstelmogelijkheid niet had mogen bieden. Aangezien Van Gelder een ongeldige inschrijving heeft ingediend is zij geen partij meer bij de aanbesteding. Dit brengt met zich, aldus de Provincie, dat Van Gelder in haar vordering niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

4.4. De voorzieningenrechter volgt de Provincie niet in dit betoog. Daarvoor is het volgende redengevend. Ondernemingen die inschrijven op aanbestedingen als de onderhavige worden door de, door de Provincie ingestelde, Eenheid Screening en Bewakingsaanpak (hierna: SBA) onderzocht op integriteit en financieel-economische stabiliteit. In verband daarmee werd in deze aanbesteding van de inschrijvers verlangd dat zij de bijlage bij het bestek “Vragenformulier bij aanbesteding Eenheid SBA” invulden. Dat vragenformulier moest, met diverse bijlagen, in een afzonderlijke envelop worden ingeleverd. In dit vragenformulier wordt onder meer gevraagd om als bijlagen een opgave van de omzetcijfers over de afgelopen drie boekjaren en de daarbij behorende accountantsverklaring mee te sturen. Voor de inschrijvers die aan eerdere aanbestedingen hebben deelgenomen en de desbetreffende gegevens al eerder aan de Provincie hebben toegezonden, bestaat de mogelijkheid om op het vragenformulier aan te kruisen dat de gevraagde bescheiden zich al in het dossier van de Eenheid SBA van de betrokken onderneming bevinden. Aangezien de Provincie in het kader van eerdere aanbestedingen al over de gevraagde omzetcijfers en accountantsverklaring van Van Gelder beschikt, heeft Van Gelder op het vragenformulier aangegeven dat die bescheiden al in het bezit van de Eenheid SBA zijn.

4.5. In sub 3 van het bestek, onder ‘Samenstelling van de stukken’, is bepaald: (…) Uw inschrijving dient te bestaan uit twee aparte, gesloten enveloppen. In envelop 1 dient het inschrijvingsbiljet met (bewijs)stukken te zijn gesloten met uitzondering van de bewijsstukken genoemd in “sub 3c” en “sub 3d” en het genoemde in paragraaf “sub 3 k”. In envelop 2 dient het genoemde in “sub 3k” te zijn gesloten. (…) Het genoemde in sub 3k is het vragenformulier bij aanbesteding Eenheid SBA. De Provincie verlangt dus van inschrijvers dat zij de omzetgegevens en accountantsverklaringen zowel in envelop 1 sluiten, alsook bij het vragenformulier bij aanbesteding Eenheid SBA in envelop 2 voegen, met dien verstande dat inschrijvers die die stukken al eerder hebben toegezonden ze niet nogmaals bij het vragenformulier hoeven te voegen, maar daarop kunnen aangeven dat de stukken al in het dossier bij de Eenheid SBA zijn.

4.6. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter kan aan Van Gelder niet worden tegengeworpen dat zij niet heeft begrepen dat zij haar omzetgegevens en de accountantsverklaringen, waar de Provincie al over beschikte, bij de inschrijvingsbescheiden in envelop 1 moesten voegen, terwijl zij op het vragenformulier SBA kon aangeven dat die bescheiden al in het bezit waren van de Eenheid SBA.

4.7. Voorts is de voorzieningenrechter van oordeel dat niet valt in te zien dat aan Van Gelder in dit verband geen beroep op het bepaalde in artikel 2.14.4, tweede volzin, ARW 2005 toekomt. Die regeling heeft betrekking op alle bewijsstukken bedoeld in de artikelen 2.7 tot en met 2.13 ARW 2005. De enige beperking die het artikel stelt is dat het moet gaan om een gebrek dat eenvoudig te herstellen is. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter zijn er onvoldoende aanknopingspunten om aan te nemen dat deze regeling, zoals de Provincie stelt, niet geldt indien bewijsstukken ontbreken.

4.8. In dit geval betreft het gebrek het abusievelijk niet indienen van bewijsstukken, hetgeen mogelijk een gevolg is van het feit dat het bestek op dit punt niet erg duidelijk is. Die stukken waren ten tijde van de inschrijving beschikbaar en de inhoud ervan staat vast en was al bij de Provincie bekend. Tegen die achtergrond is de voorzieningenrechter van oordeel dat de Provincie Van Gelder terecht de mogelijkheid heeft geboden het gebrek in haar inschrijving te herstellen. Doordat Van Gelder de gelegenheid is geboden de stukken alsnog in te dienen is de mededinging op geen enkele wijze beïnvloed. Ook is niet gebleken van strijd met het gelijkheidsbeginsel. Dit betekent dat er geen gronden zijn om de inschrijving van Van Gelder ongeldig te achten. Het beroep van de Provincie op niet-ontvankelijkheid van Van Gelder wordt daarom verworpen.

