Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2010:BN5627

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
31-08-2010
Datum publicatie
31-08-2010
Zaaknummer
15/800549-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Mensensmokkel, ontvankelijkheid Openbaar Ministerie, artikel 37e SV ambtshalve verrichten door de RC van onderzoekshandelingen tijdens de VH, vormverzuim 359a Sv, onderzoek aan inbeslaggenomen voorwerpen HR 29 maart 1994; NJ 1994, 577.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector Strafrecht

Locatie Schiphol

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/800549-10

Uitspraakdatum: 23 augustus 2010

Tegenspraak

Strafvonnis

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 9 augustus 2010 in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] (Maleisië),

zonder vaste woon of verblijfplaats hier te lande,

thans gedetineerd in [detentieadres].

1. Tenlastelegging

Aan verdachte is tenlastegelegd dat:

zij in of omstreeks de periode van 13 april tot en met 28 april 2010 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, en/of in Osaka (Japan) en/of in Bangkok (Thailand) en/of in Muscat (Oman) en/of in Bahrein, drie personen, te w[getuige][persoon 1] en [persoon 2] en [persoon 3], behulpzaam is geweest bij het verschaffen van toegang tot of doorreis door Nederland en/of een andere lidstaat van de Europese Unie en/of IJsland en/of Noorwegen en/of een staat die is toegetreden tot het op 15 november 2000 te New York totstandgekomen Protocol tegen de smokkel van migranten over land, over de zee en in de lucht, tot aanvulling van het op 15 november 2000 te New York totstandgekomen Verdrag tegen transnationale georganiseerde misdaad, terwijl zij, verdachte, wist of ernstige redenen had te vermoeden dat die toegang of die doorreis wederrechtelijk was, immers heeft zij, verdachte,

- die [persoon 1] en [persoon 2] en [persoon 3] begeleid op de reis van Osaka (via Bangkok, Muscat, Bahrain) naar Schiphol (in ieder geval op de reis van Bahrain naar Schiphol op 28 april 2010) en/of

- die [persoon 1] en [persoon 2] en [persoon 3] begeleid op de luchthaven Schiphol en/of

- namens die [persoon 1] en [persoon 2] en [persoon 3] reisdocumenten (te weten Japanse paspoorten op naam van [persoon 1, 2 en 3]) overhandigd bij de controle op de luchthaven Schiphol;

2. Voorvragen

2.1 Geldigheid dagvaarding en bevoegdheid rechtbank

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is en dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak.

2.2 Ontvankelijkheid van het openbaar ministerie

De raadsman van verdachte heeft betoogd dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard nu -aldus de raadsman- zich een patroon van onzorgvuldig optreden van politie en justitie en de rechter-commissaris heeft voorgedaan, waardoor de beginselen van een behoorlijke procesorde onherstelbaar zijn geschonden. De rechtbank zal de door de raadsman aan dit betoog ten grondslag gelegde argumenten hieronder puntsgewijs bespreken.

1. De raadsman stelt zich op het standpunt dat bij gebreke aan een verdenking als bedoeld in artikel 27 van het Wetboek van Strafvordering (hierna: Sv), het de Koninklijke Marechaussee aan een wettelijke basis ontbrak om verdachte naar haar legitimatie te vragen. Voorts voert de raadsman in dat kader aan dat de KLM medewerker niet bevoegd was zonder toestemming van verdachte haar paspoort te kopiëren en door te sturen naar de Koninklijke Marechaussee. Door dit wel te doen, heeft de KLM medewerker onrechtmatig gehandeld. Het gebruiken van de kopie van het paspoort en de daarop volgende aanhouding van verdachte is daarmee onrechtmatig en levert een onherstelbaar vormverzuim op, aldus de raadsman.

De rechtbank overweegt als volgt.

