Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2010:BN4176

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
09-07-2010
Datum publicatie
17-08-2010
Zaaknummer
08/3520
Rechtsgebieden
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Douane. Beroep op het arrest Sopropé kan ook slagen in het geval een verzoek tot terugbetaling is ingediend.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht, meervoudige douanekamer

Procedurenummer: AWB 08/3520

Uitspraakdatum: 9 juli 2010

Uitspraak als bedoeld in afdeling 8.2.6 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen

X BV, gevestigd te Z, eiseres,

en

de inspecteur van de Belastingdienst P, verweerder.

1. Ontstaan en loop van het geding

1.1. Verweerder heeft met dagtekening 22 mei 2006 aan eiseres een uitnodiging tot betaling

(utb) voor de heffing van antidumpingheffing (ADH) opgelegd, beschikkingnummer [nummer], ten bedrage van € 6.849,21. Eiseres heeft vervolgens bij brief van 17 juli 2006 terugbetaling c.q. kwijtschelding van de utb verzocht op de voet van artikel 236 van het Communautair douanewetboek (CDW). Verweerder heeft bij beschikking van 14 december 2007 het verzoek om terugbetaling afgewezen.

1.2. Na daartegen gemaakt bezwaar heeft eiseres, met instemming van verweerder, op de voet van artikel 7:1a van de Awb rechtstreeks beroep ingesteld bij de rechtbank. De rechtbank heeft het beroepschrift ontvangen op 15 april 2008. Verweerder heeft op de zaak betrekking hebbende stukken en een verweerschrift ingediend.

1.3. Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 februari 2010. Namens eiseres is daar verschenen mr. A., tot bijstand vergezeld van mr. B. Tevens zijn verschenen C en D en E, alle werkzaam bij Y B.V. Namens verweerder is verschenen mr. F, tot bijstand vergezeld van mr. G. De rechtbank heeft het onderzoek gesloten.

1.4. De rechtbank heeft het onderzoek vervolgens op de voet van artikel 8:68 van de Awb heropend teneinde partijen in de gelegenheid te stellen zich over een onderdeel van het geschil uit te laten. Partijen hebben de rechtbank hierover schriftelijk geïnformeerd en de rechtbank toestemming gegeven zonder nadere zitting uitspraak te doen. De rechtbank heeft afschriften van de stukken telkens naar de wederpartij gezonden en heeft het onderzoek vervolgens gesloten.

2. Tussen partijen vaststaande feiten

2.1. Eiseres oefent een expeditiebedrijf uit. Eiseres heeft op 11 augustus 2004 en 23 september 2004 aangiften gedaan voor het brengen in het vrije verkeer van spaarlampen, in opdracht van Y B.V. Op de aangiften werd als goederencode 8539.3190.91 vermeld, aangevuld met taric code A239. Tussen partijen is niet in geschil dat bij de aangiften formulieren A zijn overgelegd, waarin is bevestigd dat de fabrikant van de goederen V Ltd. te China is. Deze formulieren zijn echter niet in het geding gebracht.

2.2. Op 25 maart 2004 en op 29 maart 2004 is een controle na invoer (hierna: CNI) op de voet van artikel 78 van het CDW ingesteld bij de opdrachtgeefster van eiseres, Y B.V. Naar aanleiding van de bevindingen van de CNI is een onderzoek door de FIOD/ECD gestart. Dit heeft geleid tot een strafrechtelijke onderzoek naar (de bestuurders van) Y B.V. De strafzaak is echter geseponeerd. Eiseres noch haar bestuurders zijn verdachte geweest in het onderzoek, noch op andere wijze daarbij betrokken geweest.

2.3. Tussen partijen staat vast dat het proces-verbaal van de FIOD-ECD op 23 februari 2006 aan Y B.V. is uitgereikt. Vervolgens zijn door verweerder zowel aan eiseres als aan Y B.V. diverse utb’s uitgereikt, waaronder de onder 1.1 genoemde utb. Tussen partijen is niet in geschil dat verweerder noch de uitkomst van de CNI noch het proces-verbaal van de FIOD-ECD aan eiseres heeft verstrekt.

2.4. Tot de stukken van het geding behoort de ‘Uitspraak op een verzoek om terugbetaling’ van verweerder aan de gemachtigde van eiseres. In dit stuk met dagtekening 14 december 2007 is, onder meer, als volgt vermeld:

“Uw cliënt [eiseres] heeft voor de onderneming Y B.V. aangiften ten invoer verzorgd.

Op 25 en 29 maart 2004 is op grond van artikel 78 CDW een controle na invoer ingesteld bij Y. De controle werd uitgevoerd door medewerkers van de Douane P en had betrekking op de invoer van spaarlampen na het instellen van een voorlopige antidumping.