4.9. Ten aanzien van de bezwaren van Van Gelder tegen de beslissing van de Provincie om haar inschrijving als onaanvaardbaar ter zijde te leggen, overweegt de voorzieningenrechter voorts als volgt.

4.10. Van Gelder stelt dat de Provincie de onaanvaardbaarheid van haar inschrijving niet heeft aangetoond nu zij geen directieraming heeft, althans die niet bekend wil maken. Van Gelder stelt zich op het standpunt dat de prijzen die zij heeft geboden marktconform zijn en in een redelijke en herleidbare verhouding staan tot de werkelijke kosten. Nu de Provincie hierover een andere mening is toegedaan, draagt zij de bewijslast van de vermeende onredelijkheid van de verrekenprijzen. De Provincie dient de beweerde onaanvaardbaarheid van de inschrijving van de hand van een eigen zorgvuldige en vooraf opgestelde raming aan te tonen. Daartoe dient zij inzage te verlenen in de directieraming. Ook het transparantiebeginsel, dat centraal staat in het aanbestedingsrecht, brengt volgens Van Gelder met zich dat de Provincie haar inzicht moet geven in de inhoud van de door haar gehanteerde raming en moet aangeven hoe die raming is opgebouwd, om haar in staat te stellen de beoordeling van de Provincie te controleren. De Provincie kon, aldus nog steeds Van Gelder, niet volstaan met inzage te geven in de analyse van Ingenieursbureau BK (hierna: BK) dat de inschrijvingen voor de Provincie nader heeft bekeken, aangezien die analyse achteraf en in opdracht van de Provincie is tot stand gekomen.

4.11. Van Gelder kan in dit betoog niet worden gevolgd. De Provincie heeft in het bestek aangekondigd dat een toetsing van de verrekenprijzen op redelijkheid en herleidbaarheid kan plaatsvinden door een onafhankelijke kostendeskundige. Indien Van Gelder daar bezwaar tegen had, had het op haar weg gelegen dat tijdig kenbaar te maken. De Provincie heeft de inschrijfstaat van Van Gelder laten beoordelen door BK. BK heeft berekend dat Van Gelder voor een groot aantal besteksposten prijzen heeft geboden die aanzienlijk hoger waren dan de gemiddeld geboden prijzen. De Provincie heeft de analyse van BK aan Van Gelder verstrekt. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft de Provincie Van Gelder daarmee voldoende in de gelegenheid gesteld om te bezien hoe de Provincie tot haar conclusie is gekomen. De Provincie is niet gehouden om Van Gelder daarnaast ook inzage te geven in haar directieraming. Het is begrijpelijk dat de Provincie omwille van een “level playing field” bij toekomstige aanbestedingen niet tot afgifte van haar raming wenst over te gaan, aangezien zij Van Gelder daarmee informatie zou verschaffen over de door de Provincie geraamde prijzen voor een groot aantal besteksposten. Met die wetenschap zou Van Gelder bij toekomstige aanbestedingen een onaanvaardbare kennisvoorsprong hebben op andere gegadigden.

4.12. Van Gelder voert voorts aan dat de Provincie haar beslissing ontoereikend heeft gemotiveerd. Volgens Van Gelder heeft de Provincie de maatstaf die zij bij het toetsen van de verrekenprijzen heeft gehanteerd niet vooraf bekend gemaakt en wijkt die maatstaf af van het bestek. Volgens het bestek zou moeten worden getoetst aan de werkelijke kosten, op basis van de directieraming. Getoetst is echter op basis van een vergelijking met de overige geboden prijzen. BK heeft volgens Van Gelder een ondeugdelijke methodiek gebruikt om de verrekenprijzen te toetsen. De gemiddeld geboden prijzen, die BK als uitgangspunt heeft genomen, zijn immers niet maatgevend voor de redelijkheid van de prijzen van Van Gelder. Tenslotte heeft de Provincie de inschrijving van Van Gelder terzijde gelegd op basis van een mathematisch uitsluitingscriterium, hetgeen niet toelaatbaar is.

