Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2010:BN5542

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
23-08-2010
Datum publicatie
31-08-2010
Zaaknummer
15/740294-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel. Veroordeelde is bij vonnis van de meervoudige kamer van de rechtbank Haarlem veroordeeld ter zake van medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd. De meervoudige kamer van de rechtbank Haarlem heeft aan veroordeelde de verplichting opgelegd om ter ontneming van het bij het dealen van cocaine wederrechtelijk verkregen voordeel aan de Staat te betalen een bedrag van 7.360,00 euro.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector Strafrecht

Meervoudige Kamer

Tegenspraak

Parketnummer: 15/740294-10

Uitspraakdatum: 23 augustus 2010

Beslissing (ex artikel 36e Sr)

1. Vordering

Deze beslissing heeft betrekking op de vordering van de officier van justitie d.d. 26 juli 2010 in de strafzaak onder bovenstaand parketnummer in de zaak tegen:

[veroordeelde],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

wonende te [adres en woonplaats],

thans gedetineerd in de PI Haarlem,

hierna te noemen: veroordeelde,

welke vordering strekt tot vaststelling van het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht wordt geschat en tot oplegging van de verplichting aan veroordeelde tot betaling aan de staat van het geschatte voordeel, welk voordeel door de officier van justitie voorlopig wordt geschat op een bedrag van € 11.040,00.

De rechtbank heeft kennis genomen van de stukken, waaronder het met deze vordering samenhangende strafdossier en het in het ontnemingsdossier opgenomen - in de wettelijke vorm opgemaakte - proces-verbaal van bevindingen d.d. 19 juli 2010 van [naam verbalisant], brigadier van de regiopolitie Kennemerland, betreffende het wederrechtelijk verkregen voordeel van de (mede)verdachte [naam (mede)verdachte] en veroordeelde.

Deze beslissing is genomen naar aanleiding van de vordering en het onderzoek ter openbare terechtzitting van 9 augustus 2010. Van het verhandelde ter zitting is proces-verbaal opgemaakt. Ter terechtzitting heeft de raadsman van veroordeelde gepleit aan de hand van pleitnotities, die aan dit proces-verbaal zijn gehecht.

2. Overwegingen

Veroordeelde is bij vonnis van deze rechtbank d.d. 23 augustus 2010 veroordeeld ter zake van medeplegen van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder B, van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd. Bewezen is verklaard dat veroordeelde op tijdstippen in de periode van 5 oktober 2009 tot en met 27 april 2010 te Haarlem tezamen en in vereniging met anderen telkens opzettelijk heeft verkocht en afgeleverd en verstrekt en vervoerd een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne

Op grond van het onder voormeld parketnummer aangelegde straf- en ontnemingsdossier alsmede van het onderzoek ter terechtzitting in zowel de strafzaak als de ontnemingszaak, is volgens de officier van justitie aannemelijk geworden dat veroordeelde door middel van of uit baten van de feiten waarvoor hij bij voornoemd vonnis is veroordeeld, wederrechtelijk voordeel heeft verkregen. Veroordeelde bestrijdt dat.

Standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft ter onderbouwing van zijn vordering en onder verwijzing naar voormeld proces-verbaal van bevindingen volhard bij zijn standpunt dat veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel heeft genoten en baseert zijn standpunt in dit verband onder meer op de volgende in meergenoemd proces-verbaal vermelde bewijsmiddelen (de genoemde pagina’s verwijzen naar die in het strafdossier):

• het in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van verhoor van de getuige [naam getuige 1] (dossierpagina 829 e.v.);

• het in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van verhoor van de getuige [naam getuige 2] (dossierpagina 865 e.v.);

• het in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van verhoor van de getuige [naam getuige 3] (dossierpagina 903 e.v.);

• het in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van verhoor van de getuige [naam getuige 4] (dossierpagina 921 e.v.);

• het in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van verhoor van de getuige [naam getuige 5] (dossierpagina 948 e.v.);

• het in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van verhoor van de getuige [naam getuige 6] (dossierpagina 990 e.v.);

