Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2010:BN4040

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
13-08-2010
Datum publicatie
16-08-2010
Zaaknummer
AWB 09/4804
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vast staat dat de oplegging van de maatregel van 100% verlaging van eisers bijstandsuitkering voor een periode van drie maanden onrechtmatig was tegenover hem. Het opleggen van een dergelijke maatregel, waardoor eiser niet kon voorzien in zijn primaire levensbehoeften en vaste lasten, maakt een ernstige inbreuk maakt op het privé-leven, als omschreven in artikel 8, eerste lid, EVRM. Omdat het opleggen van de maatregel onrechtmatig was, is er geen rechtvaardiging voor de gemaakte inbreuk op het privé-leven. Een dergelijke inbreuk op een fundamenteel recht moet worden aangemerkt als een aantasting van de persoon. Aannemelijk is dat eiser als gevolg van het opleggen van de maatregel immateriële schade heeft geleden. De rechtbank acht een immateriële schadevergoeding van € 500,- billijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JWWB 2010/207
O&A 2011/23

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 09 - 4804

uitspraak van de meervoudige kamer van 13 augustus 2010

in de zaak van:

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

gemachtigde: mr. E.C. Cerezo - Weijsenfeld

tegen:

het college van burgemeester en wethouders van Haarlem,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 27 oktober 2008 heeft verweerder het verzoek van eiser om schadevergoeding afgewezen.

Hiertegen heeft eiser bij brief van 3 november 2008 bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 14 september 2009 is het bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard en heeft verweerder wettelijke rente toegekend.

Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 28 september 2009 beroep ingesteld.

Verweerder heeft op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden en een verweerschrift ingediend.

Het beroep is behandeld ter zitting van 21 mei 2010, alwaar eiser werd vertegenwoordigd door zijn gemachtigde. Verweerder werd vertegenwoordigd door

R. Asmussen.

2. Overwegingen

2.1 Eiser is in 1996 als asielzoeker naar Nederland gekomen en ontving sedert 9 december 2003 een uitkering krachtens de Wet Werk en Bijstand (WWB) naar de norm van een alleenstaande. Bij besluit van 21 december 2007 heeft verweerder eisers bijstandsuitkering per 1 januari 2008 verlaagd met 100% voor de duur van zes maanden. Tegen dit besluit heeft eiser bezwaar gemaakt, en tevens heeft hij bij deze rechtbank verzocht om een voorlopige voorziening. Bij uitspraak van 7 april 2008 (kenmerk 08-2244, 08-2238) heeft de voorzieningenrechter van deze rechtbank het verzoek om een voorlopige voorziening toegewezen, het besluit geschorst en verweerder opgedragen eiser per 1 april 2008 voorschotten te verstrekken ter hoogte van de voor hem geldende bijstandsnorm. Bij besluit van 29 april 2008 heeft verweerder de opgelegde maatregel van 100% verlaging van de uitkering voor zes maanden heroverwogen en de maatregel per 1 april 2008 beëindigd. Tegen dit besluit heeft eiser ook bezwaar gemaakt. Bij besluit van 18 juli 2008 heeft verweerder het bezwaar gegrond verklaard voor zover het betrof de opgelegde maatregel van 100% voor zes maanden. Het bezwaar voor zover gericht tegen de maatregel van 100% opgelegd voor drie maanden (periode 1 januari 2008 tot 1 april 2008), is ongegrond verklaard. Tegen dit besluit heeft eiser op 20 augustus 2008 beroep ingesteld. Bij uitspraak van 10 maart 2009 van deze rechtbank (kenmerk 08-5647) is het beroep van eiser gegrond verklaard en het besluit van 29 april 2008 vernietigd. Hierbij heeft de rechtbank opgemerkt dat verweerder zich ten onrechte geen rekenschap heeft gegeven van het aanwezige psychiatrische rapport en het rapport van Aob Compaz, waaruit naar voren kwam dat er diverse aanwijzingen zijn voor psychiatrische- en verslavingsproblematiek en dat nader onderzoek hiernaar gewenst is. Verweerder heeft tegen deze uitspraak geen hoger beroep ingesteld.

2.2 Eiser heeft op 23 april 2008 een verzoek ingediend om een zuiver schadebesluit, in verband met het besluit van 21 december 2007. Gesteld is dat sprake was van onrechtmatige besluitvorming en dat eiser hierdoor schade heeft geleden, zowel materieel als immaterieel. Eiser heeft ruim drie maanden zonder inkomsten geleefd. Verweerder heeft in het primaire besluit eisers verzoek om schadevergoeding afgewezen, omdat volgens verweerder geen sprake zou zijn van onrechtmatige besluitvorming. Naar aanleiding van eisers bezwaar heeft verweerder dit besluit heroverwogen. Op 20 augustus 2009 heeft verweerders commissie beroep- en bezwaarschriften advies uitgebracht. Naar aanleiding van dit advies heeft verweerder eisers bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard en bepaald dat eiser recht heeft op wettelijke rente over € 1.865,43. Bij nota van 16 september 2009 is een bedrag van

€ 193,72 aan eisers gemachtigde overgemaakt.

