Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2010:BN5189

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
12-08-2010
Datum publicatie
27-08-2010
Zaaknummer
15/700856-09
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

belaging; inbreuk op persoonlijke levenssfeer; OVAR; ontslag van alle rechtsvervolging; ziekelijke stoornis van de geestesvermogens; schizofrenie van het ongedifferentieerde type; ontoerekeningsvatbaar; klinische behandeling in een psychiatrisch ziekenhuis.

Verdachte is een dak- en thuisloze man uit Estland die al langere tijd zonder doel of dagbesteding in Haarlem verblijft. Verdachte heeft aangeefster, die met hem wel eens een praatje maakte wanneer zij de hond uit liet, ruim een maand lang stelselmatig belaagd door zich nabij haar en haar woning op te houden, aan te bellen en in één geval op haar balkon te klimmen. Een begrijpelijke aanleiding voor deze belaging is niet vast te stellen. Deze belaging lijkt slechts te zijn voortgekomen uit het bij verdachte post gevatte waanbeeld dat aangeefster verliefd op hem is. Door de zeer volhardende toenaderingspogingen van verdachte naar het slachtoffer, dat daartoe geen enkele aanleiding had gegeven en reeds vanaf het begin van de ten laste gelegde periode duidelijk te kennen had gegeven niet van hem gediend te zijn, waarbij verdachte ook niet door de politie van zijn belagingsgedrag was te weerhouden, zijn bij het slachtoffer hevige angstgevoelens veroorzaakt.

Zowel de psycholoog als de psychiater concluderen dat het noodzakelijk is dat verdachte antipsychotische medicatie gaat gebruiken. Vanwege het gebrek aan ziekte inzicht zal verdachte zich zonder gedwongen kader niet laten behandelen en begeleiden. Gelet op de inhoud van voormelde rapportages, gelet op de conclusies dat verdachte geen controle heeft over zijn agressieve impulsen, gelet op het hoge recidiverisico, gelet op de kennelijke overtuiging van verdachte dat aangeefster een relatie met hem wil, hetgeen hij ook ter terechtzitting niet heeft weersproken, gelet op het gebrek aan ziekte-inzicht bij verdachte en gelet op zijn daarmee samenhangende weigering antipsychotische medicatie in te nemen, is de rechtbank van oordeel dat verdachte een gevaar voor zichzelf is, met name voor zijn geestelijke gezondheid, alsmede een gevaar oplevert voor anderen, met name voor aangeefster. Dit gevaar kan - naar het zich laat aanzien - slechts worden verlaagd door een klinische psychiatrische behandeling en resocialisatie in een gedwongen kader. Aan de noodzaak tot een behandeling in een gedwongen kader doet naar het oordeel van de rechtbank niet af dat het bewezen verklaarde feit, belaging, op zichzelf slechts zeer hinderlijk en niet gevaarlijk van aard is.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector Strafrecht

Locatie Haarlem

Meervoudige strafkamer

Parketnummer: 15/700856-09

Uitspraakdatum: 12 augustus 2010

Tegenspraak

Strafvonnis

Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van 29 juli 2010 in de zaak tegen:

[verdachte],

Volgens eigen opgaaf geboren op [geboortedatum] te [geboorteplaats] ([land]),

zonder vaste woon of verblijfplaats hier te lande,

thans gedetineerd in de PI Amsterdam, HvB Het Schouw.

1. Tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op één of meer tijdstip(pen) in of omstreeks de periode van 3 december 2009 tot en met 28 december 2009 te Haarlem, in elk geval in Nederland, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [slachtoffer], in elk geval van een ander, met het oogmerk die [slachtoffer], in elk geval die ander te dwingen iets te doen, niet te doen, te dulden en/of vrees aan te jagen, immers heeft hij verdachte

- zich meermalen, althans éénmaal, bij de woning, althans in de buurt, van die [slachtoffer] opgehouden;

- meermalen, althans éénmaal, (herhaaldelijk) bij de woning van die [slachtoffer] aangebeld.

2. Voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat het openbaar ministerie ontvankelijk is in zijn vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

3. Vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het tenlastegelegde feit en gevorderd dat verdachte daarvoor zal worden ontslagen van alle rechtsvervolging en met toepassing van artikel 37 van het Wetboek van Strafrecht zal worden geplaatst in een psychiatrisch ziekenhuis voor de duur van één jaar. Ten aanzien van de vordering benadeelde partij heeft de officier van justitie gevorderd dat de benadeelde partij daarin niet ontvankelijk zal worden verklaard.

4. Bewijs

4.1. Redengevende feiten en omstandigheden

De rechtbank komt tot bewezenverklaring van het ten laste gelegde feit op grond van de navolgende bewijsmiddelen waarbij de rechtbank - nu verdachte een bekennende verdachte als bedoeld in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering is - zal volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen, te weten:

* de bekennende verklaring van verdachte ter terechtzitting afgelegd;

* processen-verbaal van aangifte d.d. 4 december 2009; d.d. 9 december 2009; d.d.15 december 2009; d.d. 24 december 2009 en d.d. 28 december 2009.

* processen-verbaal van verhoor verdachte d.d. 4 december 2009; d.d. 9 december 2009; d.d. 15 december 2009 en d.d. 24 december 2009;

* proces-verbaal van bevindingen d.d. 28 december 2009.

De rechtbank merkt daarbij nog op dat er slechts aanleiding zou zijn verdachte vrij te spreken van het hem ten laste gelegde feit, wanneer bij hem ten tijde van de aan hem verweten gedragingen, ieder inzicht in de draagwijdte van die gedragingen en de mogelijke gevolgen daarvan heeft ontbroken. Gelet op de in het voorbereidend onderzoek door verdachte ten overstaan van de politie afgelegde verklaringen en gemaakte opmerkingen kan niet worden volgehouden dat verdachte van elk inzicht in de reikwijdte van zijn gedragingen en de mogelijke gevolgen daarvan verstoken is geweest.

4.2 Bewezenverklaring

Gelet op het bovenstaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, in dier voege dat:

hij op verschillende tijdstippen in en omstreeks de periode van 3 december 2009 tot en met 28 december 2009 te Haarlem, wederrechtelijk stelselmatig opzettelijk inbreuk heeft gemaakt op de persoonlijke levenssfeer van [slachtoffer], met het oogmerk die [slachtoffer] te dwingen iets te dulden, immers heeft hij verdachte zich meermalen bij de woning en in de buurt van die [slachtoffer] opgehouden en meermalen bij de woning van die [slachtoffer] aangebeld.

Voor zover in de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, leest de rechtbank de tenlastelegging verbeterd. Blijkens het verhandelde op de terechtzitting is de verdachte daardoor niet geschaad in zijn verdediging.

Hetgeen aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hier als bewezen is aangenomen, is niet bewezen. De verdachte moet hiervan worden vrijgesproken.

5. Strafbaarheid van het feit

Het bewezen verklaarde levert op:

Belaging.

6. Strafbaarheid van verdachte

Uit de uitgebreid onderbouwde rapportages van de deskundigen D. Breuker, gezondheidszorg- en forensisch psycholoog, d.d. 10 juni 2010 , en I. Maksimovic, psychiater, d.d. 23 juni 2010, kan worden opgemaakt dat verdachte lijdt aan een ziekelijke stoornis van zijn geestesvermogens in de zin van schizofrenie van het ongedifferentieerde type. Ten tijde van het ten laste gelegde was verdachte psychotisch, vanuit zijn schizofrenie van het ongedifferentieerde type. Dit kan, aldus de psychiater, met zekerheid worden gesteld, omdat verdachte aan een chronische psychotische stoornis (schizofrenie) lijdt, die zonder medicatie niet overgaat. Vanwege dit psychotische beeld kan niet worden uitgesloten dat verdachte niet in staat was om zijn gedrag en impulsen te beheersen en dat hij niet in staat was om in te zien wat voor een effect zijn gedrag op de aangeefster had. Beide deskundigen adviseren verdachte voor het ten laste gelegde als ontoerekeningsvatbaar te beschouwen.