Vooropgesteld moet worden dat KLM medewerkers geen onder verantwoordelijkheid van het Openbaar Ministerie en de Koninklijke Marechaussee werkzame personen zijn en dat daarom, in aanmerking genomen dat niet is gesteld of gebleken dat zij in opdracht van medewerkers van de Koninklijke Marechaussee hebben gehandeld, hun handelen (te weten het maken van een kopie van de paspoorten en het ter beschikking stellen daarvan aan de Koninklijke Marechaussee) indien en voor zover dit al onrechtmatig zou zijn, niet aan de voor de opsporing van strafbare feiten onder verantwoordelijkheid van de officier van justitie opererende Koninklijke Marechaussee kan worden tegen geworpen. Daarenboven heeft de raadsman met dit verweer -kennelijk- geen acht geslagen op de wettelijke verplichting van de luchtvaartmaatschappij om op basis van artikel 4 Vreemdelingenwet jo artikel 2.2 Vreemdelingenbesluit afschrift te nemen van het op een vreemdeling betrekking hebbende document voor grensoverschrijding. De KLM medewerker heeft derhalve ook niet onrechtmatig gehandeld. Tot slot miskent de raadsman met zijn verweer dat ambtenaren van de Koninklijke Marechaussee op basis van het bepaalde in artikel 6, lid 1, onder f van de Politiewet en artikel 46 van de Vreemdelingenwet jo artikel 4.5 en artikel 4.7 van het Vreemdelingenbesluit bevoegd zijn eenieder -zonder dat er sprake is van enige verdenking- in het kader van de grensbewaking naar reis- of identiteitspapieren te vragen.

2. De raadsman heeft voorts betoogd dat bij gebrek aan ernstige bezwaren, die uit een dossier zouden moeten blijken, de aanhouding ter zake van artikel 197a van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr) onrechtmatig is geweest. Daarnaast is volgens de raadsman sprake van onherstelbare vormverzuimen, nu verdachte niet is meegedeeld voor welk strafbaar feit zij werd aangehouden.

De rechtbank overweegt hierover als volgt.

Een verdachte mag, ook buiten heterdaad, reeds op basis van een uit feiten of omstandigheden voortvloeiend redelijke vermoeden van schuld aangehouden worden. Van zogenoemde ‘ernstige bezwaren’ hoeft op dat moment nog geen sprake te zijn. De raadsman miskent met zijn verweer bovendien dat uit de wet noch jurisprudentie het voorschrift voortvloeit dat al op het moment van de aanhouding een dossier gereed en ter toetsing beschikbaar dient te zijn. Anders dan de raadsman meent, blijkt voorts uit het proces-verbaal van verhoor van verdachte voorafgaand aan haar inverzekeringstelling ter zake van artikel 197a Sr dat zij wel degelijk van de feiten en omstandigheden die hebben geleid tot haar aanhouding en inverzekeringstelling ter zake van art. 197a Sr op de hoogte is gebracht. Ook in dit opzicht is derhalve niet van onrechtmatig handelen of een vormverzuim sprake.

3. De raadsman heeft verder aangevoerd dat de rechter-commissaris bij gebreke aan een dossier ter zake van artikel 197a Sr de rechtmatigheid van de inverzekeringstelling niet had moeten toetsen en dat nu dit wel is gebeurd, de fundamentele rechten van de verdachte (zoals opgenomen in artikel 5 lid 4 en artikel 6 EVRM) zijn geschonden. De verdediging heeft immers bij gebreke aan een dossier tijdens de voorgeleiding niet effectief haar grieven kunnen aanvoeren met betrekking tot de gerezen verdenking, aldus de raadsman.

Dienaangaande geldt als volgt.

Op grond van de blijkens de stukken van het dossier voorafgaand aan de toetsing van de rechtmatigheid van de inverzekeringstelling aan de rechter-commissaris ter beschikking gestelde stukken (die kennelijk ook ter beschikking van de (toenmalig) raadsvrouw van verdachte waren gesteld), beschikte de rechter-commissaris over voldoende informatie om de rechtmatigheid van de inverzekeringstelling genoegzaam te kunnen onderzoeken. De stelling van de raadsman dat voor de toetsing van de rechtmatigheid van de inverzekeringstelling een op artikel 197a Sr toegespitst dossier beschikbaar moet zijn, vindt geen steun in het recht.

