Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2010:BN5578

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
13-08-2010
Datum publicatie
29-09-2010
Zaaknummer
AWB 09/533
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Eiser maakt niet aannemelijk dat een deelneming en een vordering gewaardeerd mogen worden op de waarde in het economisch verkeer, welke lager is dan de kostprijs c.q. de nominale waarde. Door eiser aangedragen omstandigheden hebben geen betrekking op de situatie per balansdatum.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NTFR 2010, 2333
FutD 2010-2272

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht, meervoudige belastingkamer

Zaaknummer: AWB 09/533

Uitspraakdatum: 13 augustus 2010

Uitspraak in het geding tussen

X N.V., gevestigd te Z, eiseres,

en

de inspecteur van de Belastingdienst/P, verweerder.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Verweerder heeft aan eiseres op 21 oktober 2006 voor het jaar 2004 een ambtshalve aanslag (aanslagnummer ….) vennootschapsbelasting opgelegd, berekend naar een belastbaar bedrag van € 8.500.000, alsmede bij beschikking een verzuimboete van € 1.134. Tevens is € 236.271 heffingsrente in rekening gebracht.

1.2. Verweerder heeft bij uitspraak op bezwaar van 20 december 2008 de aanslag verminderd tot een aanslag berekend naar een belastbaar bedrag van € 8.195.075. Hierbij is de boetebeschikking gehandhaafd en is de beschikking heffingsrente in overeenstemming met de aanslag verminderd.

1.3. Eiseres heeft daartegen bij brief van 26 januari 2009, ontvangen bij de rechtbank op 27 januari 2009, beroep ingesteld. Het beroepschrift is gemotiveerd bij brief van 26 februari 2009, ontvangen bij de rechtbank op 27 februari 2009.

1.4. Verweerder heeft op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

1.5. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 2 juli 2010. Namens verweerder zijn verschenen A en B. Eiseres is, zonder kennisgeving aan de rechtbank, niet verschenen.

Eiseres is door de griffier bij aangetekende brief, verzonden op 20 mei 2010 aan haar gemachtigde, onder vermelding van plaats en tijdstip, uitgenodigd om op de zitting te verschijnen. De gemachtigde heeft bij brief van 2 juni 2010 de rechtbank bericht dat hij sinds medio september 2009 niet meer optreedt als gemachtigde van eiseres.

Op grond van artikel 6:17 van de Algemene wet bestuursrecht heeft de rechtbank de uitnodiging voor de zitting toegezonden aan de gemachtigde van eiseres. Deze had zich tot dat moment niet teruggetrokken als gemachtigde. Op het moment dat de rechtbank de uitnodiging verzond, was toezending aan de op dat moment bekende gemachtigde de voorgeschreven wijze van uitnodigen. Derhalve is de uitnodiging van 20 mei 2010 op de juiste wijze verzonden. Voorts heeft de rechtbank na ontvangst van de brief van de gemachtigde van 2 juni 2010 aan eiseres per aangetekende brief een uitnodiging gestuurd naar het door de gemachtigde genoemde adres (…), Verenigde Staten. Deze uitnodiging is meer dan drie weken voor de zitting verzonden zodat ook deze uitnodiging op juiste wijze is gedaan.

Nu eiseres op de juiste wijze is uitgenodigd, heeft de rechtbank de zaak ter zitting behandeld.

2. Tussen partijen vaststaande feiten

2.1.1. Eiseres heeft het haar uitgereikte aangiftebiljet vennootschapsbelasting 2004 niet teruggestuurd, ook niet na de aan haar verzonden aanmaning waarin zij tot 6 januari 2006 in de gelegenheid is gesteld het aangiftebiljet terug te sturen. Verweerder heeft vervolgens met dagtekening 21 oktober 2006 ambtshalve een aanslag vennootschapsbelasting 2004 opgelegd, berekend naar een belastbare winst, tevens belastbaar bedrag van € 8.500.000. Hiernaast heeft verweerder een verzuimboete wegens een volgend verzuim van het niet of niet tijdig doen van aangifte opgelegd van € 1.134.

