Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBHAA:2010:BN3474

Instantie
Rechtbank Haarlem
Datum uitspraak
21-07-2010
Datum publicatie
09-08-2010
Zaaknummer
awb 09 - 3599
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

WMO, gegrond, verhuizen naar AWBZ-instelling, onderscheid WVG-WMO, compensatieplicht

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
RZA 2010/140
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK HAARLEM

Sector bestuursrecht

zaaknummer: AWB 09 - 3599

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 juli 2010

in de zaak van:

[eiser],

wonende te Purmerend,

eiser,

gemachtigde: mr. A.J.G. Tijhuis, advocaat te Amsterdam,

tegen:

het college van Burgemeester en Wethouders van Landsmeer,

verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 15 december 2008 heeft verweerder eiser bericht dat zijn verzoek om verhuiskostenvergoeding wordt afgewezen.

Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 21 december 2008 bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 8 juni 2009, verzonden 23 juni 2009, heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 19 juli 2009, aangevuld bij brieven van 27 augustus 2009 en 10 januari 2010, beroep ingesteld.

Verweerder heeft op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden en een verweerschrift ingediend.

Het beroep is behandeld ter zitting van 5 februari 2010, alwaar eiser vergezeld door zijn gemachtigde is verschenen en verweerder niet is verschenen.

Gelet op het verhandelde ter zitting heeft de rechtbank aanleiding gezien om verweerder in de gelegenheid te stellen zich uit te laten over hetgeen eiser ter zitting naar voren heeft gebracht.

Met het schrijven van 8 april 2010 heeft verweerder gereageerd.

Desgevraagd hebben beide partijen toestemming gegeven de zaak zonder verdere zitting af te doen.

2. Overwegingen

2.1 Eiser heeft gewoond in Landsmeer, onder de zorg en in de directe nabijheid van zijn moeder. Na haar overlijden is eiser verhuisd naar een naastliggende gemeente (Purmerend). De nieuwe woning van eiser maakt deel uit van een AWBZ-instelling. De woning is op kosten van eiser geheel geschilderd, behangen en van vloerbedekking voorzien worden. Tevens heeft eiser een speciale kast in de woning moeten laten aanbrengen. Daarom heeft eiser op 2 oktober 2008 een verhuis- en herinrichtingskostenvergoeding aangevraagd.

2.2 Verweerder heeft met het besluit van 15 december 2008 de aanvraag van eiser afgewezen. Dit besluit heeft verweerder met de thans bestreden beslissing op bezwaar gehandhaafd.

2.3 Aan het thans bestreden besluit heeft verweerder ten grondslag gelegd dat op grond van artikel 20 onder e van de Verordening maatschappelijke ondersteuning gemeente Landsmeer 2008 (Verordening) de aanvraag voor een woonvoorziening wordt geweigerd indien de aanvrager voor het eerst zelfstandig gaat wonen, verhuisd is vanuit of naar een woonruimte die niet geschikt is het gehele jaar door bewoond te worden, verhuisd is naar een AWBZ-instelling of een andere instelling gericht op het verstrekken van zorg.

2.4 Eiser kan zich met dit besluit niet verenigen. Hij voert daartoe aan dat de categorale uitsluiting van mensen die naar een AWBZ-inrichtingen verhuizen in strijd is met de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo). Dit betekent niet dat een ieder een verhuiskosten en/of herinrichtingskosten vergoed moet krijgen, doch wel dat een en ander individueel bezien moet worden. Nu dit in dit geval niet is verricht is er derhalve sprake van onzorgvuldig onderzoek. De Verordening is in strijd met de Wmo en dat is al een grond om het bestreden besluit te vernietigen. Verder acht eiser nog van belang dat hij niet tijdelijk naar een AWBZ-instelling is verhuisd doch dat hij definitief op deze woonvorm is aangewezen. Beide ouders zijn – plotseling - overleden en daarom was het voor eiser niet meer mogelijk om zelfstandig te wonen. Hij heeft hier ook een indicatie van het CIZ voor. Eiser heeft een uitkering op grond van de wet arbeidsongeschiktheidsverzekering gehandicapten op bijstandsniveau en gelet op alle extra uitgaven, die hij wegens zijn beperkingen heeft, is het voor hem ondoenlijk geweest om te reserveren voor een verhuizing. Deze verhuizing heeft ook op korte termijn plaatsgevonden, eiser is in april ingeschreven, de moeder van eiser is in juni overleden en in november is eiser verhuisd. Ook door deze korte termijn was het voor eiser niet mogelijk om voldoende te reserveren. Door de erfenis van zijn moeder is eiser in staat geweest om een en ander te financieren. De woning van eiser was nagenoeg kaal. Slechts een douchestoel en een hoog/laagbed waren voor eiser beschikbaar. Eiser heeft tenslotte gewezen op de grote verschillen tussen Wmo en de Wet voorzieningen gehandicapten (Wvg) en op het feit dat andere gemeenten wél een vergoeding bij een vergelijkbare verhuizing verstrekken. Tenslotte wijst eiser erop dat verweerder heeft nagelaten toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 39 van de Verordening.