4. Voorts heeft de raadsman betoogd dat de rechter-commissaris bij de voorgeleiding van verdachte niet bevoegd was op de voet van artikel 36e Sv ambtshalve te besluiten de medeverdachten als getuigen te horen, nu verdachte zich op dat moment (nog) niet in voorlopige hechtenis bevond.

De rechtbank overweegt als volgt.

Krachtens het bepaalde in artikel 36e, eerste lid, Sv kan, zolang de verdachte zich in voorlopige hechtenis bevindt, de rechter-commissaris ambtshalve bepaalde handelingen van onderzoek verrichten ten aanzien van het feit waarvoor de voorlopige hechtenis is bevolen. Daarvan is in het onderhavige geval sprake: de bewaring is immers op 3 mei 2010 bevolen en de op grond van artikel 36e Sv door de rechter-commissaris te verrichten onderzoekshandelingen (te weten de verhoren van de getuigen [1, 2 en 3]) hebben plaats gevonden op 12 mei 2010 en daarmee toen verdachte zich in voorlopige hechtenis bevond. De omstandigheid dat de rechter-commissaris bij beschikking van 3 mei 2010 heeft aangekondigd de onderzoekshandelingen te zullen gaan verrichten, doet daar niet aan af. Ook dit betoog van de raadsman treft derhalve geen doel.

5. Volgens de raadsman is verder sprake van een vormverzuim als bedoeld in artikel 359a Sv, omdat de inverzekeringstelling van verdachte in strijd met vaste jurisprudentie (zoals geformuleerd in NJ 2004, 70) reeds voor een tweede termijn is verlengd, terwijl verdachte op dat moment nog niet voor de rechter-commissaris was geleid.

De rechtbank overweegt dienaangaande als volgt.

Mede in het licht van door de raadsman genoemde jurisprudentie, valt niet in te zien op welke wijze verdachte in haar belangen zou zijn geschaad. Indien de toetsing van de rechtmatigheid van de inverzekeringstelling plaatsvindt na de verlenging van de inverzekeringstelling, maar uiterlijk binnen 3 dagen en 15 uren na de aanhouding en de rechter-commissaris oordeelt dat de inverzekeringstelling rechtmatig is, is de inverzekeringstelling (inclusief de verlenging ervan) in overeenstemming met het recht en is geen rechtsbelang van de verdachte geschonden. Zoals uit de stukken van het dossier blijkt, is verdachte op 29 april 2009 om 12.21 uur aangehouden en reeds op 29 april 2010 om 14.01 uur voor de rechter-commissaris geleid ter toetsing van de rechtmatigheid van de inverzekeringstelling. Daarmee kan niet worden volgehouden dat van een vormverzuim sprake is, dan wel dat enig rechtens te respecteren belang van verdachte is geschonden.

6. Het bevel verlenging inverzekeringstelling is voorts volgens de raadsman in strijd met het bepaalde in aanwijzing 2009AO12 van het College van Procureurs Generaal gegeven door een hulpofficier, zodat daarmee een vormverzuim is ontstaan zoals bedoeld in artikel 359a van het Wetboek van Strafvordering.

Dit betoog van de raadsman slaat evenwel geen acht op de inhoud van het bedoelde bevel verlenging inverzekeringstelling, waaruit blijkt dat het bevel is gegeven door de officier van justitie en slechts werd ondertekend door een hulpofficier. Deze mogelijkheid is op basis van artikel 59 lid 1 Sv door de wetgever nadrukkelijk geboden.

7. Tot slot heeft de raadsman nog betoogd dat nu de onder verdachte in beslag genomen digitale gegevendragers zonder bevel of vordering van de officier van justitie zijn uitgelezen, onrechtmatig is gehandeld. Aldus is immers verdachtes recht op (de eerbiediging van) het briefgeheim geschonden, aldus de raadsman.