4.13. Ook hierin volgt de voorzieningenrechter Van Gelder niet. De Provincie heeft, zoals hiervoor al werd overwogen, in het bestek aangekondigd dat de geboden verrekenprijzen op redelijkheid en herleidbaarheid konden worden getoetst door een extern deskundige. Dat de door BK gevolgde methodiek ondeugdelijk zou zijn is vooralsnog niet aannemelijk geworden. BK heeft uit de zeven inschrijvingen per post steeds de hoogste en de laagste geboden prijs buiten beschouwing gelaten en op basis van de vijf resterende aanbiedingen de gemiddeld geboden prijs berekend. Dat gemiddelde is als uitgangspunt genomen om de geboden prijzen op redelijkheid te toetsen. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter valt niet in te zien waarom deze methode niet geschikt zou zijn om inzicht te krijgen in de werkelijke kosten per bestekspost. BK heeft vervolgens de posten waarbij de door Van Gelder geboden prijs 30 % of meer boven dat gemiddelde lag in een overzicht gezet. Uit dat overzicht is gebleken dat 350 van de 2526 door Van Gelder geboden prijzen 30 % of meer boven de gemiddeld geboden prijs lagen, waarvan er 35 meer dan 1000 % hoger waren dan het gemiddelde. Het verwijt dat de Provincie hiermee een mathematisch uitsluitingscriterium zou hebben toegepast gaat niet op. De Provincie heeft de bandbreedte van 30 % ten opzichte van de gemiddeld geboden prijs slechts gehanteerd als indicator voor onredelijkheid. Van Gelder heeft er nog op gewezen dat zij weliswaar, mogelijk, voor enkele besteksposten een relatief hoge prijs heeft geboden, maar dat zij anderzijds op een groot aantal besteksposten een zeer scherpe prijs heeft geoffreerd, hetgeen blijkt uit het feit dat zij verreweg de laagste inschrijving heeft gedaan. Dit kan zo zijn, maar het neemt niet weg dat uit het bestek volgt dat de geboden verrekenprijzen elk afzonderlijk op redelijkheid worden getoetst.

4.14. Van Gelder stelt dat de eis dat verrekenprijzen in een redelijke en herleidbare verhouding tot de werkelijke kosten dienen te staan, weinig transparant is en de aanbesteder een zekere beoordelingsvrijheid geeft. Daarom dient de redelijkheid van de verrekenprijzen op zorgvuldige en transparante wijze te worden getoetst. Volgens Van Gelder is daarvan in dit geval geen sprake geweest, aangezien de Provincie haar niet, alvorens haar inschrijving ter zijde te leggen, inzichtelijk heeft gemaakt welke door haar opgegeven prijzen om welke redenen niet redelijk zouden zijn. De Provincie heeft hiermee, aldus nog steeds Van Gelder, het transparantie- en zorgvuldigheidsbeginsel geschonden.

4.15. Voor zover Van Gelder er in dit verband over klaagt dat de Provincie niet heeft aangegeven welke besteksposten dienden te worden aangepast geldt dat de omstandigheid dat de Provincie Van Gelder door analoge toepassing van artikel 01.01.04 lid 03 van de Standaard 2005 de gelegenheid heeft geboden haar prijzen aan te passen, nog niet met zich brengt dat de Provincie ook gehouden was haar op de voet van dat artikel te laten weten tegen welke prijzen bezwaar bestond.

4.16. Voorts geldt ook hier dat het op de weg van Van Gelder had gelegen om over eventuele onduidelijkheden in het bestek tijdig inlichtingen te vragen of daartegen bezwaar te maken. Van Gelder stelt terecht dat inschrijvers recht hebben op een adequate motivering van de afwijzing van hun inschrijving. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft de Provincie Van Gelder door toezending van de analyse van BK voldoende in staat gesteld haar conclusie betreffende de onredelijkheid van de geboden verrekenprijzen inhoudelijk te beoordelen.

4.17. De conclusie van al het voorgaande is dat de gevraagde voorzieningen zullen worden geweigerd. Van Gelder zal als de in het ongelijk te stellen partij in de proceskosten van de Provincie en (gezien het onder 4.1 overwogene) van Dura Vermeer worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van de Provincie en aan de zijde van Dura Vermeer worden voor elk van hen begroot op:

- vast recht EUR 263,00

- salaris advocaat 816,00

Totaal EUR 1.079,00

5. De beslissing

De voorzieningenrechter

5.1. weigert de gevraagde voorzieningen,

5.2. veroordeelt Van Gelder in de kosten van het geding, aan de zijde van de Provincie tot op heden begroot op EUR 1.079,00,

5.3. veroordeelt Van Gelder in de kosten van het geding aan de zijde van Dura Vermeer tot op heden begroot op EUR 1.079,00,

5.4. verklaart dit vonnis wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.J. van der Meer en in het openbaar uitgesproken op 22 juli 2010.?