Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2010:BN3913

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
22-07-2010
Datum publicatie
12-08-2010
Zaaknummer
456378-CV EXPL 10-2470
Rechtsgebieden
Civiel recht
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Overtreding van een geldig non-concurrentiebeding. Belangenafweging. De kantonrechter oordeelt dat het belang van de werkgever groter is dan dat van de werknemer. Een boetebeding met de bepaling dat de boete niet voor rechterlijke matiging vatbaar is, is niet geheel nietig. De kantonrechter ziet in de omstandigheden van het geval aanleiding om de boete te matigen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2010-0638
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector kanton

Locatie Haarlem

zaak/rolnr.: 456378 / CV EXPL 10-2470

datum uitspraak: 22 juli 2010

VONNIS VAN DE KANTONRECHTER

inzake

Graydon Nederland B.V.

te Amsterdam

eiseres

hierna te noemen: Graydon

gemachtigde: mr. A. Robustella

tegen

[gedaagde]

te [adres]

gedaagde

hierna te noemen: [gedaagde]

gemachtigde: mr. J. Blakborn

De procedure

Graydon heeft [gedaagde] op 10 februari 2010 gedagvaard. [gedaagde] heeft schriftelijk geantwoord. De kantonrechter heeft bij tussenvonnis van 7 april 2010 een comparitie van partijen gelast, die heeft plaatsgevonden op 23 juni 2010, waarbij de griffier aantekeningen heeft gemaakt van wat partijen verder naar voren hebben gebracht. Partijen hebben producties in het geding gebracht.

De feiten

a. Graydon is een onderneming die zich toelegt op onder meer het verkopen en leveren van (handels)informatie over bedrijven in Nederland en daarbuiten en van producten en diensten gebaseerd op deze informatie alsmede producten en diensten op het terrein van crediteuren- en debiteurenbewaking en van incasso van handelsdebiteuren.

b. Op 1 juli 2008 is [gedaagde] bij Graydon in dienst getreden in de functie van senior adviseur binnen de Verkoopgroep van Graydon voor de duur van zes maanden. Na ommekomst van die periode is de overeenkomst verlengd tot 1 juli 2009, waarbij [gedaagde] als nieuwe functie die van junior adviseur heeft gekregen.

c. In de brief van 22 december 2008 waarin die functiewijziging met de bijbehorende functieschaal is opgenomen en die door [gedaagde] voor akkoord is ondertekend, is opgenomen dat voor de nieuwe functie tenminste dezelfde arbeidsvoorwaarden als in de eerdere overeenkomst gelden en in het bijzonder het concurrentiebeding. Dat beding is opgenomen in artikel 4.3 en bepaalt onder meer:

“Het is de werknemer verboden binnen een tijdvak van twee jaar na beëindiging van de arbeidsovereenkomst in dienst te treden bij een onderneming, welke activiteiten ontplooit die gelijk, gelijksoortig of aanverwant zijn aan die welke door de werkgever of aan de aan de werkgever gelieerde onderneming worden ontplooit dan wel zelf een dergelijke onderneming te vestigen, te drijven of te doen drijven, hetzij direct, hetzij indirect of in dan wel voor een dergelijke onderneming op enigerlei wijze werkzaam te zijn, hetzij tegen vergoeding, hetzij om niet of daarin enig aandeel te hebben.”

d. In artikel 4.6 van de arbeidsovereenkomst is vervolgens bepaald:

“Bij overtreding van hetgeen in de artikelen 4.3 tot en met 4.5 is bepaald verbeurt de werknemer aan de werkgever een terstond opeisbare, niet voor rechterlijke matiging vatbare, boete van € 10.000,-- per gebeurtenis en van € 1.000,-- voor iedere dag of gedeelte van de dag dat de overtreding te spreken tot vergoeding voor de volledige door haar als gevolg van het handelen c.q. nalaten van de werknemer geleden schade.”

e. De tweede overeenkomst voor bepaalde tijd is niet verlengd door Graydon. Aan het dienstverband is op 1 juli 2009 een einde gekomen. [gedaagde] is met ingang van het eind mei 2009 vrijgesteld van zijn werkzaamheden.