Dit betoog faalt eveneens. De raadsman miskent met zijn verweer immers dat de betreffende gegevendragers op de voet van artikel 95 Sv in beslag genomen zijn en dat blijkens de jurisprudentie van de Hoge Raad (in het bijzonder HR 29 maart 1994; NJ 1994, 577) ‘voor waarheidsvinding onderzoek mag worden gedaan aan inbeslaggenomen voorwerpen teneinde gegevens voor het strafrechtelijk onderzoek ter beschikking te krijgen’. Uit de aard van de aldus rechtmatig verkregen gegevens, die in het dossier zijn opgenomen, noch uit de gegevendragers, is de rechtbank voorts gebleken dat een briefgeheim zou zijn geschonden.

Gelet op het voorgaande is van onzorgvuldig optreden van politie en justitie en de rechter-commissaris, laat staan van een patroon daarvan, niet gebleken. Niet kan dan ook worden gezegd dat in dezen de beginselen van een behoorlijke procesorde onherstelbaar zijn geschonden. Het verweer van de raadsman dat het openbaar ministerie niet-ontvankelijk verklaard zou moeten worden, treft daarom geen doel. De rechtbank acht het openbaar ministerie ontvankelijk in haar vervolging.

2.3 Redenen voor schorsing van de vervolging

Er zijn geen redenen voor schorsing van de vervolging.

3. Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit en gevorderd dat verdachte ter zake zal worden veroordeeld tot 22 maanden gevangenisstraf, met aftrek van de tijd die zij reeds voor dit feit in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht. Met betrekking tot het beslag heeft de officier van justitie gevorderd dat het vervalste paspoort van Japan wordt onttrokken aan het verkeer en al het overige, met inbegrip van het geld, wordt verbeurdverklaard.

4. Bewijs

4.1 Bewijsverweer

De raadsman heeft subsidiair ten aanzien van zijn hiervoor onder 2.2 onder punt 1, 2, 4 en 7 weergegeven betoog, aangevoerd dat de ten gevolge van dit onrechtmatige handelen jegens verdachte verkregen informatie en de vruchten daarvan op grond van het bepaalde in artikel 359a Sv dienen te worden uitgesloten van het bewijs. Nu echter, zoals hiervoor onder 2.2 reeds is overwogen, van onrechtmatig handelen jegens verdachte niet is gebleken, kan dit verweer niet slagen.

4.2. Redengevende feiten en omstandigheden (1)

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit op grond van de navolgende bewijsmiddelen:

Naar aanleiding van een melding van de luchtvaartmaatschappij KLM wordt op 28 april 2010 op de luchthaven Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, aan de gate van vlucht KL443 uit Bahrein een grenscontrole uitgevoerd. Verbalisanten zien daarbij een persoon gelijkend op de persoon afgebeeld op (één van) de aan hen door de KLM verstrekte paspoortkopieën, te weten verdachte, van boord komen. Nadat één van de verbalisanten aan verdachte had gevraagd zich te legitimeren, pakt zij een stapeltje paspoorten uit haar handtas en overhandigt zij deze aan één van de verbalisanten. Dit betroffen een viertal Japanse paspoorten. Op het moment van overhandigen komen drie Aziatische personen van boord die door verdachte worden gewenkt om zich bij haar te voegen. Dit wordt door deze personen gedaan. Tijdens de controle voert verdachte namens het viertal het woord(2). Onderzoek aan de door verdachte overhandigde Japanse paspoorten wijst uit dat het paspoort met daarin een op verdachte gelijkende foto op naam is gesteld van [een persoon], alsmede dat de andere drie Japanse pa[persoon 1]aa[persoon 2]pers[persoon 3]. Tevens is verdachte in het bezit van een op haar naam gesteld Maleisisch paspoort en van een viertal instapkaarten voor de vlucht KL1665 naar Barcelona. Deze instapkaarten staan op naam gesteld van de personen genoemd in voornoemde Japanse paspoorten. Bij de drie medereizigers van verdachte worden Chinese paspoorten aangetroffen, met daarin op die personen gelijkende foto’s(3). De persoon zich noemende [persoon 1] blijkt in bezit te zijn van een onvervalst Chinees paspoort op naam van [een persoon], de persoon zich noemende [persoon 2] blijkt in bezit te zijn van een onvervalst Chinees paspoort op naam van [een persoon] en de persoon zich noemende [persoon 3] blijkt in bezit te zijn van een onvervalst Chinees paspoort op naam van [een persoon](4). Nader onderzoek aan de vier Japanse paspoorten wijst uit dat deze paspoorten zijn vervalst(5).