Naar aanleiding van de bevindingen tijdens de controle is bij de controleambtenaren het vermoeden ontstaan dat er onjuiste aangiften ten invoer zijn gedaan met als gevolg dat er geen of te weinig antidumpingheffing werd betaald.

Door de FIOD/ECD is hierop een onderzoek gestart.

(…)

Na navraag te hebben gedaan bij de FIOD/ECD is mij gebleken dat het proces verbaal van de FIOD/ECD op 23 februari 2006 aan Y is toegezonden. De uitnodigingen tot betaling zijn op deze datum aan uw cliënt uitgereikt.

Indien uit deze omschrijving nog onduidelijkheden bij uw cliënt hadden bestaan, had hij bij zijn opdrachtgever Y kunnen informeren naar het FIOD/ECD rapport.

De uitnodiging tot betaling is door de inspecteur opgelegd nadat uit het FIOD/ECD onderzoek duidleijk is geworden dat de antidumpingheffing was ontdoken. Van een onzorgvuldige afweging van belangen is geen sprake. (…)”

3. Geschil

3.1. Tussen partijen in geschil of verweerder de utb terecht en op juiste wijze heeft opgelegd en of verweerder terecht het door eiseres op de voet van artikel 236 van het CDW gedane verzoek om terugbetaling terecht en op juiste gronden heeft afgewezen. Eiseres stelt dat dit niet het geval is, aangezien verweerder de uitkomsten van het onderzoek eerst had moeten voorleggen aan haar, teneinde haar recht op verdediging te waarborgen. Door dit na te laten handelt verweerder in strijd met het recht op verdediging, zoals vastgesteld in het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (hierna: Hof van Justitie) van 18 december 2008, in de zaak C 349/07, inzake Sopropé. Eiseres concludeert tot gegrondverklaring van het beroep, vernietiging van de beslissing op het verzoek tot terugbetaling dan wel vernietiging van de utb.

3.2. Verweerder concludeert tot ongegrondverklaring van het beroep.

3.3. Voor de overige standpunten van partijen wordt verwezen naar de stukken van het geding en het aan deze uitspraak gehechte proces-verbaal van het verhandelde ter zitting.

4. Beoordeling van het beroep

4.1. Het is vaste jurisprudentie van het Hof van Justitie dat naast de communautaire wetgeving, algemene rechtsbeginselen bestaan in het gemeenschapsrecht waarvan het Hof van Justitie de eerbiediging verzekert. De grondrechten maken, eveneens volgens vaste jurisprudentie van het Hof van Justitie, integrerend deel uit van die algemene rechtsbeginselen. Tevens is het vaste jurisprudentie dat de eerbiediging van de rechten van de verdediging te beschouwen is als een grondbeginsel van gemeenschapsrecht.

4.2. In het arrest Commissie/Lisrestal (zaak C32/95 P) heeft het Hof van Justitie ten aanzien van het recht om te worden gehoord in punt 21 gesteld:

“21 Er zij aan herinnerd, dat de eerbiediging van de rechten van de verdediging in iedere procedure tegen iemand die tot een bezwarend besluit kan leiden, is te beschouwen als een grondbeginsel van gemeenschapsrecht, dat zelfs bij ontbreken van iedere regeling inzake de betrokken procedure in acht moet worden genomen (zie met name arresten van 29 juni 1994, zaak C-135/92, Fiskano, Jurispr. 1994, blz. I-2885, r.o. 39 en 12 februari 1992, gevoegde zaken C-48/90 en C-666/90, Nederland e.a./Commissie, Jurispr. 1992, blz. I-565, r.o. 44). Dit beginsel houdt in, dat de adressaten van besluiten die hun belangen aanmerkelijk beïnvloeden, in staat worden gesteld naar behoren hun standpunt kenbaar te maken. ”

4.3. In het arrest van 18 december 2008, in de zaak C 349/07, inzake Sopropé, heeft het Hof van Justitie nogmaals bevestigd dat er een tot de algemene beginselen van het gemeenschapsrecht behorende recht van verdediging bestaat. Het Hof van Justitie heeft over dit recht van verdediging als volgt geoordeeld:

“(…)

36 De eerbiediging van de rechten van de verdediging vormt een algemeen beginsel van gemeenschapsrecht dat van toepassing is wanneer de administratie voornemens is een bezwarend besluit ten opzichte van een bepaalde persoon vast te stellen.