2.1.2. Op 23 november 2006 heeft eiseres bezwaar gemaakt tegen de aanslag. Eiseres heeft op 25 juni 2007 het aangiftebiljet ingediend. Naar aanleiding van het bezwaarschrift heeft verweerder bij brieven van 22 juni 2007, 19 september 2008 en 6 oktober 2008 vragen gesteld aan eiseres. Verweerder heeft hierbij gewezen op de informatieverplichting van artikel 47 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen (hierna: Awr), alsmede op de gevolgen indien daaraan niet wordt voldaan. Eiseres heeft deze vragen niet beantwoord.

2.2. Eiseres draagt tussen medio 2002 en 26 april 2007 de naam C N.V. Zij houdt zich bezig met financiële dienstverlening en bemiddeling. In de loop van 2007 is eiseres gefuseerd met D Inc. Naar aanleiding van deze fusie is de naam van eiseres op 26 april 2007 veranderd in X N.V.

2.3.1. Op 15 december 2003 kondigt eiseres aan dat E Ltd, een groepsmaatschappij van eiseres, voor verleende diensten een provisie van € 6.500.000 zal ontvangen in de vorm van aandelen F. Eiseres heeft € 478.538 kosten aan haar diensten toegerekend. De provisie wordt als volgt uitbetaald:

december 2003 € 1.500.000 459.919 aandelen belang 7,3%

maart 2004 € 2.500.000 766.534 aandelen belang 12,3%

juni 2004 € 2.500.000 766.534 aandelen belang 12,3%

2.3.2. Ultimo 2003 heeft eiseres een belang van 7,3% in aandelen F, ultimo 2004 is dit belang gegroeid tot 31,9%. De verkrijgingsprijs van deze aandelen is volgens de jaarrekening 2004 € 6,5 miljoen. Na correcties van de verkrijgingsprijs wegens goodwill, een valuta-aanpassing en het verlies van haar dochtermaatschappij is de balanswaarde van deze aandelen ultimo 2004 € 5.841.966.

2.3.3. In december 2003 breidt eiseres haar deelneming in E Ltd uit tot 99,95%. Met ingang van 1 januari 2004 draagt E Ltd haar rechten en verplichtingen uit de overeenkomst met F over aan eiseres.

2.3.4. In 2005 wordt het gehele aandelenkapitaal van F omgezet in de nieuw opgerichte vennootschap G PLC. F is vanaf 28 september 2005 beursgenoteerd in Londen (OPEX-markt).

2.3.5. In 2006 wordt het management van eiseres vervangen. In de jaarrekening 2006 wordt de deelneming G PLC afgewaardeerd tot nihil. Mede hierdoor lijdt eiseres in 2006 een verlies.

2.4.1. In 2004 verkrijgt eiseres als beloning van de door haar verrichte diensten 25% van de aandelen H Ltd. Zij heeft € 365.997 aan kosten toegerekend aan door haar in dit kader verrichte werkzaamheden. Eiseres verkoopt deze aandelen op 24 november 2004 aan I. De betaling van de koopsom wordt geregeld in twee zgn. ‘promissory notes’. De verkoopprijs van deze aandelen bedraagt € 6.000.000. € 500.000 hiervan dient betaald te worden voor 30 mei 2005, het restant dient te worden betaald voor 31 december 2005.

De verkoopopbrengst neemt eiseres op haar balans op als een vordering op de koper. In de commerciële jaarrekening waardeert eiseres de vordering op € 6.000.000, in de fiscale aangifte waardeert eiseres de vordering op € 1.565.996.

2.4.2. I biedt eiseres - als gevolg van de slechte gang van zaken bij H - middels een brief van van 19 december 2005 van J, in ruil voor genoemde promissory notes aan 2 miljoen restricted aandelen K Ltd. ter waarde van € 6.150.000. Naderhand is de naam K Ltd gewijzigd in L Ltd.

2.4.3. Eiseres maakt op 6 maart 2006 bekend 1.000.000 aandelen L (ongeveer 2% van het geplaatste kapitaal) te hebben verkregen door middel van de levering van een vordering met een nominale waarde van € 6.000.000.