2.5 Verweerder stelt zich op het standpunt dat de redactie van artikel 20 van de verordening door de gemeenteraad imperatief is geredigeerd, waardoor er geen ruimte wordt geboden een afwijkende beslissing te nemen De gemeenteraad heeft uitdrukkelijk ervoor gekozen om geen kostenvergoeding te bieden bij verhuizing naar een AWBZ-instelling. Het gegeven dat aan een verhuizing verbonden kosten voor eigen rekening blijven van aanvrager is inherent aan de keuze die de gemeenteraad bij het vaststellen van de Wmo-verordening heeft gemaakt. Verweerder heeft hierbij gewezen op jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep waarbij onder de toenmalige Wvg op grond van het gestelde in artikel 2, tweede lid van de Wvg is bevestigd dat er geen aanspraak bestaat op de aangevraagde voorziening.

2.6 Tevens heeft verweerder er op gewezen dat blijkens artikel 1, eerste lid, onderdeel g onder 6 van de Wmo onder maatschappelijke ondersteuning wordt verstaan: het verlenen van voorzieningen aan mensen met een beperking of een chronisch psychisch probleem en aan mensen met een psychosociaal probleem ten behoeve van het behouden en het bevorderen van hun zelfstandig functioneren of deelname aan het maatschappelijk verkeer. Bij verhuizing naar een AWBZ-instelling is niet langer sprake van zelfstandig wonen waardoor aan deze mensen voor de verhuizing geen financiële tegemoetkoming wordt verstrekt , aldus verweerder.

De rechtbank overweegt als volgt.

2.7 Destijds was in de Wvg in artikel 2, eerste lid geregeld dat een gemeentebestuur zorg draagt voor de verlening van woonvoorzieningen, vervoersvoorzieningen en rolstoelen ten behoeve van de deelneming aan het maatschappelijk verkeer van de in de gemeente woonachtige gehandicapten. Op grond van artikel 2, tweede lid, van de Wvg was het eerste lid niet van toepassing op gehandicapten die verblijven in een instelling die ingevolge artikel 8 van de AWBZ is toegelaten. Dit artikel noch een vergelijkbaar artikel is in de Wmo opgenomen.

2.8 De stelling van verweerder dat uit het bepaalde in artikel 1, eerste lid, onderdeel 9, onder 6 van de Wmo volgt dat voor verweerder geen taak op grond van de Wmo is weggelegd bij een verhuizing naar een “onzelfstandige” AWBZ-inrichting vindt naar het oordeel van de rechtbank geen steun in dit artikel. Ook uit de memorie van toelichting op dit artikel (kamerstuk 30131) blijkt niet dat beoogd is dit in dit artikel neer te leggen. Verweerder heeft derhalve ten onrechte gemeend dat in dat kader op de gemeente geen compensatieplicht berust.

2.9 Ten aanzien van de overweging van verweerder dat de vergoeding dient te worden geweigerd in verband met het bepaalde in artikel 20 onder e van de Verordening merkt de rechtbank het volgende op.

2.10 Uit artikel 4 van de Wmo vloeit voort dat verweerder gehouden is voorzieningen te verstrekken aan mensen met een beperking of een chronisch psychisch probleem en aan mensen met een psychosociaal probleem ten behoeve van het behouden en het bevorderen van hun zelfstandig functioneren of hun deelname aan het maatschappelijke verkeer. De aard van de voorziening dient te zijn afgestemd op de door de belanghebbende ondervonden beperkingen waarbij als uitgangspunt heeft te gelden dat door het verstrekken van de voorziening de belanghebbende in een gelijkwaardige positie wordt gebracht als een persoon die deze beperkingen niet ondervindt. Met andere woorden, artikel 4, eerste lid, van de Wmo brengt mee dat bij de beoordeling van de vraag of een belanghebbende voor een voorziening in aanmerking komt als uitgangspunt heeft te gelden dat door deze ondervonden beperkingen op het gebied van zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie moeten worden gecompenseerd. Op verweerder rust in dit verband een resultaatsverbintenis. Uit de geschiedenis van totstandkoming van genoemde bepaling blijkt voorts dat de kern van het compensatiebeginsel is, dat de wet beschrijft wat nodig is om onderscheiden groepen burgers optimaal te kunnen laten meedoen. Daarmee wordt recht gedaan aan het credo “gelijke kansen” (TK 2005-2006, 30 131, nr. 98, p.14).