37 Dit beginsel vereist dat de adressaten van besluiten die hun belangen aanmerkelijk raken, in staat worden gesteld naar behoren hun standpunt kenbaar te maken over de elementen waarop de administratie haar besluit wil baseren. Zij dienen daartoe over een toereikende termijn te beschikken (zie met name reeds aangehaalde arresten Commissie/Lisrestal e.a., punt 21, en Mediocurso/Commissie, punt 36). ”

Vervolgens heeft het Hof van Justitie aangegeven welke verplichting dit rechtsbeginsel van de gemeenschap met zich brengt:

“38 Deze verplichting rust op de administratieve overheden van de lidstaten wanneer zij besluiten nemen die binnen de werkingssfeer van het gemeenschapsrecht vallen, ook al voorziet de toepasselijke communautaire wetgeving niet uitdrukkelijk in een dergelijke formaliteit. Wat de tenuitvoerlegging van dit beginsel en meer bepaald de termijnen voor de uitoefening van de rechten van de verdediging betreft, dient te worden gepreciseerd dat deze, wanneer zij – zoals in het hoofdgeding – niet door het gemeenschapsrecht zijn vastgesteld, door het nationale recht worden bepaald, met dien verstande dat zij even lang moeten zijn als die waarover particulieren of ondernemingen in vergelijkbare nationaalrechtelijke situaties beschikken en de uitoefening van de door het gemeenschapsrecht verleende rechten van de verdediging in de praktijk niet onmogelijk of uiterst moeilijk mogen maken (…)”

4.4. Ingevolge artikel 236, eerste lid, van het CDW wordt overgegaan tot terugbetaling van rechten bij invoer wanneer wordt vastgesteld dat het bedrag van de rechten op het tijdstip van betaling niet wettelijk verschuldigd was, dan wel in strijd met artikel 220, tweede lid, van het CDW werd geboekt. Een dergelijke terugbetaling wordt krachtens artikel 236, tweede lid, eerste alinea, van het CDW verleend indien bij het betrokken douanekantoor vóór het verstrijken van een termijn van drie jaren, te rekenen vanaf de datum waarop genoemde rechten aan schuldenaar zijn medegedeeld, een daartoe strekkend verzoek wordt ingediend.

4.5. De Nederlandse wet kent, evenmin als het CDW, een regeling op grond waarvan de indiener van een verzoek om terugbetaling op de voet van artikel 236 van het CDW de gelegenheid moet worden geboden naar behoren zijn standpunt kenbaar te maken alvorens dit verzoek wordt afgewezen of daarop anderszins negatief wordt beslist.

4.6. Het ontbreken van een dergelijke wettelijke verplichting ontslaat verweerder, zoals blijkt uit de onder 4.2 en 4.3 genoemde arresten, echter niet van zijn verplichting om de indiener van een verzoek om terugbetaling in de gelegenheid te stellen naar behoren zijn standpunten kenbaar te maken over de elementen waarop de administratie haar beslissing op dat verzoek wil baseren alvorens de douaneautoriteiten een voor die indiener bezwarend besluit nemen zoals het afwijzen van een verzoek om terugbetaling. De stelling van verweerder, dat het recht op verdediging reeds voldoende is gewaarborgd door de in de Nederlandse wet gewaarborgde bezwaarfase maakt dit oordeel niet anders. Immers, in de procedure die heeft geleid tot het hiervoor in 4.3 genoemde arrest van het Hof van Justitie is dit standpunt reeds, in onderdeel 28, naar voren gebracht door de Italiaanse Republiek, zonder dat dit tot een andersluidend oordeel van het Hof van Justitie heeft geleid.

4.7. De rechtbank neemt in aanmerking dat uit de hiervoor onder 2.4 weergegeven beslissing op het verzoek om terugbetaling blijkt dat verweerder zijn beslissing op het verzoek nagenoeg geheel heeft gebaseerd op het proces-verbaal van de FIOD-ECD dat op 23 februari 2006 aan Y B.V. is uitgereikt. Verweerder heeft zich daarbij op het standpunt gesteld dat eiseres op de hoogte had kunnen zijn van de inhoud van het proces-verbaal van de FIOD-ECD nu dat aan de opdrachtgeefster van eiseres - Y B.V. - is gezonden. Eiseres heeft ter zitting bestreden dat zij het proces-verbaal heeft ontvangen en dat zij niet op de hoogte is gesteld daarvan. De rechtbank is van oordeel dat verweerders stelling dat eiseres het rapport zelf had moeten opvragen bij Y B.V. in dit kader niet afdoende is. Hoewel verweerder in zijn onder 2.4 genoemde beslissing op het verzoek om terugbetaling inhoudelijk is ingegaan op de gronden die door Y B.V. tegen de utb zijn aangevoerd, is eiseres blijkens deze beslissing niet in de gelegenheid gesteld kennis te nemen van het rapport waarop een en ander is gebaseerd.