2.5. Bij brief van 13 februari 2009 van eiseres aan de belastingdienst geeft eiseres een analyse van de omstandigheden die hebben geleid tot de afwaardering van de deelnemingen in F en L in de commerciële jaarrekening 2006.

2.6. In de jaarrekening 2004 neemt eiseres de omzet in verband met F en H op voor respectievelijk € 5.000.000 en € 4.800.000. Fiscaal wordt ter zake respectievelijk € 478.534 en € 365.995 in de aangifte opgenomen. Eiseres waardeert in de fiscale balans de verkregen aandelen op grond van het voorzichtigheidsbeginsel op het voor de aandelen opgeofferde bedrag, ofwel op de kosten welke zij voor de betreffende diensten heeft gemaakt.

3. Geschil

3.1. In geschil is of verweerder op de voorgeschreven wijze uitspraak op bezwaar heeft gedaan. Zo nee, dan is in geschil of verweerder alsnog uitspraak op bezwaar moet doen.

3.2. Voorts is in geschil of verweerder de belastbare winst terecht heeft vastgesteld op € 8.195.075. Daarbij dienen de volgende vragen beantwoord te worden:

- dient de sanctie van artikel 27e van de Awr, inhoudende omkering en verzwaring van de bewijslast te worden toegepast;

- is verweerder ten aanzien van de verkregen aandelen F en H terecht uitgegaan van de in de commerciële jaarstukken vermelde omzet.

3.3. Eiseres concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de uitspraak op bezwaar en terugwijzing naar verweerder, subsidiair tot vermindering van de belastingaanslag.

3.4. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

4. Beoordeling van het geschil

4.1. Ingevolge artikel 27e, onderdeel a, van de Awr verklaart de rechtbank het beroep ongegrond indien de vereiste aangifte niet is gedaan, tenzij is gebleken dat en in hoeverre de uitspraak op het bezwaar onjuist is.

4.2. Uit hetgeen onder 2.1.1. is opgenomen, volgt dat eiseres het haar uitgereikte aangiftebiljet vennootschapsbelasting 2004 niet heeft teruggestuurd, ook niet na een aan haar verzonden aanmaning. Nu vaststaat dat eiseres pas bij het bezwaarschrift tegen de aanslag het aangiftebiljet heeft ingeleverd en het haar kan worden aangerekend dat zij te laat aangifte heeft gedaan, moet worden geoordeeld dat eiseres niet de vereiste aangifte heeft gedaan (Hoge Raad 2 maart 2007, nr. 42.311, BNB 2007/91).

4.3. Het vorenstaande betekent dat het beroep ongegrond dient te worden verklaard, tenzij eiseres doet blijken dat en in hoeverre de uitspraak op bezwaar onjuist is. De bewijslast rust derhalve op eiseres. Overigens geldt wel dat, ook al is er sprake van omkering van de bewijslast, de aanslag niet naar willekeur mag worden vastgesteld, maar dient te berusten op een redelijke schatting.

4.4. Eiseres stelt primair dat, nu de uitspraak op bezwaar onjuist is geadresseerd, deze niet op de voorgeschreven wijze is gedaan en derhalve niet rechtsgeldig is. Verweerder dient daarom volgens haar opnieuw uitspraak op bezwaar te doen.

4.5. Artikel 6:17 van de Algemene wet bestuursrecht bepaalt dat verweerder een uitspraak op bezwaar in elk geval aan de gemachtigde zendt. Nu niet in geschil is dat eiseres tijdig in beroep is gekomen en een duplicaat van de uitspraak op bezwaar heeft gevoegd bij het beroepschrift, moet het ervoor worden gehouden dat, wat er ook zij van de wijze van bekendmaking, gemachtigde tijdig op de hoogte was van de uitspraak op bezwaar. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat verweerder geen nieuwe uitspraak op bezwaar hoeft te doen en er geen reden is voor terugwijzing naar verweerder.