• het in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van verhoor van de getuige [naam getuige 7] (dossierpagina 1043 e.v.); • het in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van verhoor van de getuige [naam getuige 8] (dossierpagina 1082 e.v.); • het in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van verhoor van de getuige [naam getuige 9] (dossierpagina 1105 e.v.); • het in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van verhoor van de getuige [naam getuige 10] (dossierpagina 1146 e.v.);

• het in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van verhoor van de getuige [naam getuige 11] (dossierpagina 1180 e.v.);

• het in de wettelijke vorm opgemaakt proces-verbaal van bevindingen ter zake van verkregen historische verkeersgegevens van het mobiele telefoonnummer [nummer handelstelefoon] in de periode van 24 augustus 2009 tot en met 25 februari 2010 (dossierpagina 63 e.v.).

De officier van justitie is bij zijn berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel uitgegaan van de verklaringen van hiervoor genoemde afnemers. Uit hun verklaringen komt naar voren dat zij voor de cocaïne die zij bij veroordeelde dan wel één van zijn medeverdachten afnamen, voor een halve gram telkens € 20,- en voor een hele gram telkens € 40,- betaalden. Ten aanzien van de hoeveelheid cocaïne die zij afnamen en de periode waarover en de frequentie waarmee dit geschiedde, hebben genoemde afnemers duidelijke verklaringen afgelegd, welke verklaringen deels zijn bevestigd door gegevens uit het geconstateerde telefoonverkeer en observaties. Op basis van deze bewijsmiddelen heeft de officier van justitie berekend dat de afnemers van veroordeelde en drie medeverdachten gemiddeld in totaal 2,3 gram per dag over een periode van 16 maanden geleverd kregen. Deze periode van 16 maanden betreft behalve de in de dagvaarding vermelde periode ook een daaraan voorafgaande periode waarin veroordeelde blijkens de afgelegde getuigenverklaringen soortgelijke feiten (ook in de zin van artikel 36e, lid 2 van het Wetboek van Strafrecht) gepleegd zou hebben.

In de berekening is de officier van justitie voorts, onder aanhaling van jurisprudentie op dit punt, ervan uitgegaan dat bij de verkoop een winstmarge kan worden gerealiseerd van vijftig procent. Uitgaande van een omzet van (2,3 gram x € 40,- =) € 92,- per dag, minus kosten à (50 % van € 92,- = ) € 46,- per dag, gerekend over (16 x 30 = ) 480 dagen, komt de officier van justitie op een totaal wederrechtelijk verkregen voordeel van € 22.080,-. In de visie van de officier van justitie dient dit bedrag gelijkelijk te worden verdeeld over veroordeelde en zijn medeverdachte [naam medeverdachte], zodat van veroordeelde een bedrag van € 11.040,- behoort te worden ontnomen.

Standpunt van de verdediging

Veroordeelde heeft ter zitting verklaard, samengevat, dat hij niets verdiend heeft aan de hem verweten feiten. Zijn raadsman heeft namens veroordeelde de ontnemingsvordering verder gemotiveerd betwist en, subsidiair, onder meer aangevoerd dat de periode dat veroordeelde en zijn medeverdachte [naam medeverdachte] waren gedetineerd, bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel buiten beschouwing dient te worden gelaten, zodat bij de berekening moet worden uitgegaan van een periode van maximaal zes maanden.

Voorts heeft de raadsman aangevoerd dat ten onrechte ervan is uitgegaan dat per gram verkochte cocaïne € 20,- winst is behaald, omdat daarbij geen rekening is gehouden met gemaakte kosten als de aanschaf van wikkels, benzinekosten en de kosten van de inkoop van versnijdingsmiddelen. Voor zover er winst is gemaakt is deze niet meer dan € 15 per gram en zou deze over de in de tenlastelegging genoemde periode hooguit € 7.038,00 hebben bedragen. Daarnaast zou de officier van justitie bij de berekening een verkeerde verdeelsleutel hebben gehanteerd. Uit het dossier moet worden afgeleid dat er bij het feit vier personen betrokken waren, waarbij de rol van anderen groter is geweest dan die van veroordeelde. De door de officier van justitie gehanteerde ponds-pondsgewijze verdeling tussen veroordeelde en zijn medeverdachte [naam medeverdachte], is dan ook niet terecht toegepast. Het voordeel van veroordeelde kan bij een juiste wijze van berekenen nooit meer dan € 1.759,50 hebben bedragen, aldus de raadsman.

3. Oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat voldoende aannemelijk is geworden dat veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft genoten uit zijn activiteiten zoals die in de hoofdzaak bewezen zijn verklaard (zie boven). Uit de in de hoofdzaak en in de ontnemingszaak aan de orde gestelde getuigenverklaringen van afnemers blijkt niet alleen dat veroordeelde zich met drugsdeals bezig hield in de bewezen verklaarde periode, maar ook geruime tijd in de periode daarvóór, al dan niet met enkele, gelet op het geheel, niet relevante onderbrekingen. Ook is voldoende aannemelijk geworden dat veroordeelde deze activiteiten heeft verricht samen met of waarnemend voor anderen, onder andere medeverdachte [naam medeverdachte]. Veroordeelde heeft een en ander niet, althans niet voldoende gemotiveerd weersproken. De rechtbank komt op grond van het voorgaande met de officier van justitie tot de slotsom dat veroordeelde wederrechtelijk voordeel heeft kunnen genieten van de handel in cocaïne over een periode van 16 maanden tot zijn aanhouding op 27 april 2010.

Ten aanzien van de door de officier van justitie in zijn berekening gehanteerde winstmarges van 50 % overweegt de rechtbank dat het op de weg ligt van veroordeelde om bij zijn verweer op dit punt meer inzicht te verschaffen in de inkoopprijs van de cocaïne en de met de verkoop gepaard gaande kosten. Door dit na te laten zijn de voldoende onderbouwde uitgangspunten van de officier van justitie niet gemotiveerd weersproken en mogen deze als juist worden aangemerkt. De rechtbank zal daarom bij het schatten van de hoogte van het wederrechtelijk verkregen voordeel, naast de periode van 16 maanden, uitgaan van de door de officier van justitie voorgestelde bedragen.

Ten aanzien van de verdeelsleutel zal de rechtbank afwijken van de berekening zoals door de officier van justitie voorgesteld. Gelet op de rol van verdachte en zijn medeverdachten in de cocaïneverkoop zoals deze uit de getuigenverklaringen naar voren komt, is het naar het oordeel van de rechtbank aannemelijk dat verdachte ongeveer eenderde van de totale winst heeft genoten. De rechtbank laat verder in het midden wat de werkelijke winst is geweest. De thans toegepaste schatting van de winst is slechts gebaseerd op getuigenverklaringen van afnemers die gedurende het strafrechtelijk onderzoek bekend zijn geworden. Aannemelijk is dat er meer afnemers zijn geweest, maar deze zijn vooralsnog onbekend gebleven.

Op grond van het bovenstaande schat de rechtbank het door veroordeelde wederrechtelijk verkregen voordeel op een totaalbedrag van (€ 22.080,00 : 3 =) € 7.360,00.

Er zijn verder geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die naar het oordeel van de rechtbank aanleiding geven voormeld bedrag verder te matigen.

De rechtbank zal op grond van het vorenoverwogene en gelet op artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht bepalen dat veroordeelde ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel ten aanzien van eerder vermelde feiten het hierna te noemen bedrag aan de staat dient te betalen.

4. Beslissing

De rechtbank:

legt aan veroordeelde de verplichting op om ter ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel aan de Staat te betalen een bedrag van € 7.360,00 (zegge zevenduizend driehonderdzestig euro).

5. Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Deze beslissing is gegeven door:

mr. A.E. Patijn, voorzitter,

mrs. W.A.F. Jansen en K.G. Witteman, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier J.A. Huismans,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 23 augustus 2010.