Uit onderzoek naar aangetroffen vliegtickets blijkt dat deze vliegtickets geldig zijn voor de routes a. Osaka (Japan) – Bangkok op 13 april 2010, b. Bangkok – Muscat – Bahrein op eveneens 13 april 2010 en c. Bahrein - Amsterdam – Barcelona op 27 april 2010. De vliegtickets voor de route Osaka – Bangkok en voor de route Bangkok – Muscat – Bahrein zijn opeenvolgend genummerd en voorzien van een gelijkluidend PNR (reservering) nummer(6). Uit onderzoek naar de in- en uitreisstempels in de paspoorten blijkt dat verdachte en haar drie medereizigers met hun onvervalste paspoorten op 13 april 2010 Thailand uit reizen en met de vervalste Japanse paspoorten op 13 april 2010 Bahrein in reizen(7). Daarbij is in Muscat een tussenstop gemaakt, waarbij verdachte en haar medereizigers het vliegtuig hebben verlaten en op de luchthaven zijn geweest(8). Op 27 april 2010 zijn verdachte en haar medereizigers Bahrein uitgereisd. Daarbij hebben zij opnieuw gebruik gemaakt van de vervalste Japanse paspoorten(9).

Verdachte verklaart dat zij wist dat de Japanse paspoorten van [3 personen] voornoemd, vals waren en dat deze personen de Chinese nationaliteit hebben. Omdat deze personen geen Engels spreken, moesten zij verdachte onderweg volgen en naar haar aanwijzingen luisteren. Aan de autoriteiten in Bahrein heeft verdachte bij aankomst aldaar de vier valse Japanse paspoorten, de vliegtickets en het adres van het hotel overhandigd. Van alle uitgaven van het reisgezelschap onderweg maakt verdachte aantekeningen, om zo bij te houden wat er wordt uitgegeven. Gevieren reisden zij in Bahrein van het hotel met de taxi naar de luchthaven en aldaar overhandigde verdachte opnieuw de vier valse Japanse paspoorten en de vliegtickets aan de autoriteiten en desgevraagd liet zij daar de hotelreservering zien voor het reisgezelschap in Barcelona(10). Verdachte verklaart ter terechtzitting dat zij niet met de door haar begeleide personen op 13 april 2010 vanuit Osaka in Japan naar Thailand is gereisd.

[3 personen] verklaren ieder geld te hebben betaald voor de reis en het valse paspoort. Zij werden onderweg door verdachte begeleid omdat zij Engels spreekt. De valse paspoorten gaven zij aan haar, zodat verdachte kon helpen bij de grenscontrole(11).

Over de reden van haar hulp aan en begeleiding van [3 personen] tijdens de reis verklaart verdachte wisselend en tegenstrijdig. Aanvankelijk zou zij de anderen louter toevallig hebben ontmoet in een internetcafé en zou zij zelfstandig op reis zijn om werk te zoeken(12). Later verklaart verdachte dat zij gedwongen wordt mensen te smokkelen door een persoon aan wie zij veel geld schuldig is. Zij verklaart over de ‘modus operandi’, namelijk dat zij voorafgaand een reis een vals paspoort ontvangt en op reis gaat met een aantal Chinezen(13). Ter terechtzitting verklaart verdachte in haar eentje van Thailand naar Amsterdam te zijn gereisd. Op het vliegveld van Bahrein heeft zij [3 personen] geholpen bij de grenscontrole, alwaar zij hen voor het eerst heeft ontmoet. Ook heeft zij in hetzelfde hotel als hen verbleven in Bahrein, tussen 13 april 2010 en 27 april 2010, maar slechts bij toeval stonden [3 personen] opnieuw achter haar toe zij incheckte voor de vlucht (via Amsterdam) naar Barcelona. Wanneer verdachte haar eerdere verklaring wordt voorgehouden dat zij gedwongen zou zijn Chinezen te smokkelen naar Europa, beroept verdachte zich op haar zwijgrecht.

