Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2010:BN5192

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
01-02-2010
Datum publicatie
27-08-2010
Zaaknummer
15-801849-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Promis; invoeren van verdovende middelen in Nederland; invoer cocaïne via koffer; medeplegen; vrijspraak medeplegen; verbeurdverklaring. Naar het oordeel van de rechtbank is niet bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit tezamen en in vereniging met een ander, te weten zijn echtgenote, heeft begaan, zodat verdachte van dat bestanddeel van de tenlastelegging dient te worden vrijgesproken. De rechtbank overweegt daartoe als volgt. Verdachte heeft telkens verklaard dat hij de verdovende middelen heeft gesmokkeld zonder dat zijn echtgenote daarvan op de hoogte is geweest. Ook zijn echtgenote heeft telkens verklaard, dat zij nimmer op de hoogte is geweest van het feit dat haar man het voornemen had om verdovende middelen te smokkelen en aan dat voornemen daadwerkelijk uitvoering heeft gegeven. Naar het oordeel van de rechtbank kan uit deze omstandigheden geen nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en zijn vrouw worden afgeleid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector Strafrecht

Locatie Schiphol

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/801849-09

Uitspraakdatum: 1 februari 2010

Tegenspraak

Strafvonnis

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 18 januari 2010 in de zaak tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ([land]),

wonende te [woonplaats] ([land]), [adres],

thans gedetineerd in de Penitentiaire Inrichting Midden Holland, Huis van Bewaring Haarlem te Haarlem.

1. Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 13 december 2009 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer,

tezamen en in vereniging met een ander of anderen, althans alleen, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht ongeveer 7968,9 gram, in elk geval een hoeveelheid van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet, althans bevattende een (ander) middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I, dan wel aangewezen krachtens het vijfde lid van artikel 3a van die wet.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, leest de rechtbank deze verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft - zakelijk weergegeven - gerekwireerd tot:

- bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit;

- de oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 44 maanden, met aftrek van de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht;

- verbeurdverklaring van de op de lijst van in beslag genomen voorwerpen weergegeven geldbedragen;

- teruggave aan verdachte van de op de lijst van in beslag genomen voorwerpen weergegeven telefoontoestellen.

4. Bewijsbeslissingen

4.1. Partiële vrijspraak

Naar het oordeel van de rechtbank is niet bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit tezamen en in vereniging met een ander, te weten zijn echtgenote, heeft begaan, zodat verdachte van dat bestanddeel van de tenlastelegging dient te worden vrijgesproken. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

Verdachte heeft telkens verklaard dat hij de verdovende middelen heeft gesmokkeld zonder dat zijn echtgenote daarvan op de hoogte is geweest.

Ook zijn echtgenote heeft telkens verklaard, dat zij nimmer op de hoogte is geweest van het feit dat haar man het voornemen had om verdovende middelen te smokkelen en aan dat voornemen daadwerkelijk uitvoering heeft gegeven.

Naar het oordeel van de rechtbank kan uit deze omstandigheden geen nauwe en bewuste samenwerking tussen verdachte en zijn vrouw worden afgeleid.

4.2. Bewijsmiddelen

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het tenlastegelegde feit op grond van de volgende bewijsmiddelen:

* De bekennende verklaring van verdachte, afgelegd ter terechtzitting van 18 januari 2010;

* Het proces-verbaal d.d. 16 december 2009, Contentieusnummer: VM 2009/16754;

* Het proces-verbaal van onderzoek verdovende middelen d.d. 15 december 2009;

* Het rapport van het Douane Laboratorium te Amsterdam d.d. 22 december 2009, kenmerk 14577 X 09.

De hiervoor door de rechtbank als processen-verbaal aangeduide bewijsmiddelen zijn in de wettelijke vorm opgemaakt door daartoe bevoegde personen en voldoen ook overigens aan de daaraan bij de wet gestelde eisen.

4.3. Bewezenverklaring

Gezien het bovenstaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, in dier voege dat:

hij op 13 december 2009 te Schiphol, gemeente Haarlemmermeer, opzettelijk binnen het grondgebied van Nederland heeft gebracht ongeveer 7.968,9 gram van een materiaal bevattende cocaïne, zijnde cocaïne een middel als bedoeld in de bij de Opiumwet behorende lijst I.

Hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

5. Strafbaarheid van het feit

Het bewezen verklaarde levert op:

Opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 2, onder A, van de Opiumwet gegeven verbod.

6. Strafbaarheid van verdachte

Er is geen omstandigheid aannemelijk geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit. Verdachte is dus strafbaar.

7. Motivering van de sancties

7.1. Hoofdstraf

Bij de beslissing over de sancties die aan verdachte moeten worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezenverklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan de opzettelijke invoer van bijna 8 kilogram van een materiaal bevattende cocaïne. Dit is een voor de gezondheid van personen schadelijke stof. De ingevoerde hoeveelheid was van dien aard, dat deze bestemd moet zijn geweest voor verdere verspreiding en handel. De verspreiding van en handel in cocaïne gaan gepaard met vele andere vormen van criminaliteit, waaronder de door gebruikers gepleegde strafbare feiten ter financiering van hun behoefte aan deze stof.

Nu de rechtbank, anders dan de officier van justitie, het tenlastegelegde medeplegen niet bewezen heeft verklaard, ziet zij grond enigszins ten voordele van verdachte af te wijken van de straf zoals door de officier van justitie is gevorderd. Tevens is in de persoonlijke omstandigheden van verdachte grond gelegen om ten voordele van verdachte enigszins af te wijken van de straf die ten aanzien van dit soort misdrijven in vergelijkbare gevallen pleegt te worden opgelegd.

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen is de rechtbank van oordeel dat een vrijheidsbenemende straf van na te noemen duur moet worden opgelegd.

7.2. Verbeurdverklaring

De rechtbank is tevens van oordeel dat het onder verdachte in beslag genomen en niet teruggegeven geldbedrag van in totaal $ 564,00 dient te worden verbeurdverklaard. Bewezen is verklaard dat verdachte opzettelijk cocaïne in Nederland heeft gebracht. Verdachte heeft immers verklaard dat hij dit bedrag reeds vooraf heeft gekregen als beloning voor het smokkelen. Het bij verdachte aangetroffen en hem toebehorende geldbedrag is mitsdien met betrekking tot het bewezen verklaarde feit verkregen.

8. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

33 en 33a van het Wetboek van Strafrecht,

2 en 10 van de Opiumwet.

9. Beslissing

De rechtbank:

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 4.3. weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezenverklaarde feit het hierboven onder 5. vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart verdachte hiervoor strafbaar.

Veroordeelt verdachte wegens dit feit tot een gevangenisstraf voor de duur van VEERTIG (40) MAANDEN.

Bepaalt dat de tijd die verdachte vóór de tenuitvoerlegging van dit vonnis in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de thans opgelegde gevangenisstraf in mindering wordt gebracht, voorzover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht.

Verklaart verbeurd:

- een geldbedrag ad $ 564,00.

Gelast de teruggave aan verdachte van:

- een telefoontoestel, Samsung mobiel;

- een telefoontoestel, Sharp mobiel;

- een geldbedrag ad € 560,00.

10. Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door:

mr. E. Kanninga-Jonker, voorzitter,

mrs. E.P.W van de Ven en F.F.W. Brouwer, rechters,

in tegenwoordigheid van mr. S.V. Ramdharie, griffier,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 1 februari 2010.