2.3 Eiser heeft zich in beroep – samengevat – op het volgende standpunt gesteld. Ten onrechte heeft verweerder een maatregel van 100% verlaging van de bijstandsuitkering opgelegd voor de duur van zes maanden. Ten onrechte heeft verweerder aan eiser de verplichting opgelegd via Paswerk te gaan werken. Eiser was vanwege psychische klachten helemaal niet in staat om te werken. Eiser heeft in dit kader verwezen naar de uitspraak van deze rechtbank van 10 maart 2009, waarin dit ook is komen vast te staan. Eiser had door het besluit van verweerder helemaal geen inkomen meer, terwijl verweerder geen voorzieningen heeft getroffen voor gas, licht, huur en eten. Eiser is daarom in financiële problemen gekomen. Er liep een kort geding over de ontruiming van zijn woning, er zijn kosten gemaakt door aanmaningen, deurwaarders en de kantonrechterprocedure met betrekking tot de woning. Verweerder neemt ten onrechte het besluit van 29 april 2008 als uitgangspunt voor schadevergoeding. Het besluit van 21 december 2007 moet het uitgangspunt vormen. Dat dit besluit later is herzien doet hier niet aan af. De betalingsverplichting voor verweerder ontstond op 1 januari 2008, de rente dient dan ook in te gaan vanaf die datum. Volgens eiser is de jurisprudentie met betrekking tot ‘vertraagde betaling’ niet van toepassing, nu de aard van de onderhavige rechtsbetrekking zich tegen de strikte interpretatie van het begrip van de vertraagde betaling verzet. Voorts heeft verweerder in het bestreden besluit geen beslissing genomen over de proceskosten in bezwaar in de schadezaak. Ook vindt eiser dat recht bestaat op een immateriële schadevergoeding. Verweerder is eraan voorbij gegaan dat in dit geval sprake was van een psychiatrisch beperkte man, die verweerder zonder enig inkomen heeft gelaten. Ten onrechte stelt verweerder dat hij zelf maar met een rapport moet komen om aan te tonen hoe erg zijn situatie was. Inmiddels staat voldoende vast hoe eiser heeft geleden onder de onrechtmatige besluitvorming. Tenslotte wordt aangevoerd dat artikel 8 van het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens en de Fundamentele vrijheden (EVRM) is geschonden. In dit kader is ter zitting verwezen naar de uitspraak van 12 januari 2010 van het Gerechtshof Amsterdam (LJN: BL0984).

2.4 Verweerder heeft in beroep nog het volgende aangevoerd. Verweerder heeft verwezen naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 7 april 2009 (LJN: BI0588). Hieruit volgt volgens verweerder dat de schadevergoeding die in het onderhavige geval verschuldigd is, bestaat uit de wettelijke rente van de som over de tijd dat de verweerder in verzuim is geweest. Grondslag voor de berekening van de wettelijke rente is volgens de Centrale Raad van Beroep de bruto-uitkering. Het bedrag van € 1.865,43 genoemd in de beslissing op bezwaar betreft het netto-uitkeringsbedrag. Volgens vaste jurisprudentie van de Raad begint de wettelijke rente te lopen met ingang van de tweede maand, volgend op de maand waarop de bijstand betrekking had. Het bruto-nabetalingsbedrag betrof in totaal € 2.529,80, en betrof de periode van 1 januari 2008 tot en met 7 januari 2008, februari en maart 2008. Besloten is om als uitgangspunt van de renteberekening, het bruto-bedrag te nemen en als ingangsdatum van de wettelijke rente 1 februari 2008. Deze berekening is weliswaar niet helemaal correct, maar wel in het voordeel van eiser. Het bedrag van € 193,72 dat aan eiser is vergoed aan wettelijke rente wordt daarom juist geacht. Volgens verweerder komt eiser niet in aanmerking voor vergoeding van de proceskosten in bezwaar, omdat zijn bezwaren maar gedeeltelijk gegrond zijn verklaard, te weten alleen wat betreft de wettelijke rente over de nabetaling. Voorts komt eiser volgens verweerder niet voor vergoeding van immateriële schade in aanmerking. In artikel 6: 106, eerste lid, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek (BW) is bepaald dat recht kan bestaan op immateriële schadevergoeding indien de benadeelde lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast. In het onderhavige geval is daar volgens verweerder geen sprake van.

