Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2010:BN5575

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
27-01-2010
Datum publicatie
31-08-2010
Zaaknummer
164642 - FA RK 09-4240
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

voorlopige voogdij afgewezen. Onduidelijkheid over afstammingsrelatie minderjarige.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector civiel

familie- en jeugdrecht

voorlopige voogdij op grond van artikel 1:241 BW

zaak-/rekestnr.: 164642 / FA RK 09-4240

beschikking van de kinderrechter van 27 januari 2010

naar aanleiding van een verzoek van

de Raad voor de Kinderbescherming,

gevestigd te Haarlem,

hierna te noemen: de Raad,

met betrekking tot de minderjarige:

- [naam kind], geboren op [datum] 1997 in [plaats], India,

vermeend kind van

[naam moeder], wonende in [plaats],

hierna te noemen: de (vermeende) moeder,

en

[naam vader], wonende in [plaats],

hierna te noemen: de (juridische noch biologische) vader.

Het gezag over de minderjarige wordt niet uitgeoefend.

1 Procedure

1.1 Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het verzoek van de Raad voor de Kinderbescherming van 16 december 2009, ingekomen op 17 december 2009.

1.2 De kinderrechter heeft het verzoek behandeld op de zitting met gesloten deuren van 5 januari 2010.

Hierbij zijn verschenen en gehoord:

- de vader, bijgestaan door mr. B. Wernik, kantoorhoudend te Haarlem;

- de Raad, vertegenwoordigd door mevrouw S. van den Ende;

- de Stichting Bureau Jeugdzorg Agglomeratie Amsterdam, team Opperdan, vertegenwoordigd door mevrouw D. Bakker.

2 Beoordeling

Uit de overgelegde stukken is gebleken dat de minderjarige [naam kind] niet onder het wettelijk vereiste gezag staat. De vader is sinds 1990 in Nederland; de moeder sedert 1998. [naam minderjarige] is in 2008 met een machtiging tot voorlopig verblijf naar Nederland gekomen. De in India opgemaakte geboorte-akte betreffende [naam minderjarige], waarin de vader en de moeder als ouders van [naam mindejarige] zijn aangemerkt, is vals gebleken.

De Raad heeft verzocht om de Stichting Bureau Jeugdzorg Agglomeratie Amsterdam, team Opperdan met de voorlopige voogdij over de minderjarige [naam minderjarige] te belasten ter voorkoming van ernstig gevaar voor haar zedelijke of geestelijke belangen of voor haar gezondheid.

Uit nader ingewonnen informatie bij de Raad is de kinderrechter gebleken dat de Raad van mening is dat de onduidelijke afstammingsrelatie van [naam minderjarige] tot de vermeende vader en zijn echtgenote en de gevolgen daarvan voor het juridisch ouderschap voldoende moet zijn om een voorlopige voogdij over [naam minderjarige] uit te spreken.

De DNA-test van de vader had een negatief resultaat. Ter zitting is gebleken dat de moeder op dit moment op ethische gronden geen medewerking wil verlenen aan een DNA-test. De ouders gaan ervan uit dat [naam minderjarige] bij de geboorte in het ziekenhuis is verwisseld.

Het verzoek van de Raad om de Stichting te belasten met de voorlopige voogdij is een spoedeisende maatregel die volgens artikel 1:241 lid 2 BW uitsluitend kan worden toegewezen indien dit ter voorkoming van ernstig gevaar voor de zedelijke of geestelijke belangen of voor de gezondheid van zulk een minderjarige dringend en onverwijld noodzakelijk is.

Mr. Wernik heeft zich namens zijn cliënten op het standpunt gesteld dat er in dit geval niet wordt voldaan aan dit criterium. Er zijn geen kindsignalen vanuit [naam minderjarige] opgemerkt, noch is sprake van een crisissituatie. Zij woont feitelijk bij de vermeende ouders en gaat naar school.

De kinderrechter komt tot de conclusie dat de grond voor toewijzing van de maatregel van voorlopige voogdij niet aanwezig is. De overweging van de Raad dat [naam minderjarige] moet weten wie haar ouders zijn en dat een DNA-test door moeder daarom in haar belang is, kan voor de rechtbank geen argument zijn om een andere afweging te maken, nu bij de beoordeling geen andere aspecten een rol mogen spelen dan de vraag of aan het wettelijk criterium voor toewijzing wordt voldaan. Het primaire verzoek zal derhalve worden afgewezen.

De Raad heeft subsidiair de rechtbank verzocht om (ambtshalve) een bijzondere curator te benoemen die de belangen van [naam minderjarige] behartigt. Aan de orde is de vraag of daartoe aanleiding bestaat op grond van het bepaalde in artikel 1:250 BW. De kinderrechter overweegt dat niet is gebleken dat er op dit moment sprake is van een belangenstrijd tussen [naam minderjarige] en de vermeende ouders. Bovendien zijn de vermeende ouders niet met het ouderlijk gezag belast, zoals artikel 1:250 BW als voorwaarde stelt.

Nu er geen zaak van afstamming aanhangig is als bedoeld in titel 11 van Boek 1 BW, is de kinderrechter van oordeel dat er evenmin een grond is om een bijzondere curator te benoemen op grond van de lex specialis, artikel 1:212 BW.

Ten overvloede merkt de kinderrechter op dat bij alle belanghebbenden overeenstemming bestaat over het feit dat een oplossing dient te worden gevonden voor het ontstane gezagsvacuüm. Het staat de Raad en de vermeende ouders uiteraard vrij om een verzoek in te dienen om in de voogdij van [naam minderjarige] te voorzien.

3 Beslissing

De kinderrechter:

Wijst de verzoeken af.

Deze beschikking is gegeven door mr. M. Flipse, kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken in aanwezigheid van mr. S. Kuijs, griffier, op 27 januari 2010.

Tegen deze beschikking kan door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Amsterdam. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden.