Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2010:BN5535

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
05-08-2010
Datum publicatie
31-08-2010
Zaaknummer
15/993002-10
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De meervoudige kamer van de rechtbank Haarlem heeft verdachte veroordeeld tot een geldboete van 6000 euro en een voorwaardelijke werkstraf van 60 uur omdat hij opzettelijk niet binnen de gestelde termijnen belastingaangifte heeft gedaan, terwijl dat feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven. De Belastingdienst heeft keer op keer pogingen ondernomen om verdachte tot het doen van aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen te bewegen, maar verdachte reageerde nagenoeg nergens op. Kennelijk is verdachte om hem moverende redenen niet bereid om aangifte te doen. De rechtbank overweegt dat verdachte door zijn handelwijze niet alleen bijdraagt aan het toebrengen van financieel nadeel aan de samenleving, maar ook aan het ondermijnen van de belastingmoraal. Dit klemt naar het oordeel van de rechtbank temeer nu verdachte sinds 1977 een bedrijf voert dat zich bezighoudt met administratieve en fiscale dienstverlening. De rechtbank rekent verdachte zijn weigerachtige houding, gelet op zijn professie, dan ook extra aan.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector Strafrecht

Locatie Haarlem

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/993002-10

Uitspraakdatum: 5 augustus 2010

Tegenspraak

Strafvonnis

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 22 juli 2010 in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats],

wonende te [adres en woonplaats].

1. Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij, in de periode tussen 31 maart 2007 en 10 juni 2009 te Purmerend en/of te Hoorn en/of elders in Nederland, opzettelijk een bij de Belastingwet voorziene aangifte, als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten een aangifte voor de inkomstenbelasting over het jaar 2006, niet of niet binnen de door de Inspecteur der belastingen te Hoorn gestelde termijn(en) heeft gedaan, terwijl dat feit (telkens) ertoe strekte dat te weinig belasting werd geheven.

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit en gevorderd dat verdachte ter zake zal worden veroordeeld tot een geldboete van € 6.000,-, bij niet betalen te vervangen door 65 dagen hechtenis, en een taakstraf in de vorm van een werkstraf van tachtig uren, waarvan zestig uren voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren.

4. Bewijs

4.1. Redengevende feiten en omstandigheden

Verdachte drijft sinds 1977 een eenmanszaak, die volgens een uittreksel uit het handelsregister als bedrijfsomschrijving heeft: ‘beheer- en exploitatie van onroerende zaken, administratieve en fiscale dienstverlening, incassobureau.’ Op 5 oktober 2007 heeft de Belastingdienst een brief aan verdachte gestuurd, waarin is vermeld dat uit de administratie is gebleken dat er van verdachte over het jaar 2006 geen aangiftebiljet inkomstenbelasting premie volksverzekeringen is ontvangen. Verdachte is verzocht om deze aangifte uiterlijk 26 oktober 2007 toe te zenden. In de brief staat verder omschreven wat de procedure is indien verdachte niet op dit verzoek reageert.

Op 14 januari 2008 heeft belastinginspecteur mr. [naam belastinginspecteur] verdachte een aanmaning gestuurd met het bericht dat de aangifte 2006 nog niet is ontvangen door de belastingdienst, en dat hij tot 4 februari 2008 de tijd heeft om de gevraagde aangifte alsnog in te dienen. De inspecteur wijst verdachte erop dat omdat niet aan de wettelijke verplichting tot het doen van (tijdige) aangifte wordt voldoen, er één of meerdere boetes kunnen worden opgelegd, waarbij het bedrag van de boete hoger kan zijn dan € 1.000,-.

Bij brief van 31 maart 2009 heeft de Belastingdienst verdachte erop gewezen dat er nog geen aangifte over het belastingjaar 2006 is gedaan. De Belastingdienst verzoekt verdachte, teneinde niet wederom een vergrijpboete op te hoeven leggen of zelfs verdere stappen te hoeven ondernemen, nogmaals om op korte termijn aangifte te doen.

Op 10 juni 2009 heeft de Belastingdienst verdachte een laatste herinnering gestuurd. [naam ambtenaar 1] deelt verdachte hierin namens de inspecteur mede dat hij verdachtes handelwijze met betrekking tot de aangiften niet langer wil tolereren. De Belastingdienst wijst verdachte er in de brief voorts op dat het opzettelijk niet indienen of niet binnen de termijn indienen een aantal gevolgen kan hebben, zoals het door de Belastingdienst vaststellen van de aanslag, het opleggen van een verzuimboete of het opleggen van een vergrijpboete. Ook meldt de Belastingdienst dat tegen verdachte proces-verbaal kan worden opgemaakt en de officier van justitie kan worden verzocht om strafvervolging in te stellen. Verdachte wordt nog eenmaal in de gelegenheid gesteld alsnog aangifte te doen over het jaar 2006. Als verdachte van dit aanbod gebruik maakt, dient hij een geprinte versie van de ingediende elektronische aangifte alsmede een kopie van de ontvangstbevestiging binnen twee weken na dagtekening van de brief bij [ambtenaar 1] in te leveren, aldus de brief.

Bij brief van 10 juli 2009 heeft de Belastingdienst verdachte opgeroepen voor een verhoor op 16 juli 2009 om 9:00 uur. Deze brief is op 10 juli 2009 omstreeks 16:00 uur door mr. [naam ambtenaar 2], ambtenaar bij de Belastingdienst Noord-Holland, in de brievenbus van het huisadres van verdachte gedeponeerd. Verdachte is op 16 juli 2009 niet bij het verhoor verschenen en heeft ook niet anderszins op de oproep gereageerd. De ambtenaren van Belastingdienst [naam ambtenaar 2] en [naam ambtenaar 3] hebben hierop op 16 juli 2009 omstreeks 10:00 uur het huisadres van verdachte bezocht en daar gesproken met de echtgenote van verdachte. Zij zegde de ambtenaren toe verdachte te vragen de Belastingdienst op vrijdag 17 juli 2009 te bellen en gaf het vaste telefoonnummer en het mobiele nummer van verdachte.

Op 17 juli was de Belastingdienst om 15:00 uur nog niet gebeld door verdachte. [ambtenaar 2] heeft toen gebeld met de door de echtgenote van verdachte verstrekte telefoonnummers van verdachtes vaste en mobiele telefoon. Geen van beide nummers werd beantwoord. Hierop is [ambtenaar 2] diezelfde dag nog opnieuw naar het huisadres van verdachte gegaan en heeft omstreeks 17:00 uur aan de echtgenote van verdachte een gesloten envelop overhandigd met daarin een tweede oproep voor een verhoor op 22 juli 2009.

Verdachte heeft de Belastingdienst op 20 juli 2009 schriftelijk bericht dat hij niet in de gelegenheid was om op 22 juli 2009 te komen.

Er is vervolgens een nieuwe afspraak gemaakt voor een verhoor op 31 augustus 2009, en verdachte is daarbij verschenen. Verdachte heeft tijdens het verhoor verklaard dat hij zich niet kan herinneren dat hij een uitnodiging heeft gehad tot het doen van aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen 2006. Ook heeft hij verklaard niet meer te weten wanneer hij eventueel uitstel zou hebben gevraagd voor het doen van de bewuste aangifte. Verdachte heeft voorts verklaard de brieven van de Belastingdienst d.d. 5 oktober 2007, 14 januari 2008, 31 maart 2009 en 10 juni 2009 niet te kennen. De tweede oproep voor verhoor d.d. 17 juli 2009 kende verdachte wel, maar hij verkeerde in de veronderstelling dat deze betrekking had op de aangifte omzetbelasting over het jaar 2005. Verdachte heeft verder te kennen gegeven dat hij wenste dat alles met de Belastingdienst zo snel mogelijk afgehandeld zou worden, zodat hij er geestelijk vanaf was.

Op 8 oktober 2009 is aan de FIOD-ECD Zaandam een ambtsedige verklaring Inkomsten gestuurd, waarin [naam ambtenaar 4], ambtenaar bij de Belastingdienst / Centrale administratie, verklaart dat van verdachte tot op die datum geen elektronische aangifte inkomstenbelasting over het jaar 2006 is ontvangen.

Bij brief van 7 januari 2010 heeft de Belastingdienst verdachte het voornemen kenbaar gemaakt om hem een transactie van € 6.000,- aan te bieden. Door de transactie te accepteren zou verdachte een strafrechtelijke vervolging kunnen voorkomen. Verdachte heeft niet op dit voorstel gereageerd.

De ambtenaren van de Belastingdienst mr. drs. [naam ambtenaar 5] en [naam ambtenaar 6] zijn op 3 maart 2010 naar het huis van verdachte gegaan om hem een tweede brief, houdende het transactievoorstel, persoonlijk uit te reiken. Er was een man in de tuin aan het werk, die vertelde dat verdachte en diens echtgenote niet thuis waren. Hij heeft de envelop in ontvangst genomen en op de tafel in de woonkamer gelegd.

4.2. Bewijsoverweging

Verdachte heeft ter terechtzitting aangevoerd dat hij geen van de brieven die de Belastingdienst hem zou hebben toegestuurd heeft ontvangen, met uitzondering van de brieven waarop hij heeft gereageerd. De brief van 17 juli 2009, die aan de echtgenote van verdachte in persoon is overhandigd, zou aldus de eerste brief zijn die verdachte had bereikt. In die brief was echter niet vermeld op welk belastingjaar het voorgenomen verhoor betrekking had, waardoor hij in de veronderstelling verkeerde dat dit zag op het belastingjaar 2005, waarvan de aangifte nog niet was afgerond.

Het verweer van verdachte wordt aldus begrepen, dat bij hem het opzet op de verweten gedraging ontbrak. Hieromtrent overweegt de rechtbank het volgende.

De rechtbank stelt voorop dat algemeen bekend is dat een ieder die deelneemt aan het economische verkeer, gehouden is vóór 1 april van het op het belastingjaar volgende kalenderjaar, aangifte te doen bij de Belastingdienst. Verdachte heeft ter terechtzitting ook verklaard dat hij van deze verplichting op de hoogte is. Niet is gebleken dat verdachte tijdig een verzoek tot uitstel van het doen van aangifte over het jaar 2006 heeft ingediend. Op grond hiervan moet reeds worden geoordeeld dat verdachte vanaf 1 april 2007 opzettelijk (in de zin van artikel 69 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen) heeft verzuimd om aangifte voor de inkomstenbelasting over het jaar 2006 te doen.

Omtrent de stelling van verdachte dat hij geen van de brieven voorafgaande aan de brief van 17 juli 2009 heeft ontvangen, overweegt de rechtbank ten overvloede het volgende. Met uitzondering van de brief van 5 oktober 2007, waarboven ‘NAW gegevens’ is vermeld, en de brief van 14 januari 2008, die in het geheel geen adres vermeldt, zijn alle brieven voorzien van een adressering aan het huisadres van verdachte. Dat de twee eerstgenoemde brieven niet het (juiste) adres vermelden, vindt zijn oorzaak in de omstandigheid dat het uitdraaien betreft uit het elektronisch archief van de Belastingdienst. Verdachte heeft ter terechtzitting desgevraagd verklaard dat hij in een eengezinswoning woont en alle post op zijn woonadres ontvangt. Zijn brievenbus is niet dichtgeplakt en er wordt geen post zomaar weggegooid, aldus verdachte. Voor de omstandigheid dat juist de brieven van de Belastingdienst hem niet zouden hebben bereikt, kon verdachte geen verklaring geven. Het moet er dan ook voor worden gehouden dat verdachte alle hiervoor genoemde brieven heeft ontvangen, zodat ook de in de brief van 10 juni 2009 vervatte laatste kans om te voldoen aan zijn verplichting aangifte te doen over het jaar 2006, moet worden geacht verdachte te hebben bereikt.

Zelfs indien verdachte zou worden gevolgd in zijn stelling dat hij de brieven die zijn verzonden voor 17 juli 2009 niet zou hebben ontvangen en hij daardoor in de veronderstelling kon verkeren dat de oproep betrekking had op het belastingjaar 2005, dan geldt toch dat het voor verdachte in ieder geval na de brief van 22 juli 2009 duidelijk moet zijn geweest dat het om het jaar 2006 ging. Ook bij het verhoor van 31 augustus 2009 is dit naar het oordeel van de rechtbank duidelijk naar voren gekomen. Verdachte heeft tijdens dit verhoor te kennen gegeven alles zo vlug mogelijk te willen afhandelen. Ook na 31 augustus 2009 heeft echter verdachte geen enkele poging ondernomen om de afronding van de aangifte over het jaar 2006 te bespoedigen. Verdachte heeft verklaard dat hij de aangifte voor het belastingjaar 2006 in januari of februari 2010 heeft ingediend. Dit is ter zitting weersproken door [ambtenaar 2], die als getuige onder ede is gehoord door de rechtbank. Wat hiervan ook zij, de rechtbank stelt vast dat verdachte heeft bekend dat hij in de periode van 1 april 2007 tot en met 10 juni 2009 geen aangifte voor de inkomstenbelasting over het jaar 2006 heeft gedaan.