2.11 Blijkens de wetsgeschiedenis van artikel 4 van de Wmo wordt onder zelfredzaamheid verstaan het lichamelijke, verstandelijke, geestelijke en financiële vermogen om zelf voorzieningen te treffen die deelname aan het normale maatschappelijke verkeer mogelijk maken. Onder normale deelname aan het maatschappelijk verkeer wordt in ieder geval verstaan het kunnen ontmoeten van andere mensen en het aangaan en onderhouden van sociale verbanden om op die manier te kunnen deelnemen aan het lokale sociaal-maatschappelijke leven (TK 2005-2006, 30 131, nr. 65).

2.12 Met de in artikel 20 van de Verordening neergelegde bepaling dat voor woonvoorziening niet in aanmerking kan worden gebracht een belanghebbende die naar een AWBZ-inrichting zal verhuizen, wordt naar het oordeel van de rechtbank afbreuk gedaan aan de uit artikel 4, eerste lid, van de Wmo voor het college van burgemeester en wethouders voortvloeiende compensatieplicht. In de Wmo noch in de totstandkomingsgeschiedenis daarvan zijn aanknopingspunten te vinden voor een dergelijke beperkte invulling van de compensatieverplichting. Hieruit volgt dat verweerder artikel 20 van de Verordening niet aan het bestreden besluit ten grondslag had mogen leggen. De verordening is op dit punt onverbindend en had door verweerder buiten toepassing moeten worden gelaten.

2.13 Ook overigens is de rechtbank van oordeel dat het bestreden besluit geen stand kan houden. Hierbij overweegt de rechtbank dat uit artikel 3:2 van de Awb voortvloeit dat bij de beoordeling van een aanvraag om een voorziening te verstrekken, als bedoeld in artikel 4 van de Wmo, verweerder de beperkingen van de aanvrager in zijn zelfredzaamheid en maatschappelijke participatie, voor zover het de in dat artikel genoemde gebieden betreft, de persoonskenmerken en de behoeften van de aanvrager, alsmede de capaciteit van de aanvrager om uit een oogpunt van kosten zelf in maatregelen te voorzien, in kaart dient te brengen. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in het onderhavige geval niet aan vorenbedoelde onderzoeksplicht heeft voldaan.

2.14 Nu verweerder heeft nagelaten een deugdelijk onderzoek in te stellen naar de noodzaak van de voorziening, is het bestreden besluit onvoldoende zorgvuldig voorbereid. Hierdoor voldoet het bestreden besluit evenmin aan het bepaalde in artikel 26, eerste lid en tweede lid, van de Wmo. Verweerder had immers gemotiveerd dienen aan te geven op basis waarvan eiser, ondanks de weigering van de gevraagde voorziening, voldoende gecompenseerd wordt en zich in een gelijkwaardige positie bevindt ten opzichte van een persoon zonder beperkingen.

2.15 Gelet op het vorenstaande zal de rechtbank het beroep gegrond verklaren en het bestreden besluit vernietigen wegens strijd met artikel 3:2 van de Awb en de artikelen 4 en 26 van de Wmo. De rechtbank draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak.

2.16 Ter voorlichting van eiser wijst de rechtbank er op dat hetgeen hiervoor is overwogen niet wil zeggen dat aan eiser door verweerder ook een verhuis- en herinrichtingsvergoeding moet worden toegekend.

2.17 Er is aanleiding voor een proceskostenvergoeding.

3. Beslissing

De rechtbank:

3.1 verklaart het beroep gegrond;

3.2 vernietigt het bestreden besluit van 8 juni 2009, verzonden 23 juni 2009,;

3.3 bepaalt dat verweerder een nieuwe beslissing op bezwaar dient te nemen;

3.4 veroordeelt het college van Burgemeester en Wethouders van Landsmeer in de door eiser gemaakte proceskosten tot een bedrag van in totaal € 644,- te betalen aan eiser;

3.5 wijst het meer of anders gevorderde af;

3.6 gelast dat het college van Burgemeester en Wethouders van Landsmeer het door eiser betaalde griffierecht van € 41,- eiser vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door mr. C.E. Heyning-Huydecoper, rechter, in tegenwoordigheid van mr. M.J.M. Oltmans, griffier. De beslissing is in het openbaar uit gesproken op 21 juli 2010.

afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht. Het hoger beroep dient te worden ingesteld door het indienen van een beroepschrift binnen zes weken onmiddellijk liggend na de dag van verzending van de uitspraak door de griffier.