f. [gedaagde] is daarna tot 1 oktober 2009 werkzaam geweest bij een incassobedrijf in het oosten van het land. Graydon was hiervan op de hoogte.

g. [gedaagde] is op 1 oktober 2009 in dienst getreden bij Creditsafe Nederland B.V. (hierna: Creditsafe) in Den Haag. Deze onderneming houdt zich volgens de bedrijfsomschrijving die is opgenomen in het uittreksel uit het handelsregister van de Kamer van Koophandel bezig met:

”Het verstrekken van online bedrijfsinformatie en krediet rapporten en het verrichten van alle handelingen die verband houden met voornoemde diensten.”

h. Bij brief van 13 oktober 2009 heeft Graydon [gedaagde] aangesproken en gesommeerd tot naleving van het concurrentiebeding, op straffe van verbeurte van de overeengekomen boete. Graydon heeft [gedaagde] verzocht te verklaren dat hij geen werkzaamheden voor Creditsafe verricht noch zal verrichten. [gedaagde] heeft aan deze sommatie en dit verzoek geen gevolg gegeven.

i. Graydon heeft daarop in kort geding bij de kantonrechter in Haarlem gevorderd dat [gedaagde] zijn werkzaamheden voor Creditsafe gestaakt zal houden tot 1 juli 2010 onder verbeurte van een dwangsom. Bij kort geding vonnis van 11 december 2009 heeft de kantonrechter Haarlem [gedaagde] onder meer veroordeeld het verrichten van werkzaamheden voor c.q. ten behoeve van Creditsafe en/of daarmee gelieerde onderneming te staken en gestaakt te houden tot 1 januari 2010 op straffe van verbeurte van een dwangsom.

j. [gedaagde] heeft gevolg gegeven aan het vonnis is kort geding. Hij is momenteel niet meer werkzaam bij Creditsafe en is werkzoekend.

De vordering en het verweer

Graydon vordert betaling door [gedaagde] van € 94.000,--.

Graydon legt het volgende aan haar vordering ten grondslag. Partijen zijn een non-concurrentiebeding overeengekomen bij het aangaan van de arbeidsovereenkomst. [gedaagde] heeft dit non-concurrentiebeding overtreden. [gedaagde] is daardoor de boete die op overtreding van dit beding is gesteld verschuldigd. De boete is berekend over de periode van 1 oktober 2009 tot en met 23 december 2009.

[gedaagde] verweert zich tegen de vordering, waarop - voor zover van belang - bij de beoordeling van het geschil zal worden ingegaan.

De beoordeling van het geschil

1. Vooropgesteld wordt dat partijen op 22 december 2008 voor de functie junior adviseur een geldig non-concurrentiebeding zijn overeengekomen. De strekking van dit beding is te voorkomen dat [gedaagde] de specifieke kennis en ervaring die hij bij Graydon heeft verworven ten nadele van Graydon in een dienstverband bij een concurrent gaat benutten.

2. Het meest verstrekkende verweer dat [gedaagde] voert houdt in dat partijen

- Graydon bij monde van manager P&O [A.] - eind mei 2009 een nadere afspraak hebben gemaakt die inhield dat het non-concurrentiebeding buiten werking werd gesteld. Graydon heeft het bestaan van een dergelijke afspraak gemotiveerd betwist en de op de comparitie van partijen aanwezige [A.] heeft ontkend een afspraak met [gedaagde] over het buiten werking stellen van het non-concurrentiebeding te hebben gemaakt. Tegenover deze betwisting heeft [gedaagde] zijn stelling niet met nadere feiten en/of omstandigheden onderbouwd. Nu hij ook heeft nagelaten daarvan nader bewijs aan te bieden, strandt zijn verweer. Dit heeft tot gevolg dat het non-concurrentiebeding zijn gelding heeft behouden.

