Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2010:BN3524

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
29-07-2010
Datum publicatie
09-08-2010
Zaaknummer
459044 / CV EXPL 10-3411
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Derdenbeslag. Procedure ex artikel 477a Rv. Eiser heeft derdenbeslag doen leggen onder gedaagde. Gedaagde heeft een verklaring afgelegd zoals voorgeschreven in artikel 476a lid 1 Rv. Eiser stelt dat gedaagde de verklaring niet heeft voorzien van de nodige bewijsstukken, zoals voorgeschreven in artikel 476b lid 2 Rv, en vordert veroordeling van gedaagde, primair tot betaling van het bedrag waarvoor het beslag is gelegd, subsidiair tot aanvulling van de verklaring.

De kantonrechter is van oordeel dat gedaagde zijn verklaring afdoende met bewijsstukken heeft onderbouwd en wijst de vordering af.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector kanton

Locatie Haarlem

zaak/rolnr.: 459044 / CV EXPL 10-3411

datum uitspraak: 29 juli 2010

VONNIS VAN DE KANTONRECHTER

inzake

[eiser]

te [woonplaats]

eiser

hierna te noemen: [eiser]

gemachtigde: mr. G.J. Sjoer

tegen

[gedaagde]

te [woonplaats]

gedaagde

hierna te noemen: [gedaagde]

procederende in persoon

De procedure

[eiser] heeft [gedaagde] gedagvaard op 4 maart 2010. [gedaagde] heeft schriftelijk geantwoord.

De kantonrechter heeft bij tussenvonnis van 29 april 2010 een comparitie van partijen gelast, die heeft plaatsgevonden op 15 juni 2010 en waarbij de griffier aantekeningen heeft gemaakt van wat partijen verder naar voren hebben gebracht.

De feiten

1. Bij verstekvonnis van 27 mei 2009 heeft de kantonrechter te Haarlem Van Beek Beheer B.V. onder meer veroordeeld tot betaling aan [eiser] van het netto equivalent van de vakantiebijslag ad € 2.009,24 bruto te vermeerderen met de wettelijke verhoging en de wettelijke rente. Op 2 september 2009 heeft de gemachtigde van [eiser] het hiervoor genoemde verstekvonnis aan Van Beek Beheer betekend. Van Beek Beheer heeft geen rechtsmiddelen tegen het vonnis aangewend, zodat dit onherroepelijk is.

2. Van Beek Beheer exploiteerde een aannemingsbedrijf. Zij heeft verbouwingswerkzaamheden uitgevoerd aan de woning van [gedaagde].

3. Van Beek Beheer heeft al haar activiteiten rond maart /april 2009 gestaakt en biedt geen verhaal.

4. Bij exploit van 16 september 2009 heeft [eiser] executoriaal derdenbeslag laten leggen onder [gedaagde] voor een bedrag van € 4.006,70.

5. Bij brief van 17 september 2010 heeft Van Beek Beheer aan [gedaagde] geschreven: “Naar aanleiding van het derdenbeslag welke gisteren bij jou is betekend, heb ik besloten de bouw/verbouwingswerkzaamheden die Van Beek Beheer uitvoert te staken. Wij zullen het voorschot opsouperen, waarna Van Beek Beheer geen activiteiten meer zal uitvoeren.”

6. [gedaagde] is, ondanks sommatie daartoe, volgens [eiser] in gebreke gebleven met het doen van een deugdelijke verklaring op grond van artikel 476a lid 1 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering.

7. [eiser] heeft in kort geding bij de kantonrechter in Haarlem primair betaling van

€ 4.006,70 gevorderd en subsidiair, ingeval [gedaagde] alsnog verklaring doet ingevolge artikel 476a lid 1 Rv, veroordeling van [gedaagde] in de nodeloos gemaakte kosten van de kortgeding procedure. Bij vonnis in kort geding van 29 januari 2010 heeft de kantonrechter de voorlopige voorziening geweigerd.

8. [gedaagde] heeft op 9 februari 2010 een verklaring overgelegd, vergezeld van een originele factuur van 12 augustus 2009 ten bedrage van € 15.000,00 netto onder vermelding van “10e voorschot ivm verbouwing van uw woning” en een bankafschrift waaruit blijkt dat op 25 augustus 209 een “10e aanbetaling verbouwing” ten bedrage van € 15.000,-- is betaald aan Van Beek Beheer.