Uit het vorenstaande volgt dat – wat er ook zij van de reden die ten grondslag heeft gelegen aan de begeleiding van de door haar begeleide Chinezen - verdachte, terwijl zij wist dat de Japanse paspoorten van haar reisgenoten (net zoals het hare) vervalst waren en zij zodoende wist dat de doorreis door en de toegang tot Oman, Bahrein en Nederland met gebruik van deze paspoorten voor hen wederrechtelijk was, deze personen behulpzaam is geweest bij het verschaffen van toegang tot en de doorreis door Oman en Bahrein en het verschaffen van toegang tot Nederland, door deze personen op de reis van Bangkok naar Nederland te begeleiden en op de luchthaven Schiphol bij de paspoortcontrole de van hun foto voorziene valse Japanse paspoorten ter controle te overhandigen. Aldus heeft verdachte zich -kort gezegd- schuldig gemaakt aan de smokkel van drie personen via Oman en Bahrein naar Nederland.

4.3 Bewezenverklaring

Gelet op het bovenstaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, in dier voege dat:

zij in de periode van 13 april tot en met 28 april 2010 te Bangkok, Thailand, en Muscat, Oman, en Bahrein en te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, drie personen, te weten [persoo[persoon 3]] behulpzaam is geweest bij het verschaffen van toegang tot en doorreis door een staat die is toegetreden tot het op 15 november 2000 te New York totstandgekomen Protocol tegen de smokkel van migranten over land, over de zee en in de lucht, tot aanvulling van het op 15 november 2000 te New York tot stand gekomen Verdrag tegen transnationale georganiseerde misdaad en behulpzaam is geweest bij het verschaffen van toegang tot Nederland, terwijl verdachte wist dat die doorreis en die toegang wederrechtelijk waren, immers heeft verdachte,

- die [persoon 1, 2 en 3] begeleid op de reis van Bangkok via Muscat en Bahrein naar Schiphol en

- die [persoon 1, 2 en 3] begeleid op de luchthaven Schiphol en

- namens die [persoon 1, 2 en 3] reisdocumenten, te weten Japanse paspoorten op naam van [persoon 1, 2 en 3], overhandigd bij de controle op de luchthaven Schiphol.

Voorzover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, leest de rechtbank de tenlastelegging verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in haar verdediging.

Hetgeen aan verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

5. Strafbaarheid van het feit

Het bewezenverklaarde levert op:

Mensensmokkel, meermalen gepleegd.

6. Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dus strafbaar.

7. Motivering van de sancties

7.1 De hoofdstraf

Bij de beslissing over de hoofdstraf die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van verdachte zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het navolgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich -kort gezegd- schuldig gemaakt aan mensensmokkel. Daartoe heeft zij drie personen van Chinese nationaliteit, aan wie de toegang tot en de doorreis door Oman en Bahrein en de toegang tot Nederland niet was toegestaan, begeleid door met hen vanuit Thailand, via Muscat in Oman en Bahrein naar Nederland te reizen, hen op de luchthavens aanwijzingen te geven, gedurende twee weken met hen in een hotel te verblijven en telkens met hen de grensposten te passeren. Daarbij werd door verdachte en de gesmokkelde personen gebruik gemaakt van vervalste Japanse paspoorten die verdachte telkens -waar nodig- bij de autoriteiten ter controle aanbood en waarbij verdachte de door die autoriteiten gestelde vragen mede namens hen, beantwoordde. Aldus is zij behulpzaam geweest in het verschaffen van toegang tot- en doorreis door voornoemde landen. Alle drie de gesmokkelde personen met wie verdachte behoudens haar contacten in het kader van deze mensensmokkel geen enkele binding had, hadden voor hun reis een aanzienlijke som geld betaald.

Mensensmokkel valt onder de categorie strafbare feiten die een ernstige inbreuk maakt op de rechtsorde. Die smokkel doorkruist niet alleen het overheidsbeleid inzake bestrijding van illegaal verblijf in en illegale toegang tot Nederland en andere Schengenlanden, maar draagt ook bij tot het in standhouden van een illegaal circuit, waardoor het maatschappelijk verkeer wordt of kan worden gefrustreerd en gecorrumpeerd, terwijl het draagvlak om de ‘echte’ asielzoekers, dat wil zeggen politieke vluchtelingen in de zin van de Conventie van Genève, ruimhartig op te vangen daardoor in ernstige mate wordt ondermijnd. Bij de beoordeling van de ernst van de feiten houdt de rechtbank er rekening mee dat niet alleen de gesmokkelde personen, maar ook verdachte bij de uitvoering van deze mensensmokkel gebruik maakten van vervalste reisdocumenten.

Gelet op deze omstandigheden is naar het oordeel slechts een onvoorwaardelijke vrijheidsbenemende straf op zijn plaats.

De raadsman heeft meer subsidiair met betrekking tot de hoogte van de op te leggen straf bepleit dat het onrechtmatig handelen jegens verdachte in het vooronderzoek tot strafvermindering zou moeten leiden. Zoals echter hiervoor onder 2.2 reeds is overwogen, is van enig onrechtmatig handelen jegens verdachte niet gebleken en is verdachte op geen enkele wijze in haar belangen geschaad. De rechtbank ziet derhalve geen reden om de straf die verdachte moet worden opgelegd te matigen.

De officier van justitie heeft een hogere straf geëist dan in het algemeen bij dit soort misdrijven wordt opgelegd vanwege het grote aandeel van verdachte in de smokkeloperatie. Dit grote aandeel van verdachte blijkt volgens de officier onder meer uit de actieve rol die zij gedurende ongeveer twee weken heeft gespeeld. Anders dan de officier van justitie ziet de rechtbank echter in de rol van verdachte zoals die uit de stukken van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting blijkt, geen grond om haar zwaarder te straffen dan de rechtbank voor vergelijkbare misdrijven doet. De rechtbank vindt de straf, die in vergelijkbare gevallen pleegt te worden opgelegd, passend en geboden. Noch in de omstandigheden van de onderhavige zaak, noch in de persoonlijke omstandigheden van verdachte vindt de rechtbank aanleiding om van deze straf af te wijken.

Op grond van al het vorenoverwogene is de rechtbank van oordeel dat een vrijheidsbenemende straf van na te noemen duur moet worden opgelegd.

7.2. Verbeurdverklaring

De rechtbank is van oordeel dat de onder verdachte in beslaggenomen en niet teruggegeven voorwerpen (daar ook onder te verstaan de voorwerpen op de beslaglijst op naam van een persoon zich noemende [een persoon], zijnde verdachte), te weten e-(vlieg)tickets, instapkaarten, documenten zonder foto alsmede eurobankbiljetten (met een waarde van in totaal € 300,-) en US dollar bankbiljetten (met een waarde van in totaal

$ 2.965,-) dienen te worden verbeurd verklaard. Uit het onderzoek op de terechtzitting is gebleken dat het bewezenverklaarde feit met behulp van die voorwerpen (daar onder begrepen het geld, dat aan verdachte toebehoort, is begaan of voorbereid.

Met betrekking tot dat geld overweegt de rechtbank dat dit geld, voor zover het –gelet op de verklaringen van de gesmokkelde personen omtrent de door hen voor hun reis betaalde geldbedrag- al niet een vergoeding is voor de door verdachte in het kader van deze mensensmokkel aan hen verleende diensten, in elk geval nodig is geweest om met die door haar begeleide personen deze reis te kunnen maken en om tijdens die reis in het levensonderhoud van haar en die door haar begeleide personen te kunnen voorzien.

7.3. Onttrekking aan het verkeer

Voorts is de rechtbank van oordeel dat het in beslaggenomen paspoort van Japan, dient te worden onttrokken aan het verkeer. Uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat het bewezenverklaarde feit met behulp van dat voorwerp, een vervalst paspoort, is begaan of voorbereid.

Het ongecontroleerde bezit van een vervalst paspoort is in strijd met de wet.

8. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

33, 33a, 36b, 36c, 36d, 57, 197a van het Wetboek van Strafrecht.