4.8. Door het verzoek om terugbetaling af te wijzen zonder eerst de uitkomst van het onder 2.2 genoemde onderzoek aan eiseres voor te leggen of op andere wijze eiseres in de gelegenheid te stellen haar zienswijze omtrent het rapport kenbaar te maken, heeft verweerder gezien het hiervoor onder 4.6 gegeven oordeel het tot de grondbeginselen van het gemeenschapsrecht behorende recht van verdediging van eiseres geschonden.

4.9. De rechtbank zal niet overgaan tot een inhoudelijke behandeling van het beroep tegen het afwijzende verzoek ingevolge artikel 236 van het CDW, maar de zaak terugverwijzen naar verweerder om opnieuw te beslissen op het verzoek om terugbetaling met inachtneming van deze uitspraak.

4.10. Het beroep van eiseres is om deze reden reeds gegrond. Aan een oordeel over de overige punten van geschil komt de rechtbank niet meer toe.

5. Proceskosten

5.1. De rechtbank vindt aan¬lei¬ding verweerder te veroordelen in de kos¬ten die eiseres in verband met de behande¬ling van het beroep redelij¬kerwijs heeft moeten maken

5.2. De rechtbank dient in dat kader de vraag te beantwoorden of voor de kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand het forfaitaire tarief, zoals dat in de bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht (hierna: BPB) is uitgewerkt, moet worden gebruikt of dat de integrale kosten moeten worden vergoed, zoals eiseres verzoekt. Artikel 2, derde lid, van het BPB biedt de mogelijkheid om in bijzondere omstandigheden van het forfaitaire tarief af te wijken. Uit de parlementaire behandeling van de Wet kosten bestuurlijke voorprocedures blijkt dat de wetgever bij bijzondere omstandigheden denkt aan zeer schrijnende gevallen (TK 1999-2000, 27 024, nr. 3 (MvT), blz. 7). Naar het oordeel van de rechtbank levert in het onderhavige geval de gang van zaken geen bijzondere omstandigheid op in de zin van artikel 2, derde lid, van het BPB. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat verweerder geen standpunt heeft ingenomen dat in redelijkheid geen stand zou kunnen houden. Het arrest van het Hof van Justitie waar de rechtbank deze uitspraak grotendeels op baseert, is immers gewezen na de in beroep voorliggende beslissing van verweerder. Hierin ligt derhalve geen grond voor het oordeel dat verweerder een beslissing zou hebben genomen die hij in redelijkheid niet heeft kunnen nemen.

5.3. Nu van een bijzondere omstandigheid in de zin van artikel 2, derde lid, van het BPB geen sprake is, dient voor de beroepsmatig verleende rechtsbijstand derhalve een forfaitaire kostenvergoeding te worden toegekend. Deze vergoeding kan op de voet van het BPB worden gesteld op een bedrag van € 805 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting en 0,5 punt voor het geven van schriftelijke inlichtingen met een waarde per punt van € 322,- en een wegingsfactor 1).

5.4. Aangezien geen griffierecht is geheven van eiseres, is er geen grond verweerder te gelasten dit aan eiseres te vergoeden.

6. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de onder 1.1. genoemde beslissing op het verzoek tot terugbetaling;

- draagt verweerder op om met inachtneming van deze uitspraak opnieuw te beslissen op het onder 1.1. genoemde verzoek om terugbetaling;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres ten bedrage van € 805.

Deze uitspraak is gedaan op 9 juli 2010 en op dezelfde dag in het openbaar uitgesproken door mr. E. Polak, voorzitter, mr. M.H.L.C. Bijvoet en mr. A.J. Roke, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S. Plesman-Jalink, griffier.

Afschrift verzonden aan partijen op:

De rechtbank heeft geen bezwaar tegen afgifte door de griffier van een afschrift van de uitspraak in geanonimiseerde vorm.

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de verzenddatum hoger beroep instellen bij het gerechtshof te Amsterdam (douanekamer), Postbus 1312, 1000 BH Amsterdam.

Bij het instellen van hoger beroep dient het volgende in acht te worden genomen:

1 - bij het beroepschrift wordt een afschrift van deze uitspraak overgelegd;

2 - het beroepschrift moet ondertekend zijn en ten minste het volgende vermelden:

a. de naam en het adres van de indiener;

b. een dagtekening;

c. een omschrijving van de uitspraak waartegen het hoger beroep is ingesteld;

d. de gronden van het hoger beroep.