3. Verder legt [gedaagde] in zijn verweer de nadruk op het handelen dan wel niet handelen van Graydon bij zijn vertrek en indiensttreding bij het incassobureau en later bij Creditsafe. Zo zou Graydon hem niet hebben gewaarschuwd dat hij door indiensttreding bij het incassobureau en bij Creditsafe het non-concurrentiebeding zou overtreden en heeft zij nagelaten tijdig actie te ondernemen. Volgens [gedaagde] mocht hij er dan ook op vertrouwen dat Graydon hem niet (langer) zou houden aan het non-concurrentiebeding. Graydon zou ook te lang hebben gewacht met het ondernemen van actie. Pas door de uitspraak van de kantonrechter van 18 december 2009 was [gedaagde] er mee bekend dat hij werd gehouden aan het non-concurrentiebeding.

4. De kantonrechter volgt [gedaagde] niet in dit verweer. [gedaagde] gaat ten onrechte eraan voorbij dat hij welbewust het non-concurrentiebeding is aangegaan. Hij wist of moest weten dat hij niet op elke vacature kon reageren. Ter vermijding van risico’s had hij bij Graydon kunnen navragen of een indiensttreding bij het incassobureau en Creditsafe op enig probleem zou stuiten. Daarbij had hij voor de zekerheid ook Graydon om een schriftelijke reactie kunnen vragen. Dit gold te meer toen [gedaagde] een arbeidsovereenkomst aanging met Creditsafe, waarvan [gedaagde] onweersproken wist dat het één van de grootste concurrenten van Graydon is. Door na te laten zich te informeren over het standpunt van Graydon, heeft [gedaagde] bewust een risico genomen, dat Graydon hem op enig moment zou aanspreken op nakoming van zijn verplichtingen uit het non-concurrentiebeding. Het kan wel zo zijn dat [gedaagde] zich dit wellicht niet geheel realiseerde toen hij deze dienstverbanden aanging, maar de brief van Graydon van 13 oktober 2009, waarin zij hem meedeelt hem onverkort aan het non-concurrentiebeding te houden, was duidelijk en niet voor meer uitleg vatbaar. Desondanks is [gedaagde] zijn werkzaamheden voor Creditsafe blijven verrichten. Dat Graydon ervoor heeft gekozen om - toen zij er bij toeval achter kwam dat Graydon bij een incassobureau werkte - niet te ageren tegen dat eerdere dienstverband doet daaraan niet af.

5. Om de vraag te kunnen beantwoorden of Graydon [gedaagde] in dit geval kan en mag houden aan het non-concurrentiebeding dienen de belangen van beide partijen tegenover elkaar te worden afgewogen.

6. Graydon heeft belang bij de handhaving van het non-concurrentiebeding. Als onweersproken is immers vast komen te staan dat [gedaagde] bij Graydon in zijn functies - eerst als senior adviseur en later als junior adviseur - ervaring en kennis heeft opgedaan van de bedrijfsorganisatie, verkoopstrategieën en het klantenbestand van Graydon. Deze kennis zou [gedaagde] bij concurrent Creditsafe hebben kunnen aanwenden met als gevolg dat Graydon klanten zou kunnen verliezen en haar omzet zou dalen. Het non-concurrentie-beding was er nu juist voor om dit risico te vermijden.

7. Tegenover het belang van Graydon bij handhaving van het non-concurrentiebeding stond het belang van [gedaagde] om een andere geschikte functie te verwerven.

Vaststaat dat [gedaagde] door in dienst te treden bij Graydon een wending in zijn carrière voor ogen had en dat Graydon dit wist. Daarvoor had [gedaagde] meer dan 13 jaar in de logistiek gewerkt en had hij geen enkele ervaring binnen de kredietinformatie/incasso-praktijk.

8. Naar het oordeel van de kantonrechter was op 1 oktober 2009 het belang van Graydon bij handhaving van het non-concurrentiebeding groter dan dat van [gedaagde], nu niet is gesteld of is gebleken dat [gedaagde] door deze handhaving onbillijk zou worden benadeeld. [gedaagde] heeft het geldende concurrentiebeding overtreden door op

1 oktober 2009 in dienst te treden bij Creditsafe.