9. Beslissing

De rechtbank:

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 4.3. weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezenverklaarde feit de hierboven onder 5. vermelde strafbare feiten oplevert.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte wegens deze feiten tot een gevangenisstraf voor de duur van 18 maanden.

Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de thans opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Verklaart verbeurd:

(Beslaglijst verdachte op naam van Leong Teng)

1. Bankbiljet 2 stk a € 100,- (200 euro)

2. Bankbiljet 2 stk a € 50,- (100 euro)

3. E-ticket 1 stk

(Beslaglijst verdachte op naam vanYatsuzuka)

2. E-ticket

3. E-ticket

4. E-ticket

5. E-ticket

6. Instapkaart

7. Instapkaart

8. Instapkaart

9. Instapkaart

20. Instapkaart

21. Documenten zonder foto

22. Documenten zonder foto

23. Documenten zonder foto

24. Documenten zonder foto

28. Bankbiljet 6 stk a $ 1,- (6 US Dollar)

29. Bankbiljet 3 stk a $ 5,- (15 US Dollar)

30. Bankbiljet 2 stk a $ 20,- (40 US Dollar)

31. Bankbiljet 23 stk a $ 100,- (2300 US Dollar)

Onttrekt aan het verkeer:

1. Paspoort van Japan

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. R.E.A. Toeter, voorzitter,

mr. T.A.M. Tijhuis en mr. A.M.S.P. Evers-Ederveen, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. J.J. van Bree,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 23 augustus 2010.

De oudste rechter is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.

(1) De door de rechtbank in de voetnoten als proces-verbaal aangeduide bewijsmiddelen zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door personen die daartoe bevoegd zijn en voldoen ook overigens aan de daaraan bij wet gestelde eisen.

(2) Proces-verbaal van bevindingen d.d. 30 april 2010 (dossierparagraaf 0.4).

(3) Proces-verbaal van overgave aan personeel Sluisteam Brigade Vreemdelingenzaken d.d. 30 april 2010 (dossierparagraaf 0.5).

(4) Proces-verbaal van relaas d.d. 12 juli 2010 (dossierparagraaf 0.3, blad 5 t/m 7).

(5) Processen-verbaal van aanleiding en onderzoek aangeboden documenten d.d. 28 april 2010 (dossierparagrafen 0.6, 0.7, 0.8 en 0.9).

(6) Proces-verbaal van onderzoek inbeslagname d.d. 8 juni 2010 (dossierparagraaf 2.1, blad 1 en 2) en proces-verbaal van modus-operandi d.d. 2 mei 2010 (dossierparagraaf 0.10).

(7) Proces-verbaal van modus-operandi d.d. 2 mei 2010 (dossierparagraaf 0.10).

(8) Zie tevens proces-verbaal van kennisgeving van inbeslagname algemeen d.d. 28 april 2010 (dossierparagraaf 3.1, onder nummer 19 en met bijlage).

(9) Proces-verbaal van modus-operandi d.d. 2 mei 2010 (dossierparagraaf 0.10).

(10) Proces-verbaal van verhoor d.d. 2 mei 2010 (dossierparagraaf 1.1.5, blad 5 t/m 7).

(11) Proces-verbaal van verhoor [getuige] d.d. 30 april 2010 (dossierparagraaf 1.2.4, blad 5 bovenaan en 7); proces-verbaal van verhoor [getuige] d.d. 2 mei 2010 (dossierparagraaf 1.3.4, blad 10); proces-verbaal van verhoor [getuige] bij de rechter-commissaris d.d. 12 mei 2010 (los opgenomen); proces-verbaal van (tweede) verhoor [getuige] d.d. 1 mei 2010 (dossierparagraaf 1.4.4, blad 6 en 7); proces-verbaal van verhoor [getuige] bij de rechter-commissaris d.d. 12 mei 2010 (los opgenomen).

(12) Proces-verbaal van verhoor d.d. 2 mei 2010 (dossierparagraaf 1.1.5, blad 1 en 2).

(13) Proces-verbaal van verhoor d.d. 7 juli 2010 (ongenummerd, blad 9 en 10).