4.6. Verweerder is bij het opleggen van de aanslag ervan uitgegaan dat de fiscale waarde van de aandelen F gelijk is aan de commerciële waarde zoals opgenomen in de jaarrekening, nu deze aandelentransactie is voltooid, de koopprijs van deze aandelen overeenkomt met de waarde in het economische verkeer van de aandelen ten tijde van de verkrijging en de overeenkomst is gesloten met een onafhankelijke derde. Ten aanzien van de aandelen H is verweerder hierbij uitgegaan van de op 24 november 2004 gebruikte verkoopprijs voor de verkoop van deze aandelen aan een onafhankelijke derde.

Op basis van het voorgaande kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden gezegd dat verweerder de winst van eiseres willekeurig heeft vastgesteld. De hoogte van de winst berust op een redelijke schatting.

4.7. Eiseres heeft naar het oordeel van de rechtbank niet aangetoond dat de door verweerder gemaakte schatting onjuist is. De rechtbank wijst hierbij op het volgende.

Eiseres heeft ter zake van de vordering op I op haar balans ultimo 2004 een voorziening opgenomen, terwijl de vervaldatum van de eerste betalingstermijn van deze vordering pas op 30 mei 2005 verstreek. Nu bovendien I deze schuld, nog voor het opleggen van de aanslag, en derhalve nog voor het indienen van het bezwaarschrift en het aangiftebiljet, aan eiseres heeft voldaan door levering van aandelen L ter waarde van € 6.000.000 zoals door eiseres zelf naar voren gebracht, acht de rechtbank een voorziening ter zake per balansdatum niet opportuun.

4.8. Eiseres heeft gewezen op een uitspraak van Hof Den Haag gepubliceerd in BNB 1963/170, en heeft gesteld dat op grond van deze uitspraak de aandelen en de vordering primair op nihil, subsidiair op de verkrijgingsprijs gewaardeerd mogen worden, en dat op grond van het voorzichtigheidsbeginsel de fiscale waardering lager mag zijn dan de waardering in de commerciële jaarrekening. Eiseres heeft deze stelling niet onderbouwd. Deze beroepsgrond faalt.

4.9. Eiseres heeft, mede door het niet beantwoorden van daartoe gestelde vragen door verweerder, verder niets aangedragen waaruit blijkt dat de waarde van de deelneming in F of de vordering op I op een lagere dan de commerciële waarde gesteld zouden moeten worden. De brieven van J van 19 december 2005 en van eiseres van 13 februari 2009 hebben geen betrekking op de situatie ultimo 2004 en gaan met name over de gang van zaken met betrekking tot F en H nà de balansdatum. Hiermee kan in deze zaak derhalve geen rekening worden gehouden.

4.9. Eiseres heeft onvoldoende aangedragen om te kunnen concluderen dat de waarde van de deelneming in F of de vordering op I ten tijde van de aanslagregeling voor de berekening van het belastbaar bedrag op een lagere dan de commerciële waarde gesteld had moeten worden. De brieven van J van 19 december 2005 en van eiseres van 13 februari 2009 hebben geen betrekking op de situatie ultimo 2004 en gaan met name over de gang van zaken met betrekking tot F en H nà de balansdatum en verschaffen naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende grond voor de opvatting dat de uitspraak op bezwaar onjuist was.

4.10. Eiseres heeft geen zelfstandige gronden ingebracht tegen het in rekening brengen van heffingsrente of tegen de hoogte daarvan, noch tegen de opgelegde verzuimboete. De rechtbank laat, nu het beroep overigens ongegrond is, beide beschikkingen dan ook in stand.

4.11. Gelet op het vorenoverwogene dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

5. Proceskosten

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

6. Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is vastgesteld door mr. J.H. Hoekstra, voorzitter, mr. M. Koole en mr. A. van Dongen, leden, in aanwezigheid van mr. H.H. Ruis, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 13 augustus 2010.

Afschrift verzonden aan partijen op:

De rechtbank heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van de uitspraak in geanonimiseerde vorm.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Amsterdam (belastingkamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.