De vordering

[eiser] vordert (samengevat) primair veroordeling van [gedaagde] tot betaling van € 4.006,70 vermeerderd met de wettelijke rente en subsidiair, indien [gedaagde] alsnog verklaring, verbetering of aanvulling doet, veroordeling van [gedaagde] in de nodeloos gemaakte proceskosten.

[eiser] legt aan de vordering ten grondslag dat [gedaagde], ondanks schriftelijke sommatie, in gebreke is gebleven met het doen van een verklaring op grond van artikel 476a lid 1 Rv. Op grond van de wet is [eiser] nu gerechtigd om van [gedaagde] betaling te vorderen van het bedrag waarvoor het beslag is gelegd, als ware [gedaagde] zelf schuldenaar.

[gedaagde] heeft weliswaar op 9 februari 2010 alsnog een verklaring afgelegd, doch deze is niet vergezeld van de benodigde bewijsstukken.

Het verweer

[gedaagde] betwist de vordering en voert (samengevat) aan dat hij aan zijn verplichtingen heeft voldaan. [gedaagde] heeft op 9 februari 2010 aan de gemachtigde van [eiser] een verklaring ex artikel 476a lid 1 Rv gedaan, die volledig voldoet aan de daaraan te stellen eisen. In deze verklaring staat dat [gedaagde] Van Beek Beheer niets meer verschuldigd is.

De beoordeling van het geschil

Ingevolge artikel 476a lid 2 sub a Rv dient de verklaring van een derde beslagene onder meer een met rede omklede opgave te bevatten of hij al dan niet iets aan de geëxecuteerde verschuldigd is of uit een ten tijde van het beslag reeds bestaande rechtsverhouding zal worden. Ingevolge artikel 476a lid 2 sub f Rv dient de verklaring voorts te omvatten de verdere gegevens die voor het vaststellen van de rechten van partijen dienstig mochten zijn. Ingevolge artikel 476b lid 2 Rv moet de verklaring zo veel mogelijk vergezeld gaan van afschrift van tot staving dienende bescheiden.

Ingevolge artikel 477a lid 2 Rv is de executant bevoegd om indien de derde beslagene wel een verklaring heeft afgelegd, deze geheel of ten dele te betwisten dan wel aanvulling daarvan te eisen.

[gedaagde] heeft op 9 februari 2010 een “verklaring derdenbeslag” aan [eiser] doen toekomen, waarin samengevat staat dat er tussen [gedaagde] en Van Beek Beheer geen rechtsverhouding meer bestaat en dat [gedaagde] niets aan Van Beek Beheer verschuldigd is. Als bijlagen bij de verklaring heeft [gedaagde] een originele factuur van 12 augustus 2009 ten bedrage van € 15.000,00 netto overgelegd, onder vermelding van “10e voorschot ivm verbouwing van uw woning” en een bankafschrift waaruit blijkt dat op 25 augustus 2009 een “10e aanbetaling verbouwing” ten bedrage van € 15.000,-- is betaald aan Van Beek Beheer.

[gedaagde] heeft ter zitting toegelicht dat Van Beek Beheer niet op basis van een (duurzame) aannemingsovereenkomst voor hem heeft gewerkt, maar steeds op basis van offertes. [gedaagde] heeft terzake aan Van Beek Beheer voorschotten betaald. Op 12 augustus 2009 heeft [gedaagde] het 10e en laatste voorschot aan Van Beek Beheer betaald. Na de beslaglegging heeft Van Beek Beheer nog werkzaamheden verricht tot dat voorschot was opgesoupeerd en vervolgens haar verbouwingswerkzaamheden gestaakt. [gedaagde] is Van Beek Beheer dan ook niets meer verschuldigd, aldus [gedaagde].