De rechtbank neemt dit eensluidende advies van beide deskundigen, mede gelet op de onderbouwing ervan door de deskundigen, over en maakt dit tot haar eigen oordeel. De rechtbank overweegt derhalve dat het bewezen geachte feit niet aan verdachte kan worden toegerekend en dat verdachte ter zake dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

7. Motivering van de maatregel

Bij de beslissing over de maatregel die aan verdachte moet worden opgelegd, heeft de rechtbank zich laten leiden door de aard en de ernst van het bewezen verklaarde en de omstandigheden waaronder dit is begaan, alsmede de persoon van verdachte zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting en uit de bespreking aldaar van voormelde door gezondheidszorg- en forensisch psycholoog D. Breuker en psychiater I. Maksimovic uitgebrachte rapportages is gebleken.

In het bijzonder heeft de rechtbank het navolgende in aanmerking genomen.

Verdachte is een dak- en thuisloze man uit [land] die al langere tijd zonder doel of dagbesteding in Haarlem verblijft. Verdachte heeft aangeefster, die met hem wel eens een praatje maakte wanneer zij de hond uit liet, ruim een maand lang stelselmatig belaagd door zich nabij haar en haar woning op te houden, aan te bellen en in één geval op haar balkon te klimmen. Een begrijpelijke aanleiding voor deze belaging is niet vast te stellen. Deze belaging lijkt slechts te zijn voortgekomen uit het bij verdachte post gevatte waanbeeld dat aangeefster verliefd op hem is. Door de zeer volhardende toenaderingspogingen van verdachte naar het slachtoffer, dat daartoe geen enkele aanleiding had gegeven en reeds vanaf het begin van de ten laste gelegde periode duidelijk te kennen had gegeven niet van hem gediend te zijn, waarbij verdachte ook niet door de politie van zijn belagingsgedrag was te weerhouden, zijn bij het slachtoffer hevige angstgevoelens veroorzaakt. Een feit als het onderhavige veroorzaakt bovendien niet alleen veel angst en overlast bij het slachtoffer, maar veroorzaakt ook gevoelens van onrust en onveiligheid in de samenleving.

Verdachte lijdt, zoals hiervoor onder 6. overwogen, aan een ziekelijke stoornis van zijn geestesvermogens in de zin van schizofrenie van het ongedifferentieerde type. Voor het antwoord op de vraag of ter voorkoming van gevaar voor verdachte zelf, anderen, of voor de algemene veiligheid van personen en goederen, oplegging van een maatregel als bedoeld in artikel 37 van het Wetboek van Strafrecht noodzakelijk is, overweegt de rechtbank het volgende.

Psychiater I. Maksimovic concludeert in zijn rapport dat verdachte vanwege zijn chronisch psychotische toestand de gevolgen van zijn handelen, zowel voor anderen als voor zichzelf, niet kan overzien. Door zijn psychose ontbreekt het hem aan adequate verstandelijke vormen van coping en vertoont hij mede daardoor impulsief en agressief gedrag. Het niet hebben van probleeminzicht, psychotische symptomen, impulsiviteit, enig gebrek aan empathie, gebrekkige sociale en relationele vaardigheden, geringe zelfredzaamheid, een slechte attitude ten aanzien van de behandeling, geen verantwoordelijkheid nemen voor het ten laste gelegde en het hebben van pathologische copingvaardigheden zijn alle bij verdachte aanwezige historische recidive risico-indicatoren. Geen overeenstemming over voorwaarden ( naar de rechtbank begrijpt voor een behandeling), slechte materiële indicatoren en dagbesteding, geringe vaardigheden, gebrekkige sociale steun en netwerk en een geringe weerbaarheid ten aanzien van stress zijn toekomstige recidive risico-indicatoren die gevoegd bij voormelde historische indicatoren -aldus de psychiater- het beeld geven van een hoog recidiverisico.

Psycholoog D. Breuker concludeert eveneens dat de kans op herhaling groot is. Zonder medicamenteuze behandeling met antipsychotische medicatie zullen de bij verdachte aanwezige wanen en mogelijk de hallucinaties persisteren. Verdachte is -aldus de psycholoog- van de gedachte overtuigd dat aangeefster ook een relatie met hem wil.