De rechtbank overweegt als volgt.

Ten aanzien van de proceskosten in bezwaar

2.5 Op grond van artikel 7:15, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) worden de kosten, die belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, door het bestuursorgaan uitsluitend vergoed op verzoek van de belanghebbende voorzover het bestreden besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid.

2.6 Vast staat dat verweerder met het bestreden besluit van 14 september 2009 het primaire besluit van 27 oktober 2008 heeft herroepen. Verweerder heeft het bezwaarschrift van eiser gedeeltelijk gegrond verklaard. Vast staat ook dat namens eiser in het bezwaarschrift is gevraagd de proceskosten te vergoeden en aangenomen wordt dat daarmee is bedoeld de kosten voor het voeren van de bezwaarprocedure.

2.7 De rechtbank oordeelt, onder verwijzing naar de uitspraak van de CRvB van 28 maart 2006 (LJN: AW1316) en 11 november 2008 (LJN: BG4645), dat er geen grond bestaat voor het standpunt van verweerder, dat bij een gedeeltelijke gegrondverklaring van het bezwaar er geen recht zou bestaan op vergoeding van proceskosten in bezwaar. Ter zitting heeft verweerder dit ook erkend, zodat dit punt niet meer in geschil is. Reeds hierom is het beroep gegrond en komt het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking, wegens strijd met de artikelen 7:12 en 7:15 Awb.

2.8 De rechtbank ziet aanleiding om op grond van artikel 8:72, vierde lid, Awb zelf in de zaak te voorzien en te bepalen dat eiser op grond van artikel 7:15, tweede lid, Awb in aanmerking komt voor een vergoeding van proceskosten in bezwaar. De rechtbank begroot deze kosten, gelet op het Besluit Proceskosten Bestuursrecht, op € 805,- (1 punt voor het bezwaarschrift en 1,5 punt voor het twee maal bijwonen van een hoorzitting, wegingsfactor 1).

Ten aanzien van de materiële schadevergoeding

2.9 In artikel 6:162 BW is bepaald dat hij die jegens een ander een onrechtmatige daad pleegt, welke hem kan worden toegerekend, verplicht is de schade die de ander dientengevolge lijdt, te vergoeden. De onrechtmatigheid van de besluitvorming door en de toerekening daarvan aan verweerder (in de zin van artikel 6:162 BW) is niet in geschil. Tussen partijen is evenmin in geschil dat eiser in beginsel aanspraak kan maken op schadevergoeding als gevolg van verlaging van de bijstandsuitkering. Wel in geschil is de hoogte van de schadevergoeding en welke schade voor vergoeding in aanmerking kan komen.

2.10 Volgens vaste rechtspraak van de CRvB, dient in het kader van het bestuursrecht voor de beantwoording van de vraag of een partij schade lijdt en in welke omvang, zoveel mogelijk aansluiting te worden gezocht bij het civielrechtelijke schadevergoedingsrecht, waarbij in het bijzonder van belang is de jurisprudentie van de burgerlijke rechter betreffende de gevolgen van onrechtmatige overheidsbesluiten.

2.11 In de uitspraak van 7 april 2009 (LJN BI0588) heeft de CRvB bepaald dat (ook) de gevolgen van een onrechtmatige intrekking van een uitkering in beginsel zijn terug te voeren op de vertraagde uitbetaling van de uitkering, althans voor zover het gaat om kosten die zijn gemaakt als gevolg van het tijdelijk gemis aan geld door die intrekking. Er is volgens de rechtbank geen reden om in het onderhavige geval, waarin sprake was van het opleggen van een maatregel van 100%, wat feitelijk gezien neerkomt op het (volledig) intrekken van de uitkering, tot een ander oordeel te komen. De CRvB is van oordeel dat het verzoek om veroordeling van het bestuursorgaan tot vergoeding van de incassokosten die in het kader van achterstallige betaling van onder meer huur en energie in rekening zijn gebracht, betrekking heeft op vergoeding van schade wegens vertraging in de voldoening van een geldsom. Hetzelfde geldt naar het oordeel van de rechtbank voor de deurwaarderskosten.

2.12 Volgens vaste jurisprudentie normeert artikel 6:119 BW de omvang en de duur van de verplichting tot vergoeding van schade wegens vertraging in de voldoening van de geldsom. In het eerste lid van dat artikel is bepaald dat schadevergoeding, verschuldigd wegens vertraging in de voldoening van een geldsom, bestaat in de wettelijke rente van die som over de tijd dat de schuldenaar in verzuim is geweest. Verwezen kan ook worden naar het arrest van de Hoge Raad van 2 november 1990 (LJN AB8154).