9. Volgens Graydon heeft [gedaagde] van 1 oktober 2009 tot en met 23 december 2009 het non-concurrentiebeding overtreden. Daartegen voert [gedaagde] aan dat hij met ingang van 18 december 2009 - de datum waarop het vonnis in kort geding is gewezen - zijn werkzaamheden heeft gestaakt. Graydon heeft dit niet weersproken, zodat als vaststaand wordt aangenomen dat de overtreding van het non-concurrentiebeding heeft plaatsgevonden van 1 oktober 2009 tot en met 18 december 2009.

10. Over de werking en uitleg van het in artikel 4.6 opgenomen beding, dat bij de feiten onder d. is opgenomen, verschillen partijen ook van mening. Het moet [gedaagde] worden nagegeven dat de formulering van dit beding niet overal uitblinkt in duidelijkheid. Evenwel dient het beding te worden aangemerkt als een boetebeding in de zin van artikel 6:91 BW, nu daarin wordt bepaald dat de werknemer (schuldenaar) die tekortschiet in de nakoming van bepaalde bedingen uit de arbeidsovereenkomst een geldsom is verschuldigd en het beding - onweersproken - ook als prikkel tot nakoming van onder meer het non-concur-rentiebeding diende. Anders dan [gedaagde] betoogt, hoeft Graydon dan ook niet aan te tonen dat sprake is van daadwerkelijk door haar geleden schade als gevolg van de indiensttreding van [gedaagde] bij Creditsafe.

11. Op zichzelf is juist - zoals [gedaagde] betoogt - dat in artikel 6:94 lid 3 BW wordt bepaald dat het in strijd is met de wet te bedingen dat de boete niet door de rechter zal kunnen worden gematigd. Dit betekent echter niet dat het boetebeding in zijn geheel nietig is. In artikel 3:41 BW is immers bepaald dat, als een grond van nietigheid slechts een deel van een rechtshandeling betreft, deze voor het overige in stand blijft, voor zover dit, gelet op inhoud en strekking van de handeling, niet in onverbrekelijk verband met het nietige deel staat. De uitsluiting van de matigingsbevoegdheid weggedacht, resteert een geoorloofd boetebeding. De nietigheid van artikel 6:94 lid 3 BW ziet immers alleen op hetgeen in afwijking van lid 1 van dat artikel is bedongen. Dit betekent dat het boetebeding voor het overige, dat wil zeggen: voor zover het niet strijdig is met het bepaalde in lid 1, tussen partijen geldt. Nu de strekking van het beding in een zodanige mate aan die van een geldig boetebeding beantwoordt, en aangenomen dat dit geldige boetebeding zou zijn overeengekomen, indien van de uitsluiting van de rechterlijke matigingsbevoegdheid was afgezien, komt het beding de werking van dat geldige boetebeding toe.

12. De kantonrechter ziet met [gedaagde] aanleiding de gevorderde boete sterk te matigen. Daarbij is het volgende van belang. Het totale dienstverband heeft slecht twaalf maanden geduurd. [gedaagde] vervulde geen sleutelfunctie binnen Graydon. De arbeidsovereen-komst is op initiatief van Graydon beëindigd, omdat [gedaagde] in haar visie niet goed functioneerde. Onder deze omstandigheden acht te kantonrechter een boete van

€ 2.500,-- passend en geboden.

13. Hetgeen partijen verder nog naar voren hebben gebracht behoeft geen bespreking meer, nu dit in het licht van hetgeen in dit vonnis is vastgesteld en overwogen, niet tot een andere beslissing kan leiden.

14. In de uitkomst van deze procedure ziet de kantonrechter aanleiding de proceskosten te compenseren, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt.

Beslissing

De kantonrechter:

- veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan Graydon van een boete van € 2.500,00;

- compenseert de proceskosten, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt;

- verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

- wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. Ch.A. van Dijk en uitgesproken op de openbare terechtzitting van bovengenoemde datum.