Zowel de psycholoog als de psychiater concluderen dat het noodzakelijk is dat verdachte antipsychotische medicatie gaat gebruiken. Vanwege het gebrek aan ziekte inzicht zal verdachte zich zonder gedwongen kader niet laten behandelen en begeleiden. Om de behandeling en begeleiding te waarborgen is een gedwongen kader noodzakelijk om de kans op recidive te verlagen, aldus de psychiater. Vanwege de aard en de ernst van de stoornis en het verband met het tenlastegelegde wordt een gedwongen behandeling in een psychiatrisch ziekenhuis noodzakelijk geacht om de kans op recidive te verkleinen, aldus de psycholoog.

Gelet op de inhoud van voormelde rapportages, gelet op de conclusies dat verdachte geen controle heeft over zijn agressieve impulsen, gelet op het hoge recidiverisico, gelet op de kennelijke overtuiging van verdachte dat aangeefster een relatie met hem wil, hetgeen hij ook ter terechtzitting niet heeft weersproken, gelet op het gebrek aan ziekte-inzicht bij verdachte en gelet op zijn daarmee samenhangende weigering antipsychotische medicatie in te nemen, is de rechtbank van oordeel dat verdachte een gevaar voor zichzelf is, met name voor zijn geestelijke gezondheid, alsmede een gevaar oplevert voor anderen, met name voor aangeefster. Dit gevaar kan - naar het zich laat aanzien - slechts worden verlaagd door een klinische psychiatrische behandeling en resocialisatie in een gedwongen kader.

Aan de noodzaak tot een behandeling in een gedwongen kader doet naar het oordeel van de rechtbank niet af dat het bewezen verklaarde feit, belaging, op zichzelf slechts zeer hinderlijk en niet gevaarlijk van aard is. De rechtbank heeft immers rekening te houden met enig toekomstig gevaar en is van oordeel -zoals hierboven gemotiveerd- dat een dergelijk gevaar in hoge mate aanwezig is. De rechtbank is daarom, met de officier van justitie, van oordeel dat de maatregel plaatsing in een psychiatrische inrichting als bedoeld in artikel 37 van het Wetboek van Strafrecht voor de termijn van een jaar is vereist en zal deze maatregel dan ook opleggen.

8. Vordering benadeelde partij

De benadeelde partij [slachtoffer] heeft een vordering tot schadevergoeding van € 650,- ingediend tegen verdachte wegens immateriële schade die zij als gevolg van het tenlastegelegde feit zou hebben geleden. De rechtbank is van oordeel dat deze vordering niet eenvoudig van aard is, zodat zij zich niet leent voor behandeling in dit strafgeding. De benadeelde partij zal dan ook niet in de vordering kunnen worden ontvangen.

9. Toepasselijke wettelijke voorschriften

De volgende wetsartikelen zijn van toepassing:

artikelen 37, 285b van het Wetboek van Strafrecht.

10. Beslissing

De rechtbank:

Verklaart bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan zoals hiervoor onder 4.2. weergegeven.

Verklaart niet bewezen wat aan verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven als bewezen is aangenomen en spreekt verdachte daarvan vrij.

Bepaalt dat het bewezen verklaarde feit het hierboven onder 5. vermelde strafbare feit oplevert.

Verklaart verdachte hiervoor niet strafbaar en ontslaat hem deswege van alle rechtsvervolging.

Gelast dat de verdachte in een psychiatrisch ziekenhuis zal worden geplaatst voor een termijn van één (1) jaar.

Verklaart de benadeelde partij [slachtoffer] niet-ontvankelijk in haar vordering.

Samenstelling rechtbank en uitspraakdatum

Dit vonnis is gewezen door

mr. R.E.A. Toeter, voorzitter,

mr. M.E. Fortuin en mr. P.P.J. van der Meij, rechters,

in tegenwoordigheid van de griffier mr. J.J. van Bree,

en uitgesproken op de openbare terechtzitting van 12 augustus 2010.

Mr. P.P.J. van der Meij is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.