2.13 Een en ander brengt mee dat er in dit geval voor zelfstandige vergoeding van de uit de vertraagde betaling van de bijstand voortgevloeide incassokosten en deurwaarderskosten geen plaats is en dat verweerder heeft kunnen volstaan met vergoeding van de wettelijke rente. Ter zitting is namens eiser aangegeven dat de hoogte en de ingangsdatum van de wettelijke rente thans niet meer in geschil is.

Ten aanzien van de immateriële schadevergoeding

2.14 Zoals hierboven reeds overwogen dient volgens vaste rechtspraak van de CRvB voor de vaststelling van schade als bedoeld in artikel 8:73, eerste lid, Awb zoveel mogelijk aansluiting te worden gezocht bij het civielrechtelijk schadevergoedingsrecht. In beroep staat de onrechtmatigheid van de besluiten van 21 december 2007 en 15 juli 2008 en de toerekening, als bedoeld in artikel 6:162 BW, daarvan aan verweerder tussen partijen vast. Eveneens volgens vaste rechtspraak van de CRvB is voor vergoeding van schade vereist dat de gestelde schade verband houdt met het onrechtmatige besluit en voorts dat alleen die schadeposten voor vergoeding in aanmerking komen die in een zodanig verband staan met dat besluit, dat zij het bestuursorgaan, mede gezien de aard van de aansprakelijkheid en van de schade, als een gevolg van dat besluit kunnen worden toegerekend. Bij de beoordeling of schade toegerekend moet worden acht de CRvB onder meer de aard en de strekking van het vernietigde besluit een relevante factor. Verwezen wordt in dit kader naar de uitspraak van de CRvB van 8 juni 2010 (LJN BM8044).

2.15 In artikel 8, eerste lid, van het EVRM is vastgelegd dat een ieder recht heeft op respect voor zijn privéleven, zijn familie- en gezinsleven, zijn woning en zijn correspondentie. In het tweede lid van dit artikel is vastgelegd dat geen inmenging van enig openbaar gezag is toegestaan in de uitoefening van dit recht dan voor zover bij de wet is voorzien en in een democratische samenleving noodzakelijk is in het belang van de nationale veiligheid, de openbare veiligheid of het economisch welzijn van het land, het voorkomen van wanordelijkheden en strafbare feiten, de bescherming van de gezondheid of de goede zeden of voor de bescherming van de rechten en vrijheden van anderen.

2.16 Zoals de CRvB in zijn uitspraak van 22 december 2008 (LJN BG8776) heeft overwogen, merkt het Europese Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) respect voor menselijke waardigheid en menselijke vrijheid als the “very essence” van het EVRM aan. Het in artikel 8 van het EVRM besloten liggende recht op respect voor het privéleven van een persoon omvat mede de fysieke en psychische integriteit van die persoon en is er primair op gericht, zonder inmenging van buitenaf, de ontwikkeling van de persoonlijkheid van elke persoon in zijn betrekkingen tot anderen te waarborgen.

2.17 In dit geval heeft verweerder de uitkering van eiser gedurende zes maanden, later teruggebracht tot drie maanden, verlaagd met 100%. Als gevolg van deze maatregel had eiser, die volledig afhankelijk was van een bijstanduitkering, in het geheel geen inkomen meer. Hierdoor kon eiser niet meer voorzien in zijn primaire levensbehoeften. Verder heeft eiser onweersproken gesteld dat hij als gevolg van het wegvallen van zijn bijstandsuitkering niet meer in staat was zijn vaste lasten als de huur, en de rekeningen van gas, water en licht te betalen. Bij brief van 22 april 2008 heeft de deurwaarder eiser gesommeerd de achterstallige huur over de maanden februari tot en met april 2008 te betalen voor 28 april 2008 en heeft de deurwaarder een ontruimingsprocedure in het vooruitzicht gesteld indien aan deze sommatie geen gehoor zou worden gegeven.

2.18 De rechtbank is van oordeel dat onder deze omstandigheden het opleggen van een maatregel van 100% verlaging van eisers bijstandsuitkering voor een periode van zes maanden, later drie maanden terwijl verweerder geen voorzieningen heeft getroffen waarmee eiser nog kon voorzien in zijn primaire levensbehoeften en vaste lasten, een ernstige inbreuk maakt op eisers privéleven, als omschreven in artikel 8, eerste lid, EVRM. Vervolgens rijst de vraag of verweerder gelet op het bepaalde in artikel 8, tweede lid, van het EVRM gerechtigd was inbreuk te maken op eisers privé-leven.