4.3. Bewezenverklaring

Gezien het bovenstaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, in dier voege dat:

hij in de periode tussen 1 april 2007 en 10 juni 2009 te Purmerend en/of te Hoorn en/of elders in Nederland, opzettelijk een bij de Belastingwet voorziene aangifte als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten een aangifte voor de inkomstenbelasting over het jaar 2006, niet binnen de door de Inspecteur der belastingen te Hoorn gestelde termijn heeft gedaan, terwijl dat feit ertoe strekte dat te weinig belasting werd geheven.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, leest de rechtbank de tenlastelegging verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

Hetgeen aan verdachte onder 1 meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. Verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

5. Strafbaarheid van het feit

Het bewezenverklaarde levert op:

opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte niet binnen de gestelde termijnen doen, terwijl het feit ertoe strekte dat te weinig belasting wordt geheven

6. Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dus strafbaar.

7. Motivering van sancties

Bij de beslissing over de sancties die aan verdachte moeten worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon en de draagkracht van verdachte zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het navolgende in aanmerking genomen. De Belastingdienst heeft keer op keer pogingen ondernomen om verdachte tot het doen van aangifte inkomstenbelasting/premie volksverzekeringen te bewegen. Zo is verdachte meerdere keren in de gelegenheid gesteld alsnog aangifte te doen, is hij diverse keren opgeroepen voor verhoor, heeft de Belastingdienst geprobeerd verdachte telefonisch te bereiken en zijn ambtenaren van de Belastingdienst verschillende malen op huisbezoek geweest bij verdachte. Verdachte reageerde echter nagenoeg nergens op. Kennelijk is hij om hem moverende redenen niet bereid om aangifte te doen. Nu verdachte over het belastingjaar 2006 geen inzicht heeft verschaft over zijn inkomens- en vermogenspositie, is niet uitgesloten dat hij over 2006 (aanzienlijk) minder belasting afdraagt dan waartoe hij bij een juiste opgave gehouden zou zijn.

Door zijn handelwijze draagt verdachte niet alleen bij aan het toebrengen van financieel nadeel aan de samenleving, maar ook aan het ondermijnen van de belastingmoraal. Dit klemt temeer nu verdachte sinds 1977 een bedrijf voert dat zich onder meer bezig houdt met administratieve en fiscale dienstverlening. De rechtbank rekent verdachte zijn weigerachtige houding, gelet op zijn professie, dan ook extra aan.

Gelet op de aard van het delict, dat louter lijkt ingegeven te zijn door financiële motieven, zal de rechtbank verdachte een geldboete van na te noemen hoogte opleggen. Uit de uit het onderzoek ter terechtzitting verkregen informatie met betrekking tot de financiële situatie van verdachte lijkt daarvoor geen contra-indicatie aanwezig.

De rechtbank zal verdachte daarnaast veroordelen tot een taakstraf in de vorm van een werkstraf van na te noemen aantal uren. De rechtbank zal daarbij echter bepalen dat deze taakstraf vooralsnog niet ten uitvoer zal worden gelegd en zal daaraan een proeftijd verbinden van twee jaren opdat verdachte er tijdens die proeftijd van wordt weerhouden strafbare feiten te begaan.

8. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 23, 24, 24c van het Wetboek van Strafrecht;

68 en 69 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.

9. Beslissing

De rechtbank:

verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 4.4. weergegeven;

verklaart niet bewezen wat aan verdachte onder 1 meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij;

bepaalt dat het bewezen verklaarde feit het hierboven onder 5. vermelde strafbare feit oplevert;

verklaart verdachte hiervoor strafbaar;

veroordeelt verdachte tot het verrichten van 60 (zegge: zestig) uren taakstraf in de vorm van een werkstraf, bij het niet naar behoren verrichten te vervangen door dertig dagen hechtenis, met bevel dat deze straf niet zal worden ten uitvoer gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond dat verdachte zich voor het einde van de op twee jaar bepaalde proeftijd aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt;

veroordeelt verdachte tot een geldboete van € 6000,- (zesduizend euro), bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 65 (vijfenzestig) dagen hechtenis.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. A.C.M. Rutten, voorzitter,

mrs. J. Candido en K.G. Witteman, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier J.A. Huismans,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 5 augustus 2010.