[eiser] heeft de verklaring van [gedaagde] betwist en eist -subsidiair- aanvulling daarvan. Volgens [eiser] voldoet de verklaring niet aan de eisen die in de artikelen 476a en 476b Rv worden gesteld. Hij stelt daartoe dat het door [gedaagde] aan Van Beek Beheer betaalde voorschot op de dag van de beslaglegging, 16 september 2009, niet was opgesoupeerd. Er was nog een voorschotsurplus (hierna: het surplus). De dag van de beslaglegging geldt als fixatiemoment. Op die dag had [gedaagde] nog recht op een tegenprestatie van Van Beek Beheer ter grootte van het surplus. [gedaagde] heeft hierover in zijn verklaring ten onrechte niets heeft vermeld. [gedaagde] dient alsnog een deugdelijke verantwoording af te leggen. Die heeft [eiser] nodig om het surplus te berekenen. Naar de kantonrechter begrijpt wil [eiser] het volgende betogen. Van Beek Beheer en [gedaagde] hadden een aannemingsovereenkomst. Van Beek Beheer heeft op grond van de aannemingsovereenkomst doorgewerkt na 16 september 2009. [gedaagde] had -als er geen sprake zou zijn van een voorschot- voor die werkzaamheden na 16 september 2009 aan Van Beek Beheer moeten betalen. Gelet hierop moet worden aangenomen dat [gedaagde] het surplus op en na 16 september 2009 aan Van Beek Beheer verschuldigd was, zodat hij dat ook had moeten verklaren en dit (althans het in het onder 2 bedoelde exploit genoemde bedrag) thans alsnog aan [eiser] moet betalen. Hieromtrent wordt als volgt overwogen.

De vraag die voorligt is -overeenkomstig artikel 476a lid 2 sub a Rv- of Van Beek Beheer op 16 september 2009 aan [gedaagde] iets verschuldigd was of uit een toen bestaande rechtsverhouding zou worden. Niet betwist is dat [gedaagde] op 25 augustus 2009 een voorschot aan Van Beek Beheer heeft betaald, hetgeen naar algemene bekendheid overigens ook niet ongebruikelijk is in de bouw. Gelet hierop moet worden aangenomen dat [gedaagde] op 16 september 2009 niets aan Van Beek Beheer verschuldigd was. Integendeel, hooguit kan worden aangenomen dat Van Beek Beheer op dat moment nog iets aan [gedaagde] verschuldigd was. Indien Van Beek Beheer op 16 september 2009 haar werkzaamheden had gestaakt, had [gedaagde] mogelijk een vordering op Van Beek Beheer gehad op grond van onverschuldigde betaling. Van een vordering van [gedaagde] op Van Beek Beheer was toen in ieder geval geen sprake. Dat dit het gevolg is geweest van het feit dat [gedaagde] een voorschot heeft betaald hetgeen met schriftelijke stukken is aangetoond en overigens ook niet door [eiser] is betwist- maakt nog niet dat hier anders over moet worden geoordeeld. Op de dag van de beslaglegging was [gedaagde] niets aan Van Beek Beheer verschuldigd. Dit heeft [gedaagde] derhalve terecht zo verklaard.

Dat tussen [gedaagde] en Van Beek Beheer mogelijk een aannemingsovereenkomst heeft bestaan die er toe had kunnen leiden dat –indien Van Beek Beheer haar werkzaamheden na het opsouperen van het voorschot voor [gedaagde] was blijven voortzetten- [gedaagde] in de toekomst voor door van Beek Beheer alsdan te verrichten werkzaamheden wederom zou hebben moeten betalen, is ook indien juist onvoldoende om aan te nemen dat [gedaagde] uit hoofde van een ten tijde van het beslag reeds bestaande rechtsverhouding iets verschuldigd zou worden aan Van Beek Beheer. Van een bestendige relatie tussen partijen was immers geen sprake meer, aangezien onbetwist is dat Van Beek Beheer de facto in maart/april 2010 is opgehouden te bestaan. Reeds om die reden kan niet worden aangenomen dat Van Beek Beheer op grond van een bestaande rechtsverhouding na het opsouperen van het voorschot, nog nieuwe werkzaamheden voor [gedaagde] zou gaan verrichten en daarvoor betaald zou moeten worden.

De kantonrechter ziet gelet op hetgeen hiervoor is overwogen geen aanleiding om [gedaagde] zijn verklaring alsnog verder te laten onderbouwen. De met bewijsstukken onderbouwde verklaring van [gedaagde] is afdoende. Daar valt immers uit af te leiden dat [gedaagde] op de dag van de beslaglegging niets aan Van Beek Beheer verschuldigd was of nog zou worden.

Dit betekent dat de vordering moet worden afgewezen. [eiser] wordt als de in het ongelijk gestelde partij veroordeeld in de kosten van de verklaringsprocedure, die tot op heden aan de zijde van [gedaagde] worden begroot op € 50,-- aan reis en verletkosten.

De beslissing

De kantonrechter:

- wijst de vordering af;

- veroordeelt [eiser] in de proceskosten die aan de zijde van [gedaagde] tot heden worden begroot op € 50,--.

Dit vonnis is gewezen door mr. C.A. Boom en uitgesproken op de openbare terechtzitting van bovengenoemde datum.