2.19 Op grond van de uitspraak van deze rechtbank 10 maart 2009 staat vast dat, gelet op eisers psychische toestand, de oplegging van de maatregel van 100% verlaging van eisers bijstandsuitkering onrechtmatig was tegenover eiser. Reeds hierom kan geen sprake zijn van een rechtvaardiging voor de gemaakte inbreuk op het privé-leven. Een dergelijke inbreuk op een fundamenteel recht moet worden aangemerkt als een aantasting van de persoon in de zin van artikel 6:106, eerste lid, aanhef en onder b, van het BW. De vraag of sprake is van feitelijk letsel is daarbij niet van belang (zie in dit kader de door eiser aangehaalde uitspraak van 12 januari 2010 van het Gerechtshof Amsterdam (LJN BL0984) en de onder rechtsoverweging 2.14 aangehaalde uitspraak van de CRvB). Deze inbreuk en de eventueel daaruit voortvloeiende schade moeten bij de toepassing van artikel 8:73 van de Awb, mede in aanmerking genomen het in artikel 13 van het EVRM opgenomen beginsel van een ‘effective remedy’, als gevolg van die besluiten aan verweerder worden toegerekend.

2.20 Dan resteert de vraag of er sprake is van immateriële schade en zo ja, wat een billijke vergoeding van de immateriële schade is, rekening houdend met alle omstandigheden van het geval.

2.21 In het onderhavige geval gaat het om een persoon, een ex-asielzoeker met psychiatrische en verslavingsproblemen, die voor zijn primaire levensonderhoud volledig afhankelijk is van bijstand van overheidswege en daardoor in een afhankelijke positie verkeert. Door een maatregel op te leggen, waardoor eiser feitelijk helemaal zonder inkomen kwam, eerst voor zes maanden, later teruggebracht tot drie maanden, is eiser ernstig getroffen, mede gelet op zijn psychische toestand. Eiser zag zich gebracht in een situatie waarin hij geen geld meer had voor primaire levensbehoeften en voor het betalen van zijn woonlasten en waarbij hij dreigde uit zijn huis te worden gezet. Gezien deze omstandigheden is het aannemelijk dat eiser door deze inbreuk ongerustheid, spanning, frustratie en ongemak heeft geleden. Dat de uitkering later is nabetaald maakt dit niet anders. Aannemelijk is dan ook dat eiser als gevolg van het opleggen van de maatregel van verlaging van zijn bijstandsuitkering immateriële schade heeft geleden.

2.22 Aangezien de voorzieningenrechter van deze rechtbank bij uitspraak van 7 april 2008 heeft bepaald dat aan eiser voorschotten diende te worden betaald, heeft eiser daadwerkelijk drie maanden over geen enkele vorm van inkomen beschikt. De rechtbank acht deze periode langdurig, mede gelet op eisers psychische toestand. Gelet hierop en gelet op hetgeen in de jurisprudentie gebruikelijk is, acht de rechtbank een schadevergoeding van € 500,- billijk.

2.23 Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat het bestreden besluit moet worden vernietigd en dat verweerder dient te worden veroordeeld tot vergoeding van immateriële schade tot een bedrag van € 500, - aan eiser.

2.24 Het beroep zal gegrond worden verklaard. Voorts bestaat aanleiding voor een proceskostenveroordeling in beroep ten aanzien van verweerder.

3. Beslissing

De rechtbank:

3.1 verklaart het beroep gegrond;

3.2 vernietigt het bestreden besluit van 14 september 2009 voor wat betreft de weigering immateriële schadevergoeding en een vergoeding van proceskosten in bezwaar toe te kennen;

3.3 veroordeelt verweerder tot vergoeding aan eiser van immateriële schade tot een bedrag van € 500,-;

3.4 veroordeelt verweerder in de proceskosten in bezwaar tot een bedrag van € 805,- te betalen door verweerder aan eiser;

3.5 bepaalt dat de uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde deel van het bestreden besluit

3.6 veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten in beroep tot een bedrag van in totaal € 644,- te betalen door verweerder aan eiser;

3.7 bepaalt dat deze uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;

3.8 gelast dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht van

€ 150,- aan hem vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.T.B. de Vries, voorzitter, en mrs. W.J.A.M. van Brussel en M. Mateman, leden, in tegenwoordigheid van, mr. A. Buiskool, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 13 augustus 2010.

afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht. Het hoger beroep dient te worden ingesteld door het indienen van een beroepschrift binnen zes weken onmiddellijk liggend na de dag van verzending van de uitspraak door de griffier.